Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BA2402

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-04-2007
Datum publicatie
10-04-2007
Zaaknummer
2200054507
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Verwerping Ankerverweer. Naar het oordeel van het hof is de werkwijze in Rotterdam-Rijnmond een toereikende “uitdrukkelijke” aanwijzing als bedoeld in artikel 7 van meergenoemd besluit. Door de generieke aanwijzing door de korpschef te koppelen aan de registratie in het Beaufortsysteem is de aanwijzing voldoende specifiek: de aanwijzing wordt geregistreerd op naam in een geautomatiseerd systeem en is mitsdien individualiseerbaar, is door de kopie van het certificaat controleerbaar en is als gegeven reproduceerbaar. Niet valt in te zien dat een individuele aanwijzing bij telkens een afzonderlijk besluit in dit verband meerwaarde heeft. Nu vaststaat dat de betrokken verbalisant het certificaat "Bedienaar ademanalyse" heeft behaald, als zodanig in Beaufort staat geregistreerd en daarmee door de korpschef is aangewezen, is het hof van oordeel dat de ademanalyse is verricht door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar en dat derhalve sprake is van een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994.

Wetsverwijzingen
Wegenverkeerswet 1994
Wegenverkeerswet 1994 8
Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten
Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten 7
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2007, 194
JWR 2007/46
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000545-07

Parketnummer(s): 10-801613-06

Datum uitspraak: 10 april 2007

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank te Rotterdam van 30 januari 2007 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedag] 1966,

adres: [adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 28 maart 2007.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte vrijgesproken van het tenlastegelegde.

De officier van justitie heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsoverweging

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep (primair) gerequireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit, omdat de ademanalyse op het politiebureau overeenkomstig de wettelijke voorschriften door een daartoe aangewezen opsporingsambtenaar zou zijn verricht.

De verdediging heeft ter terechtzitting in hoger beroep het standpunt van het openbaar ministerie gemotiveerd betwist.

Het hof overweegt dienaangaande het volgende.

I. Toepasselijk recht

Artikel 7 Besluit alcoholonderzoeken (hierna: Besluit) houdt – voor zover thans van belang – in:

“1. Het ademanalyse-apparaat wordt bediend door een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering, die daartoe door de betrokken korpschef, (..) is aangewezen.

2. Een aanwijzing als bedoeld in het eerste lid geschiedt slechts, indien de betrokken ambtenaar heeft getoond de voor het bedienen van het ademanalyse-apparaat benodigde kennis en vaardigheden te bezitten.

3. Onze Minister van Justitie kan (..) nadere regels stellen omtrent de kennis en vaardigheden van de bedienende ambtenaren.”

De Nota van toelichting op artikel 7 Besluit (Stb. 1987, nr. 432, p. 7) houdt in:

“Het gebruik van ademanalyse-apparaten stelt specifieke eisen aan het personeel dat de apparaten moet bedienen. Aangezien het hier een voor de toepassing van de wet essentiële opsporingshandeling betreft, is bepaald dat alleen opsporingsambtenaren als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering als bedienaar kunnen optreden. Daarnaast is voorzien in een uitdrukkelijke aanwijzing door de betrokken politiechef of brigadecommandant van een ambtenaar die de benodigde kennis en vaardigheden bezit om met het door hem te bedienen apparaat om te gaan. Hiertoe zijn binnen de politie verschillende opleidingen in het leven geroepen. Voorshands ligt het niet in de bedoeling ter zake nadere regels vast te stellen. Het derde lid biedt echter de mogelijkheid om daartoe zo nodig over te gaan.”

De Memorie van Toelichting op de Invoering ademanalyse (TK’85-’86, 19 285, nr. 3, p. 6) vermeldt:

“Als de ademanalyse grotendeels in de plaats treedt van de bloedproef, zal zij aan stringente eisen van nauwkeurigheid en betrouwbaarheid moeten voldoen en zullen de uitkomsten van ademanalyse en bloedproef ook overigens gelijkwaardig moeten zijn. Dit kan worden vertaald in technische eisen aan de uiteindelijk te kiezen ademalcoholapparaten, nauwkeurige voorschriften voor bediening, ijking en onderhoud van deze apparaten, en meer in het algemeen in een zorgvuldig uitgewerkte procedure voor de toepassing van ademanalyse in de praktijk.”

De Hoge Raad heeft overwogen dat naleving van artikel 7 Besluit behoort tot de strikte waarborgen waarmee het onderzoek naar het alcoholgehalte van de adem is omkleed (HR 20 december 1994, NJ 1995, 403), en dat artikel 7 Besluit ertoe strekt de juistheid te waarborgen van het resultaat van een ademanalyse, reden waarom de uitvoering van een dergelijk onderzoek aan speciaal daartoe aangewezen opsporingsambtenaren is opgedragen (HR 1 april 2003, NJ 2003, 304).

II. Werkwijze in Rotterdam

Door de advocaat-generaal zijn aan het hof en aan de verdediging onder meer de volgende stukken verstrekt:

- Een 'Beleidsnotitie bedienaars ademanalyse-apparatuur', opgesteld door verkeersdeskundige [X], d.d. 4 juli 2002, met bijlagen, waarin voorstellen worden gedaan met betrekking tot de eenduidige aanwijzing en registratie van de bedienaars van de ademanalyse-apparatuur, de opleiding van de bedienaars en het op peil brengen en houden van de kennis en vaardigheden van de bedienaars. Op de beleidsnotitie staat een handgeschreven akkoord van de plaatsvervangend korpschef [Y] van 24 maart 2003 luidende: “Akkoord met de in deze notitie gedane beleidsvoorstellen, inclusief de bepaling dat registratie in Beaufort (het hof begrijpt: het personeelsregistratie-systeem Beaufort) automatisch aanwijzing door de KC (het hof begrijpt: de korpschef) inhoudt als bedienaar. Eveneens akkoord met de bijgevoegde adviezen van O en P (9/9-02) en FEZ (4/9-02).”

- Een schrijven van de Korpschef van de politie Rotterdam-Rijnmond [Z] d.d. 21 maart 2007 aan de hoofdofficier van justitie te Rotterdam, waarin wordt aangegeven dat de akkoordverklaring van de plaatsvervangend korpschef van 24 maart 2003 als formeel besluit met betrekking tot de in de hierboven genoemde beleidsnotitie voorgestelde werkwijze dient te worden gezien en dat vanaf 24 maart 2003 deze werkwijze in het korps is toegepast.

Op basis van deze stukken en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen is, voorzover in dit verband van belang, komen vast te staan dat in het korps Rotterdam-Rijnmond de volgende werkwijze wordt gehanteerd:

Opsporingsambtenaren die de opleiding "bedienaar ademanalyse" met goed gevolg hebben voltooid en het certificaat hebben behaald geven een kopie van dat certificaat af aan de afdeling P&O van het district, waarna zij worden opgenomen in het personeelsregistratie-systeem Beaufort.

De registratie in Beaufort van gecertificeerde bedienaars houdt "automatisch" een aanwijzing van de korpschef als bedoeld in artikel 7 Besluit in.

Bij de stukken bevindt zich een afschrift van een certificaat op naam van [verbalisant 1], afgegeven door de toezichthouder ademanalyse, Inspecteur van Regiopolitie R. van Waardenberg, waaruit blijkt dat [verbalisant 1] op 17 april 2004 de opleiding 'Bedienaar ademanalyse' heeft gevolgd.

Advocaat-generaal mr. L. Plas heeft bij brief van 26 maart 2007 de verdediging bericht dat [verbalisant 1] in het Beaufortsysteem als bedienaar staat geregistreerd. De advocaat-generaal mr. J.T. van Belzen heeft ter terechtzitting in hoger beroep bevestigd dat de betrokken verbalisant sinds het behalen van het certificaat als bedienaar staat geregistreerd, waarna de raadsman heeft aangegeven aan de inhoud van deze mededeling niet te twijfelen.

Het hof gaat er derhalve vanuit dat de verbalisant [verbalisant 1], die na verdachtes aanhouding de ademanalyse op het politiebureau heeft verricht en daaromtrent heeft gerapporteerd, als bedienaar ademanalyse in het personeelsregistratiesysteem van de Politie Rotterdam-Rijnmond is opgenomen.

III. Overweging hof

Het hof stelt voorop dat artikel 7 Besluit noch de wetsgeschiedenis iets inhouden waaruit kan of moet worden afgeleid op welke wijze (door middel van een geschrift dan wel met gebruikmaking van een geautomatiseerd werk) een aanwijzing door de korpschef dient te geschieden. Uit artikel 7 Besluit en de wetsgeschiedenis blijkt evenmin dat het de korpschef niet vrij zou staan alle opsporings-ambtenaren die het certificaat behaald hebben aan te wijzen, dat wil zeggen zonder aanzien des persoons.

De strikte waarborg aangaande de 'kwaliteit' van degene die de ademanalyse zoals bedoeld in artikel 8, tweede lid, onder a, van de Wegenverkeerswet 1994 afneemt, neergelegd in artikel 7 Besluit, houdt in, cumulatief:

1. de bedienaar dient een opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 141 van het Wetboek van Strafvordering te zijn;

2. de bedienaar dient getoond te hebben de voor het bedienen van het ademanalyse-apparaat benodigde kennis en vaardigheden te bezitten;

3. de bedienaar dient daartoe door de korpschef te zijn aangewezen.

Naar het oordeel van het hof is de hierboven onder II beschreven werkwijze een toereikende “uitdrukkelijke” aanwijzing als bedoeld in artikel 7 van meergenoemd besluit.

Door de generieke aanwijzing door de korpschef te koppelen aan de registratie in het Beaufortsysteem is de aanwijzing voldoende specifiek: de aanwijzing wordt geregistreerd op naam in een geautomatiseerd systeem en is mitsdien individualiseerbaar, is door de kopie van het certificaat controleerbaar en is als gegeven reproduceerbaar. Niet valt in te zien dat een individuele aanwijzing bij telkens een afzonderlijk besluit in dit verband meerwaarde heeft.

Nu vaststaat dat de betrokken verbalisant het certificaat "Bedienaar ademanalyse" heeft behaald, als zodanig in Beaufort staat geregistreerd en daarmee door de korpschef is aangewezen, is het hof van oordeel dat de ademanalyse is verricht door een daartoe bevoegde opsporingsambtenaar en dat derhalve sprake is van een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

Bewijsmiddelen:

1. Het proces-verbaal van Politie Rotterdam-Rijnmond, nr. [-], d.d. 1 juni 2006, opgemaakt in de wettelijke vorm door de daartoe bevoegde opsporingsambtenaren [verbalisant 2] en [verbalisant 1], respectievelijk hoofdagent en brigadier van politie. Dit proces-verbaal houdt onder meer in -zakelijk weergegeven- als relaas van deze opsporingsambtenaren:

Op 31 mei 2006 te 23.34 uur heb ik, [verbalisant 2], de bestuurder van een personenauto op de Korfmakersstraat te Rotterdam als verdacht van overtreding van artikel 8 Wegenverkeerswet 1994 aangehouden. De verdachte gaf op te zijn: [naam verdachte zonder leestekens] (het hof leest: [naam verdachte]), geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedag] 1966. Op 1 juni 2006 te 00.10 uur heeft de verdachte zich onder leiding van mij, [verbalisant 1], daartoe aangewezen opsporingsambtenaar als bedoeld in artikel 7 van het Besluit Alcoholonderzoeken, onderworpen aan een onderzoek als bedoeld in artikel 8 lid 2 onder a van de Wegenverkeerswet 1994. Het onderzoek ving aan tenminste 20 minuten na het tijdstip van de vordering tot medewerking aan het voorlopige onderzoek van uitgeademde lucht. Dit heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek, overeenkomstig de als bijlage gevoegde afdruk, genummerd 1464.

2. Een geschrift, zijnde een afdruk van het onderzoeksresultaat van de ademanalyse d.d. 1 juni 2006, als bijlage gevoegd bij het proces-verbaal met nummer [-], inhoudende, zakelijk weergegeven:

Datum: 1 juni 2006

Naam verdachte: [naam verdachte]

Geboortedatum: [geboortedatum]

Geboorteplaats: [geboorteplaats]

Naam bedienaar: [verbalisant 1]

Analysenummer: 1464

- als aanvangstijdstip van de analyse van de adem van de verdachte: 00:10 uur.

- de weergave van het verrichte onderzoek.

- als onderzoeksresultaat: 520 microgram alcohol per liter uitgeademde lucht.

- de verklaring van de bedienaar de ademonderzoeks-procedure conform de voorschriften te hebben uitgevoerd.

3. De verklaring van de verdachte.

De verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 28 maart 2007 verklaard -zakelijk weergegeven-:

Ik erken dat ik fout zat. Ik heb op de avond van 31 mei 2006 meerdere glazen alcohol gedronken. Vervolgens heb ik de auto gepakt.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en veroordeling van de verdachte ter zake van het tenlastegelegde tot een geldboete van EUR 550,=, subsidiair 11 dagen hechtenis, met voorwaardelijke ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 6 maanden, met een proeftijd van twee jaren.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

De verdachte heeft zijn auto bestuurd onder invloed van alcoholhoudende drank en dusdoende de verkeersveiligheid in gevaar gebracht.

De verdachte is, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 27 maart 2007, niet eerder veroordeeld. Het hof is van oordeel dat een geldboete van navermelde hoogte een passende en geboden reactie vormt. Bij de vaststelling van de geldboete is rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 23 (oud), 24 en 24c van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 8 (oud) en 176 (oud) van de Wegenverkeerswet 1994.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot het betalen van een geldboete van EUR 550,00 (vijfhonderdvijftig euro),

bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de tijd van 11 (elf) dagen.

Dit arrest is gewezen door mr. B.A. Stoker-Klein, mr. A.E. Mos-Verstraten en mr. S.J.A.M. van Gend, in bijzijn van de griffier mr. B.A.A. Postma. Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 10 april 2007.