Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BA3301

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-03-2007
Datum publicatie
19-04-2007
Zaaknummer
22-005454-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Niet voldoen aan een ambtelijke vordering en wederspannigheid in het kader van een verdenking ex artikel 107, eerste lid WVW 1994.

Verwerping verweren m.b.t.

- de geldigheid van de dagvaarding wegens onvoldoende duidelijke omschrijving

- het bestanddeel "krachtens wettelijk voorschrift"

- het gebruik van pepperspray door verbalisant

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
VR 2007, 119
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-005454-06

Parketnummer(s): 10-703561-05

Datum uitspraak: 28 maart 2007

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank te Rotterdam van

19 september 2006 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1981,

adres: [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van

14 maart 2007.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

Geldigheid van de dagvaarding

De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat het onder 2 tenlastegelegde - voor zover het de zinsnede "in elk geval krachtens enig wettelijk voorschrift" betreft - onvoldoende duidelijk is omschreven en dat de dagvaarding in zoverre nietig dient te worden verklaard.

Het hof stelt vast dat het openbaar ministerie primair artikel 160 van de Wegenverkeerswet 1994 als wettelijk voorschrift, als bedoeld in artikel 184 van het Wetboek van Strafrecht, in de tenlastelegging heeft vermeld en dat de door de raadsman aangehaalde passage slechts een subsidiaire variant betreft. De materiële omschrijving van het tenlastegelegde verwijt is naar het oordeel van het hof voldoende feitelijk en voldoet ook aan de overige vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. Het verweer wordt verworpen.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 tenlastegelegde veroordeeld tot een geldboete ter hoogte van ? 200,-, subsidiair vier dagen hechtenis en ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 60 uren, subsidiair 30 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest. Omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen is beslist als nader in het vonnis omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

Ter terechtzitting in hoger beroep is komen vast te staan dat de verdachte ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit reeds een door de officier van justitie aangeboden transactie tijdig heeft voldaan.

Het hof is derhalve van oordeel - overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal - dat, gelet op het bepaalde in artikel 74, eerste lid van het Wetboek van Strafrecht, het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van het onder 1 tenlastegelegde feit.

Partiële vrijspraak

Naar het oordeel van het hof is ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich ook nog anders dan door zich met kracht los te rukken met geweld heeft verzet tegen de in de tenlastelegging genoemde opsporingsambtenaar

[[aangever 1]. Met name acht het hof niet bewezen dat de verdachte opzettelijk gewelddadig bij wege van verzet tegen deze opsporingsambtenaar op/tegen diens linkeroor althans diens hoofd heeft geslagen/gestompt. Daarbij neemt het hof in aanmerking dat de verdachte met pepperspray in het gezicht gespoten was. Het hof acht niet onaannemelijk dat hij genoemde opsporingsambtenaar in een paniekreactie tegen het hoofd geraakt heeft, zoals de verdediging heeft aangevoerd. Ook ten aanzien van de latere schermutselingen bij de aanhouding, waarbij [aangever 2] ten val kwam en letsel opliep, was naar 's hofs oordeel geen sprake van geweld tegen de aanhouding maar van een poging van de verdachte de spray uit zijn - brandende - ogen te verwijderen.

Dit heeft naar het oordeel van het hof tot gevolg dat de verdachte van de tenlastegelegde strafverhogende omstandigheid in de zin van artikel 181 van het Wetboek van Strafrecht behoort te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Nadere bewijsoverweging

Krachtens wettelijk voorschrift

De raadsman heeft ter terechtzitting betoogd dat de vordering van verbalisant [aangever 1] om de sleuteltjes van de motor af te geven, niet op enig wettelijk voorschrift berust. Daarom is er geen bewijs voor het onder 2 tenlastegelegde bestanddeel "krachtens wettelijk voorschrift", zodat naar zijn mening de verdachte van dat feit dient te worden vrijgesproken. Het hof verwijst voor de onderbouwing van dit verweer naar de pleitaantekeningen van de raadsman.

Het hof stelt met betrekking tot de feitelijke toedracht het navolgende vast.

Uit het proces-verbaal van aanhouding blijkt dat de verdachte met zijn motorfiets op 7 oktober 2005 staande werd gehouden door de verbalisanten. Na controle door de verbalisanten bleek dat de verdachte niet in het bezit was van een geldig rijbewijs voor dat motorvoertuig.

Na constatering van deze (vermoedelijke) overtreding van artikel 107, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994 heeft één der verbalisanten - naar 's hofs oordeel: kennelijk - teneinde voortzetting van het delict te voorkomen die motorfiets "in beslag genomen", de verdachte zulks medegedeeld en hem verzocht de contactsleutels van de motorfiets te overhandigen, zodat die motorfiets overgebracht kon worden naar de politieopslagplaats voor in beslag genomen voertuigen.

Blijkens het hierboven vermelde proces-verbaal weigerde de verdachte vervolgens meerdere malen - op vordering van de verbalisant - om de contactsleutels te overhandigen.

Uit het dossier blijkt dat de verdachte zijn motorfiets zelf naar huis wilde brengen (proces-verbaal van aanhouding), dan wel iemand wilde bellen om de motor voor hem op te halen (proces-verbaal van politieverhoor), en in verband daarmee kennelijk wilde voorkomen dat de politie in het bezit van de contactsleutels zou komen (ibidem).

Verdachtes handelen leidde tot diens aanhouding.

Het hof is van oordeel dat de grondslag van bevoegdheid van de politie om onder de gegeven omstandigheden aldus te handelen kan worden gevonden in artikel 160, zesde lid van de Wegenverkeerswet 1994 (WVW) en/of artikel 2 van de Politiewet 1993 in verbinding met artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering (Sv). Ingevolge de twee laatstgenoemde bepalingen is de politie immers bevoegd niet alleen strafbare feiten op te sporen maar ook om (binnen zekere grenzen) passende maatregelen te treffen om de voortzetting of herhaling van een geconstateerd feit te voorkomen; het hof laat daar in hoeverre in het onderhavige geval de (strafvorderlijke?) inbeslagneming van het vervoermiddel, gelet op het bepaalde in artikel 134 Sv, in de rede ligt. Meer specifiek voorziet artikel 160 WVW in zijn zesde lid in een bevoegdheid "ter bescherming van bij het verkeer betrokken belangen" bevelen te geven, waaraan de bestuurder van een voertuig dient te voldoen. Naar 's hofs oordeel lijdt het geen twijfel dat (redelijke) maatregelen ter voorkoming van voorzetting van het geconstateerde en strafbare verkeersgedrag langs deze weg kunnen worden geëffectueerd en dat het veiligstellen van het voertuig en het met het oog daarop vorderen van de contactsleutels aldus bevoegdelijk geschiedt.

Het hof verwerpt het verweer.

Rechtmatig gebruik van pepperspray

De raadsman heeft ter terechtzitting in hoger beroep voorts betoogd dat de onder 3 tenlastegelegde gedragingen van verdachte - voor zover bewijsbaar - een instinctieve reactie waren op het onrechtmatige overheidsgeweld, in het bijzonder het gebruik van de pepperspray. Er is volgens de verdediging aldus geen sprake geweest van verzet tegen een opsporingsambtenaar in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, zodat de verdachte - naar de mening van de raadsman - dient te worden vrijgesproken van dit feit. Het hof verwijst voor de onderbouwing van dit verweer eveneens naar de pleitaantekeningen van de raadsman.

Zoals hierboven reeds werd aangehaald, is de verdachte op enig moment aangehouden door één van de verbalisanten. Blijkens het hiervoor vermelde proces-verbaal van aanhouding speelt zich hierna het volgende af. De verdachte werd door de verbalisant uitgenodigd om van zijn motorfiets af te stappen. Dit weigerde de verdachte. Hierop pakte verbalisant [aangever 1] de verdachte bij zijn rechterarm teneinde hem naar het dienstvoertuig te geleiden. De verdachte rukte zijn arm los en draaide zich af, daarbij riep hij: "Blijf van me af". De verbalisant gaf de verdachte een waarschuwing dat hij pepperspray zou gebruiken indien de verdachte zich nogmaals aan zijn aanhouding zou onttrekken.

Vervolgens heeft de verbalisant wederom aan de verdachte gevraagd of hij van zijn motorfiets zou willen afstappen en mee zou willen lopen naar de auto. Daarop pakte de verbalisant de verdachte andermaal bij zijn rechterarm, waarop de verdachte zich weer losrukte. Hierna heeft de verbalisant de pepperspray in het gelaat van de verdachte gespoten.

Volgens artikel 12a van de 'Ambtsinstructie voor de politie, de Koninklijke marechaussee en de buitengewoon opsporingsambtenaar' is het gebruik van pepperspray (onder meer) geoorloofd om een persoon aan te houden die zich aan zijn aanhouding tracht te onttrekken of heeft onttrokken. Naar het oordeel van het hof blijkt uit de hiervoor gegeven weergave van het proces-verbaal dat de verdachte zich onttrok aan zijn aanhouding en dat aldus het gebruik van de pepperspray door de verbalisant niet als onrechtmatig kan worden aangemerkt. De verdachte heeft zich - door zich met kracht los te rukken - schuldig gemaakt aan het met geweld verzetten tegen een opsporingsambtenaar die werkzaam was in de rechtmatige uitoefening van zijn functie.

Ook dit verweer wordt derhalve verworpen.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder feit 2 bewezenverklaarde:

Opzettelijk niet voldoen aan een vordering, krachtens wettelijk voorschrift gedaan door een ambtenaar met de uitoefening van enig toezicht belast of door een ambtenaar belast of bevoegd verklaard tot het opsporen of onderzoeken van strafbare feiten.

Ten aanzien van het onder feit 3 bewezenverklaarde:

Wederspannigheid.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot niet-ontvankelijkverklaring van het openbaar ministerie in zijn vervolging wat betreft feit 1 en tot veroordeling van de verdachte ter zake van het onder 2 en 3 tenlastegelegde tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 50 uren, subsidiair 25 dagen hechtenis, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke geldboete van navermelde hoogte een passende en geboden reactie vormt.

Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen geldboete heeft het hof in matigende zin rekening gehouden met de omstandigheid dat de verdachte gedurende enkele dagen ter zake van het tenlastegelegde zijn vrijheid is ontnomen.

Bij de vaststelling van de geldboete is voorts rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Vordering tot schadevergoeding [aangever 1]

In het onderhavige strafproces heeft [aangever 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte onder 3 tenlastegelegde tot een bedrag van EUR 300,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag EUR 300,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij, groot EUR 200,- en tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor het overige.

Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Nu de verdachte van het onder 3 tenlastegelegde partieel wordt vrijgesproken en de gestelde schade alsdan niet het gevolg is van het bewezenverklaarde, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering tot vergoeding van de als gevolg daarvan geleden schade.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op zijn verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

Vordering tot schadevergoeding [aangever 2]

In het onderhavige strafproces heeft [aangever 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden immateriële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 3 tenlastegelegde tot een bedrag van EUR 225,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag EUR 225,-.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij, groot EUR 200,- en tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor het overige.

Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

De vordering van de benadeelde partij is namens de verdachte betwist.

Nu de verdachte van het onder 3 tenlastegelegde partieel wordt vrijgesproken en de gestelde schade alsdan niet het gevolg is van het bewezenverklaarde, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in haar vordering tot vergoeding van de als gevolg daarvan geleden schade.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op zijn verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 23(oud), 24, 24c, 57, 180 en 184 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart het openbaar ministerie ten aanzien van feit 1 niet-ontvankelijk in de vervolging.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 2 en 3 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een geldboete van EUR 500,00 (vijfhonderd euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 10 (tien) dagen.

Verklaart de benadeelde partij [aangever 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Verklaart de benadeelde partij [aangever 2] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Dit arrest is gewezen door mr. G. Oosterhof,

mr. G.P.A. Aler en mr. H.M.A. de Groot,

in bijzijn van de griffier mr. W.S. Korteling.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 28 maart 2007.