Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BA2777

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
15-03-2007
Datum publicatie
11-04-2007
Zaaknummer
05/902
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De enkele omstandigheid dat appellant is vrijgesproken van het feit ter zake waarvan uitleveringsdetentie was bevolen is onvoldoende om aan te nemen dat de verdenking ten onrechte heeft bestaan. Dat moet blijken uit het strafdossier.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2007, 142
O&A 2007, 50
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 15 maart 2007

Rolnummer: 05/902

Rolnr. rechtbank: 04.2274

HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE, eerste civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

[APPELLANT],

wonende te [plaatsnaam],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr. R.W. de Vos van Steenwijk,

tegen

de STAAT DER NEDERLANDEN,

zetelende te 's-Gravenhage

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Staat,

procureur: mr. C.M. Bitter.

Het geding

Bij exploot van 1 juni 2005 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 2 maart 2005, door de rechtbank te 's-Gravenhage gewezen tussen partijen. Bij memorie van grieven heeft [appellant] vier grieven tegen het vonnis aangevoerd, die door de Staat bij memorie van antwoord zijn bestreden.

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Tegen de vaststelling door de rechtbank van de feiten onder het kopje “1. De feiten” is niet opgekomen, zodat deze feiten ook voor het hof als uitgangspunt gelden. Met inachtneming van die feiten en hetgeen overigens uit de stukken naar voren is gekomen gaat het in deze zaak om het volgende.

1.1. Op 14 juni 1999 heeft Portugal om uitlevering van [appellant] gevraagd. Hij werd verdacht van deelname aan een criminele organisatie en mensenhandel. Naar aanleiding van dit uitleveringsverzoek heeft [appellant] de periode vanaf 24 juni 1999 tot 22 februari 2001 in Nederland in uitleveringsdetentie doorgebracht.

1.2. Bij uitspraak van 30 november 1999 heeft de rechtbank Middelburg de uitlevering gedeeltelijk toelaatbaar verklaard. Deze uitspraak is in cassatie door de Hoge Raad bij arrest van 30 mei 2002 gedeeltelijk vernietigd. De vernietiging betrof de omschrijving van de feiten waarvoor de rechtbank de uitlevering toelaatbaar had verklaard en het achterwege laten van de vermelding dat art 250 Sr. toepasselijk was. Voor andere bij het uitleveringsverzoek behorende feiten is de uitlevering wél toelaatbaar verklaard en voor het overige is het cassatieberoep verworpen.

1.3. Op 22 februari 2001 is [appellant] feitelijk uitgeleverd aan Portugal. Hij heeft daar tot 7 mei 2001 in detentie doorgebracht, totdat hij op laatstgenoemde datum door de rechtbank in Funchal (Madeira) is vrijgesproken.

2. [appellant] vordert in deze procedure een vergoeding van materiële en immateriële schade van totaal € 182.008,70 met rente en kosten op grond van een algemeen rechtsbeginsel inhoudende dat indien door een beslissing van de Nederlandse overheid ten onrechte vrijheidsbeneming heeft plaatsgevonden, op de overheid de plicht rust de aan de gelaedeerde toegebrachte schade te vergoeden.

Daarnaast voert hij aan, dat de toepassing van voorlopige hechtenis een disproportioneel middel is geweest, zodat de Staat in zoverre onrechtmatig jegens hem heeft gehandeld.

3. Na verweer van de Staat heeft de rechtbank de vordering afgewezen en daartegen komt [appellant] op in dit hoger beroep.

4. Met de eerste grief ageert [appellant] tegen het oordeel van de rechtbank erop neerkomend dat de Staat niet aansprakelijk kan worden gehouden voor schade die voortvloeit uit een rechtmatige uitlevering. [appellant] benadrukt dat zijn detentie onrechtmatig is geweest. Volgens de tweede grief verschuilt de rechtbank zich ten onrechte achter de beginselen van het gesloten stelsel van rechtsmiddelen. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

5. Er is geen wettelijke bepaling – en daarover bestaat tussen partijen ook geen verschil van inzicht – die voorziet in vergoeding door de Staat van schade geleden door een uitgeleverde persoon wiens uitlevering door de uitleveringsrechter toelaatbaar is verklaard maar wiens berechting in het land waaraan hij is uitgeleverd tot een vrijspraak heeft geleid. Uit de wettelijke bepalingen van art. 89 Sv destilleert [appellant] een algemeen rechtsbeginsel inhoudende dat indien door een beslissing van de Nederlandse overheid ten onrechte vrijheidsbeneming heeft plaatsgevonden, op de Staat de verplichting tot schadevergoeding komt te rusten. Het hof volgt hem hierin niet.

6. In de kern komen de stellingen van [appellant] erop neer, dat de Staat hem zijn schade moet vergoeden, omdat, nu hij is vrijgesproken van hetgeen hem in Portugal ten laste is gelegd, achteraf is gebleken dat zijn uitleveringsdetentie ten onrechte heeft plaatsgevonden.

7. Niet in geschil is dat in dit geding ervan moet worden uitgegaan, dat de uitleveringsdetentie die is ondergaan ingevolge de bevelen van de uitleveringsrechter rechtmatig is geweest en gerechtvaardigd werd door de door die uitleveringsrechter getoetste verdenkingen tegen [appellant]. Volgens vaste rechtspraak is de enkele omstandigheid dat [appellant] is vrijgesproken van het feit ter zake waarvan die uitleveringsdetentie was bevolen onvoldoende om aan te nemen dat die verdenking ten onrechte heeft bestaan, maar moet zulks uit het strafdossier blijken. [appellant] heeft niet gesteld dat uit het strafdossier blijkt dat de verdenking tegen hem ten onrechte heeft bestaan. Reeds hierom kan niet worden geoordeeld dat de uitleveringsdetentie ten onrechte heeft plaatsgevonden. De twee eerste grieven stuiten hierop af.

8. De derde grief betreft de proportionaliteit van de uitleveringsdetentie. Volgens [appellant] was de maatregel van voorlopige hechtenis disproportioneel. Niet is gebleken, zo stelt hij, dat de Portugese autoriteiten voorlopige hechtenis nodig achtten, terwijl de Nederlandse autoriteiten andere dwangmiddelen ter beschikking stonden.

9. Deze grief stuit af op de formele rechtskracht van de bevelen tot voorlopige hechtenis. De uitleveringrechter heeft met die bevelen zijn oordeel gegeven over de noodzaak van de voorlopige hechtenis en in deze procedure kan niet met vrucht worden betoogd dat de uitleveringsrechter in zoverre een onjuiste beslissing heeft genomen.

10. De vierde grief heeft geen zelfstandige betekenis en strandt dus ook.

11. Het falen van de grieven heeft tot gevolg dat het vonnis zal worden bekrachtigd en [appellant] zal worden veroordeeld in de kosten van het hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het bestreden vonnis;

- veroordeelt [appellant] in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van de Staat bepaald op € 546,- aan griffierecht en op € 2.632,- aan salaris voor de procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. A. Dupain, A.H. de Wild en S.A. Boele en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 15 maart 2007 in aanwezigheid van de griffier.