Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BA1939

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
14-02-2007
Datum publicatie
04-04-2007
Zaaknummer
2006/0253
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onwaardigheid voordeel te trekken uit nalatenschap. Ondubbelzinnige vergiffenis aangenomen op grond van strafvonnis waarin overwogen is dat partijen zich wensten te verenigen. Het hof overweegt dat partijen hun huwelijkse band hebben voortgezet en dat niet belangrijk is wat derden van deze relatie vonden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2007, 236
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 14 februari 2007

Rolnummer : 2006/0253

Rolnr. rb. : 210053/HA ZA 04-301

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

A r r e s t

in de zaak van:

[appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

procureur mr. G.Jansen,

tegen

De gezamenlijke erven van

[A], te weten;

[B] Gomes

[C]

beide wonende te [woonplaats]

geïntimeerden,

hierna te noemen: [B en C],

procureur mr. E. Grabandt.

HET GEDING

Bij exploot van 8 februari 2006 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 14 december 2005 rolnummer 210053 / HA ZA 04-301, van de rechtbank te Rotterdam tussen de partijen gewezen.

Voor de loop van het geding in eerste aanleg verwijst het hof naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in het bestreden vonnis heeft vermeld.

Bij memorie van grieven heeft [appellant] 1 grief aangevoerd.

Bij memorie van antwoord (met producties) hebben [B en C] de grieven bestreden.

De partijen hebben hun procesdossier aan het hof overgelegd en arrest gevraagd.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. Voor zover tegen de feiten zoals door de rechtbank vastgesteld in het bestreden vonnis van 14 december 2005 niet is opgekomen, gaat het hof van die feiten uit.

2. [appellant] vordert dat het hof moge behagen te vernietigen het vonnis van 14 december 2005 door de rechtbank te Rotterdam tussen [appellant] en erflaatster gewezen en, opnieuw rechtdoende, voorzover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat erflaatster op grond van het bepaalde in artikel 4:3 lid 3 BW onwaardig was om uit de nalatenschap van de op 11 mei 2003 overleden heer [x] (erflater) voordeel te trekken, waardoor er geen rechten terzake in haar nalatenschap konden vallen die thans aan geïntimeerden toekomen, met veroordeling van geïntimeerden in de kosten van beide instanties.

3. In grief 1 stelt [appellant] dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat op grond van het feit dat erflater, na te zijn neergestoken (poging tot doodslag), zich – kort gezegd – met erflaatster heeft herenigd en met haar is gebleven voldoende aannemelijk acht dat hij erflaatster de steekpartij ondubbelzinnig heeft vergeven.

4. [appellant] voert ondermeer het navolgende aan dat:

? Op grond van de parlementaire geschiedenis het bepaalde van artikel 4:3 lid 3 BW niet te lichtvaardig mag worden aangenomen;

? Erflater na de poging tot doodslag door erflaatster geen testament heeft opgesteld waarbij hij haar tot erfgenaam heeft ingesteld;

? Erflater zich wel met erflaatster heeft herenigd, maar de relatie tussen beide echtgenoten slecht bleef.

5. [B en C] hebben de grief gemotiveerd weersproken. Zij hebben ondermeer aangevoerd dat:

? Uit het strafvonnis van 28 mei 1998 volgt dat erflaatster en erflater hebben aangegeven dat zij zich wilden herenigen en samen verder wilden leven;

? Erflater tot aan zijn dood op 11 mei 2003 met erflaatster gehuwd is gebleven;

? Erflater tot aan zijn dood met erflaatster heeft samengewoond;

? Erflater erflaatster tijdens haar detentie heeft bezocht;

? Uit de feiten kan worden afgeleid dat erflater op een ondubbelzinnige wijze erflaatster haar gedraging heeft vergeven.

6. Het hof overweegt als volgt. Een onwaardigheid vervalt, wanneer de erflater aan de onwaardige op ondubbelzinnige wijze zijn of haar gedraging heeft vergeven. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat het enkele feit dat de erflater na kennisneming van de grond der onwaardigheid geen uiterste wil maakt, onvoldoende is om de onwaardigheid van een erfgenaam bij versterf op te heffen; daartoe is nodig, dat de erflater daarna de onwaardige bij testament tot erfgenaam instelt of een andere daad doet, waaruit de vergiffenis ondubbelzinnig blijkt. De wetgever heeft geen vormvoorschriften of materiele eisen gesteld waaraan de vergiffenis moet voldoen. De rechter dient op basis van de aan hem voor gelegde feiten en omstandigheden te oordelen of er sprake is van een ondubbelzinnige vergiffenis.

7. Het hof is in dit specifieke geval van oordeel dat er sprake is van een ondubbelzinnige vergiffenis. Het hof vindt in deze zaak relevant het vonnis van 28 mei 1998. De rechtbank heeft overwogen:” Echter in de specifieke omstandigheden van het geval, te weten dat verdachte en het slachtoffer beiden hebben medegedeeld zich te willen herenigen en dat verdachte heeft aangegeven haar alcoholproblematiek serieus te willen aanpakken, ziet de rechtbank aanleiding in plaats van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 6

maanden, verdachte in aanmerking te laten komen voor vorenbedoelde straf van onbetaalde arbeid ten algemenen nutte, waartoe zij zich bereid heeft verklaard”. Op grond van het feit dat de rechter heeft vastgesteld dat partijen zich wensten te herenigen, kan naar objectieve maatstaven worden vastgesteld, dat de erflater erflaatster haar daad ondubbelzinnig heeft vergeven. Voorts is het hof gebleken dat erflater en erflaatster tot aan de dood van erflater hun samenleving in de huwelijkse band met elkaar hebben voortgezet. Wat derden van de relatie van erflaatster en erflater vonden en vinden is naar het oordeel van het hof niet relevant. Het behoort in beginsel tot de persoonlijke vrijheid van erflater en erflaatster hoe zij invulling wensten te geven aan hun relatie.

8. Het bovenstaande brengt mee dat het bestreden vonnis moet worden bekrachtigd.

9. Gezien het feit dat [appellant] in het ongelijk wordt gesteld zal zij worden veroordeeld in de kosten dit hoger beroep.

BESLISSING VAN DE ZAAK IN HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank te Rotterdam tussen de partijen op 14 december 2005 gewezen, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

veroordeelt [appellant] in de kosten van het geding in hoger beroep, aan de zijde van [B en C] tot deze uitspraak begroot op € 1.190,00 gespecificeerd als volgt:

- vastrecht, € 296,00

- salaris procureur, € 894,00

te betalen aan de griffier van dit hof, die daarmee zal handelen overeenkomstig het bepaalde in artikel 243 Rv.

Dit arrest is gewezen door mrs. Van den Wildenberg, Dusamos en Labohm en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 14 februari 2007, in tegenwoordigheid van de griffier.