Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BA3009

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-04-2007
Datum publicatie
25-04-2007
Zaaknummer
729-D-06 730-D-06 en 731-D-06
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bewind en schenkingstraditie. Binnen de grenzen en een door de bewindvoerder te bewijzen, althans aannemelijk te maken schenkingstraditie, staat het hof bescheiden schenkingen toe.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RN 2007, 62

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 4 april 2007

Rekestnummers : 729-D-06, 730-D-06 en 731-D-06

Rekestnrs. rechtbank : 05-785, 05-784 en 05-786

[appellant],

wonende te Dordrecht,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de bewindvoerder,

procureur mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.

Als belanghebbenden zijn aangemerkt:

1. [belanghebbende 1],

verblijvende in het Verpleeghuis Slingedael te Rotterdam, afdeling Meent,

hierna te noemen: de moeder,

2. [belanghebbende 2],

wonende te Hoogvliet,

hierna te noemen: de broer van de bewindvoerder.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De bewindvoerder is bij drie afzonderlijk ingediende beroepschriften op 22 mei 2006 in hoger beroep gekomen van drie door de rechtbank te Dordrecht, sector kanton, gegeven beschikkingen, alle van 22 februari 2006.

Van de zijde van de bewindvoerder zijn bij het hof op 26 januari 2007 aanvullende stukken ingekomen.

Op 16 februari 2007 zijn de zaken, vanwege hun verknochtheid, gevoegd mondeling behandeld. Verschenen is: de bewindvoerder, bijgestaan door zijn advocaat, mr. J.L. Snijders. De moeder en de broer van de bewindvoerder zijn, hoewel daar-toe behoor-lijk opge-roepen, niet versche-nen. De bewindvoerder en zijn advocaat hebben het woord gevoerd, de advocaat van de bewindvoerder onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnota.

VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikkingen van de rechtbank te Dordrecht, sector kanton.

Bij beschikking met rekestnummer 05-784 is het verzoek van de bewindvoerder, strekkende tot het verkrijgen van toestemming om namens de moeder voor het jaar 2004 aan hem € 10.000,- te schenken en aan de broer van de bewindvoerder € 8.163,37, afgewezen.

Bij beschikking met rekestnummer 05-785 is het verzoek van de bewindvoerder, strekkende tot het verkrijgen van toestemming om namens de moeder voor het jaar 2005 zowel aan hem als aan de broer van de bewindvoerder € 10.000,- te schenken, afgewezen.

Bij beschikking met rekestnummer 05-786 is het verzoek van de bewindvoerder, strekkende tot het verkrijgen van toestemming om namens de moeder voor het jaar 2006 zowel aan hem als aan de broer van de bewindvoerder € 10.000,- te schenken, ingewilligd tot € 4.342,- per kind, onder voorwaarde dat één en ander gespecificeerd wordt in de rekening en verantwoording.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. De bewindvoerder verzoekt de bestreden beschikkingen te vernietigen en opnieuw beschikkende, alsnog zijn inleidende verzoeken toe te wijzen.

2. Onder verwijzing naar de bij de beroepschriften overgelegde producties stelt de bewindvoerder, kort weergegeven, dat zowel hij als de broer van de bewindvoerder in het verleden regelmatig bedragen van hun ouders hebben ontvangen. Het feit dat het verzoek met betrekking tot het jaar 2006 gedeeltelijk is toegewezen, betekent volgens de bewindvoerder dat de rechtbank geconcludeerd heeft dat er sprake is geweest van een schenkingstraditie. Gelet hierop, alsmede gelet op de aanbevelingen van het Landelijk Overleg Kantonsectorvoorzitters (LOK), en het feit dat de toekomstige verzorging van de moeder vanwege haar vermogen (liquide € 196.861,- en in depot bij een notaris € 85.000,-) geen gevaar loopt, is de bewindvoerder van mening dat zijn verzoeken ten aanzien van 2004 en 2005 ten onrechte zijn afgewezen en dat zijn verzoek ten aanzien van 2006 ten onrechte slechts gedeeltelijk is toegewezen.

3. Uitgangspunt is dat een bewindvoerder moet toezien op de belangen van de rechthebbende. Het hof is van oordeel dat het doen van schenkingen in het algemeen niet in het belang van een rechthebbende is. Dit zou uitzondering kunnen leiden indien er sprake is geweest van een schenkingstraditie. Zowel uit de aan het hof overgelegde stukken als het verhandelde ter terechtzitting is gebleken dat de ouders de bewindvoerder en de broer van de bewindvoerder in het verleden naar hun mogelijkheden financieel hebben ondersteund en dat zij derhalve in het verleden bedragen aan hen hebben geschonken. Hoewel vaststaat dat de ouders, vanwege het ontbreken van vermogen, destijds weliswaar geen substantiële bedragen hebben geschonken en die schenkingen telkens op verschillende tijdstippen maar wel met enige regelmaat hebben plaatsgevonden, komt het hof tot de conclusie dat de financiële steun van de ouders in het verleden van dien aard is geweest, dat deze is aan te merken als een schenkingstraditie. Voor het hof staat vast dat de moeder voor het eerst in 2005 (na de verkoop van haar woning) over een substantieel vermogen is gaan beschikken. Gelet hierop, alsmede gelet op het feit dat ten aanzien van 2004 naar het oordeel van het hof niet duidelijk is, noch aannemelijk is gemaakt door wie, ten gunste van wie en hoeveel geld er in dat jaar van de bankrekening van de moeder is opgenomen, zal het hof het verzoek, voor zover dat betrekking heeft op 2004, afwijzen. Ten aanzien van 2005 en 2006 is het hof van oordeel dat de verzoeken, gelet op het hiervoor overwogene, kunnen worden toegewezen, met dien verstande dat het hof, op dezelfde grond als de rechtbank in de zaak met rekestnummer 05-786, van oordeel is dat de bedragen in die jaren dienen te worden gematigd tot het belastingvrije schenkingsbedrag van respectievelijk € 4.303,- en € 4.342,- per kind. Het hof weegt mee dat de bewindvoerder niet aannemelijk heeft gemaakt dat er in het verleden schenkingen van € 10.000,- ineens zijn gedaan, noch dat schenkingen ter hoogte van die omvang in het belang van de moeder worden geacht. Evenmin kan het argument van de bewindvoerder ter zitting van het hof, dat de verzochte schenkingen van € 10.000,- een daad van goed vermogensbeheer zijn omdat hiermee successierecht wordt bespaard, in het belang van de moeder worden beschouwd. Het vorenstaande brengt met zich dat de bestreden beschikkingen, gegeven door de rechtbank, sector kanton, bekend onder de rekestnummers 05-784 en 05-786, moeten worden bekrachtigd (de zaak met rekestnummer 05-784 echter op andere gronden) en dat de bestreden beschikking, gegeven door de rechtbank, sector kanton, bekend onder rekestnummer 05-785, moet worden vernietigd.

4. Hoewel de bewindvoerder in de zaken met rekestnummers 729-D-06 en 730-D-06 heeft gesteld dat de rechtbank te Dordrecht, sector kanton, ten onrechte heeft bepaald dat een bedrag dient te worden terugbetaald aan rechthebbende (in casu de moeder), gaat het hof aan die stelling voorbij. Nog afgezien van het feit dat de rechtbank, sector kanton, in zoverre geen beslissing heeft genomen doch slechts heeft overwogen, is de terugbetalingsverplichting naar het oordeel van het hof een automatisch gevolg van de door de rechtbank, sector kanton, gegeven beslissingen.

5. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikkingen van de rechtbank te Dordrecht, sector kanton, bekend onder de rekestnummers 05-784 en 05-786;

vernietigt de bestreden beschikking van de rechtbank te Dordrecht, sector kanton, bekend onder rekestnummer 05-785 en, opnieuw beschikkende:

wijst het verzoek van de bewindvoerder toe tot € 4.303,- per kind, onder voorwaarde dat één en ander gespecificeerd wordt in de rekening en verantwoording;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Pannekoek-Dubois, Reinking en Kamminga, bijgestaan door Suderée als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 april 2007.