Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BA1602

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-02-2007
Datum publicatie
27-03-2007
Zaaknummer
C07/49KG
Formele relaties
Eerste aanleg: ECLI:NL:RBDOR:2006:AZ5132, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Is een aan een directeur van een B.V. verleend ontslag nietig wegens arbeidsongeschiktheid. Zie ook LJN BA1511; verwante zaak.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 629
Burgerlijk Wetboek Boek 7 685
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2007/109
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 16 februari 2007

Rolnummer: 07/49 KG

Zaaknr. rechtbank: 67260 / KG ZA 06-183

HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE, negende civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

[WERKNEMER],

wonende te [X]

appellant,

hierna te noemen: [Werknemer],

procureur: mr. E. Grabandt,

tegen

MEDISCH CONSULT HILVERSUM ARBODIENST MIDDEN-NEDERLAND B.V.,

gevestigd te Hilversum,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Medisch Consult,

procureur: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.

Het geding

Bij exploot van 9 januari 2007 is [Werknemer] onder het aanvragen van een spoed-behandeling en onder overlegging van twee producties in hoger beroep gekomen van het vonnis van 13 december 2006, door de voorzieningenrechter van de recht--bank Dordrecht, gewezen in kort geding tussen partijen. In het exploot wor-den vier grieven aangevoerd. [Werknemer] heeft tevens subsidiair een nieuwe vordering ingesteld.

[Werknemer] heeft een conclusie van eis in hoger beroep genomen.

Medisch Consult heeft bij memorie van antwoord de grieven bestreden.

Ten slotte heeft [Werknemer] gefourneerd en is arrest gevraagd.

De beoordeling van het hoger beroep

1. Het hof gaat uit van de feiten zoals die door de voorzieningenrechter van de rechtbank onder 2.1, 2.3, 2.6, 2.7, 2.8, 2.9, 2.11, 2.12 en 2.13 van het bestreden vonnis zijn vastgesteld, nu die als zodanig in hoger beroep niet worden bestre-den.

2. Het gaat om het volgende.

2.1 Medisch Consult drijft een onderneming, die zich voornamelijk bezig houdt met het adviseren en begeleiden van (werknemers van) klanten en relaties op het gebied van arbeidsomstandigheden, waaronder ziekteverzuim (Arbodienst-verlening).

2.2 [Werknemer], geboren op 6 februari 1954, is met ingang van 1 november 1998 in dienst getreden bij Medisch Consult als business-manager. Per 1 november 1999 is hij benoemd tot mede-bestuurder van Medisch Consult in de functie van commercieel directeur. Zijn salaris was laatstelijk € 9.000,- bruto per maand, ex-clusief vakantiegeld en overige emolumenten, zoals een auto van de zaak en een onkostenvergoeding.

2.3 Medisch Consult is in februari 1996 opgericht. [X], verder te noe-men [X], is mede-bestuurder van Medisch Consult. [Werknemer] heeft vol-gens afspraak sedert december 1999 een gedeelte (20 %) van het aandelen-pakket ver-kregen van Medisch Consult. Vanaf 14 maart 2005 zijn [X] (via diens B.V.) voor 60 % en [Werknemer] (via diens B.V.) voor 40 % de aandeel-houders van Medisch Consult.

2.4 In 2005 verslechterde de bedrijfseconomische situatie van Medisch Consult ten gevolge van onder meer het opzeggen van contracten. Medio 2006 heeft een van de grootste klanten het bestaande contract opgezegd. Ten gevolge van werk-druk en privé-omstandigheden heeft [Werknemer] zich op 7 december 2005 ziek ge--meld. Per 23 december 2005 is [Werknemer] vervolgens door de bedrijfsarts ge-deeltelijk (40 %) arbeidsongeschikt verklaard.

2.5 Op 24 maart 2006 heeft [X] in een gesprek met [Werknemer] te kennen gegeven geen vertrouwen meer te hebben in een verdere samenwerking met [Werknemer]. Op 28 maart 2006 heeft vervolgens een gesprek plaatsgehad tussen [X] en [Werknemer] ten kantore en in aanwezig-heid van de raadsman van [Werknemer]. Daaropvolgend heeft [X] namens Me-disch Consult op 29 maart 2006 schriftelijk aan [Werknemer] te kennen gegeven de samenwerking te willen stopzetten vanwege kort gezegd gebrek aan vertrouwen en onvoldoende func-tioneren van [Werknemer]. Tegelijker-tijd is daarbij een beëindi-gings-voorstel gedaan ter minnelijke regeling. Hierop heeft [Werknemer] bij brief van 3 april 2006 onder voorbehoud een tegen-voorstel gedaan om de zaak buiten rech--te te kunnen af-doen. Bij brief van 10 april 2006 heeft Medisch Consult gerea-geerd, waarna [Werknemer] daarop nog bij brieven van 14 en 24 april 2006 heeft ge-re-a-geerd. Uitein-de-lijk is een minnelijke regeling niet tot stand gekomen.

2.6 Op 23 mei 2006 heeft vervolgens een aandeelhoudersvergadering plaatsge-vonden. Buiten de meerderheidsaandeelhouder ([X]) en de minderheids-aan-deel-houder ([Werknemer]) waren tevens aanwezig de beide juridische adviseurs van partijen. Op 7 juni 2006 ontving [Werknemer] naar aanleiding van het bespro-ke-ne op voormelde aandeelhoudersvergadering het toegezegde (tweede) beëin-di-gings-voorstel. Dit voorstel was vanwege de daarbij gestelde voorwaarden als-mede de hoogte van de aangeboden vergoeding voor [Werknemer], blijkens brief d.d. 12 juni 2006 van zijn raadsman, niet acceptabel.

2.7 Vervolgens is [Werknemer] door de bedrijfsarts opgeroepen om op 27 juni 2006 te verschijnen voor een periodieke evaluatie van ziekte. In het verslag dat de bedrijfsarts van ArboNed van deze periodieke evaluatie d.d. 27 juni 2006 heeft opgemaakt, staat onder meer het volgende:

“Stand van zaken: Er blijkt sprake te zijn van een arbeidsconflict. Een conflict kan spanningsklachten geven, maar dit hoeft niet automatisch arbeidsongeschiktheid door ziekte of gebrek te betekenen. De klachten zullen blijven bestaan zolang het conflict voortduurt

Advies: Aangezien niet het medische beeld, maar het conflict tussen werknemer en werkgever nu centraal staat, is ons advies dat werkgever en werknemer sa-men in gesprek gaan om tot een oplossing te komen. Een oplossingsrichting is dat er een werkbare situatie ontstaat voor alle partijen waarin werkhervatting reëel is, dan wel dat partijen overeenstemming bereiken over andere oplos-sin-gen. Conform de geldende professionele richtlijnen (STECR), adviseren wij de ziekmelding te beëindigen en vanuit een andere benadering (bijv. non-actief setting) naar een oplossing toe te werken. Wij adviseren werkgever betrokkene per 28-06-2006 hersteld te melden. Betrokkene wordt dan in staat geacht het eigen werk volledig te kunnen hervatten.

Gemaakte afspraken: Aangezien de oorzaak niet meer medisch is, zien wij geen mogelijkheid voor verdere begeleiding. Er is daarom geen vervolgafspraak ge-maakt.”

2.8 Op 11 juli 2006 heeft [Werknemer] een uitnodiging ontvangen voor de buiten-gewone vergadering van aandeelhouders van Medisch Consult op 27 juli 2006. Uit de agenda bij deze uitnodiging blijkt dat als punt 2 staat geagendeerd:

“Discussie over het functioneren van het bestuur en de bestuurders, zowel indi-vidueel als gezamenlijk en mogelijke consequenties daarvan voor de positie van de bestuurders”.

2.9 Bij e-mailbericht van 18 juli 2006 heeft [Werknemer] zich opnieuw ziek gemeld.

2.10 Op 27 juli 2006 heeft de buitengewone aandeelhoudersvergadering plaatsgevonden en is het besluit genomen de arbeidsovereenkomst met [Werknemer] per 31 juli 2006 te beëindigen door opzegging. [Werknemer] was daarbij aanwezig.

2.11 Op 9 augustus 2006 heeft [Werknemer] het UWV om een deskundigenoordeel verzocht inzake zijn ongeschiktheid tot werken op 28 juni 2006. Daaropvolgend heeft zijn advocaat bij brief van 14 augustus 2006 aan Medisch Consult bericht dat [Werknemer] twijfelde over het oordeel van de bedrijfsarts om hem met ingang van 28 juni 2006 hersteld te melden. Tevens is daarbij meegedeeld dat, indien het UWV naar aanleiding van het verzochte deskundigenoordeel tot de conclusie zou komen dat [Werknemer] nooit hersteld gemeld had mogen worden, de nietig-heid van het gegeven ontslag is ingeroepen.

2.12 UWV heeft bij brief van 22 augustus 2006 [Werknemer] bericht dat zij van oor-deel is dat [Werknemer] op 28 juni 2006 niet geschikt is voor het verrichten van het eigen werk. Medisch Consult heeft op 23 au-gustus 2006 bericht ontvangen van het oordeel van het UWV.

2.13 Als bijlage bij de brief van UWV van 22 augustus 2006 is het deskundigen-oordeel van de verzekeringsarts gevoegd. Daarin staat onder meer het volgende;

“Beschouwing

Het betreft een deskundigenoordeel aangevraagd door de werknemer. Belang-heb-ben-de, commercieel directeur van een arbodienst is arbeidsongeschikt sinds 7-12-05 wegens psychische klachten in verband met overbelasting op het werk en in de privesituatie. In de loop van de ziekteperiode hervatte belanghebbende in aangepast werk. Zijn klachten namen eind maart toe na een mondelinge ont-slag-aankondiging. Vanaf eind mei zou belanghebbende door de werkgever volle-dig arbeidsongeschikt zijn gemeld, terwijl belanghebbende zijn aangepaste werk wilde voortzetten. Belanghebbende zou niet meer op het werk mogen verschij-nen. Op de aandeelhoudersvergadering d.d. 27-07-06 hoorde belang-hebbende dat hij per 01-08-06 ontslagen was. Zijn klachten namen weer toe. Inmiddels voelt belanghebbende zich weer verbeteren. Te weten waar hij aan toe is heeft hem ook rust gegeven. Desalniettemin acht belanghebbende zich niet in staat tot zijn eigen werk, ook niet bij een andere werkgever, omdat hij zich nog onvol-doende zou kunnen concentreren. Bij contact met de werkgever toename van zijn klach-ten verwacht. Uit de klachten en de bevindingen bij onderzoek acht ik de psychi-sche belastbaarheid van belanghebbende nog verminderd. Er is sprake van recht--streeks door ziekte en/of gebrek veroorzaakte en te objectiveren beper-king van de belastbaarheid tengevolge van een reeds langer bestaande overbe-las-ting waar het arbeidsconflict is bijgekomen. Het conflict speelt hier een onder-hou--dende en herstelvertragende rol in. Zolang het conflict niet is opgelost is bij terug-keer naar de werkvloer opnieuw uitval te verwachten. Volgens de Stecr richtlijn dient het 2 sporenbeleid gevolgd te worden: zowel medische begeleiding in verband met de medische beperkingen als het bevorderen van de oplossing van het conflict. Belastbaarheid van betrokkene: geen hoge werkdruk, eigen tem-po, niet te grote verantwoording, geen structurele conflicten, rustige werk-omgeving, voorspelbare werksituatie zonder frequente storingen en onderbre-kingen. Aantal uren opbouwen vanaf 6 uur per dag. Relevante werkbelastende aspecten van het eigen werk: werk en tempodruk, verantwoording, concentratie, regelmatige storingen en onderbrekingen, 8 uur per dag. Conflict nog niet opgelost.

Conclusie

De werknemer is als gevolg van ziekte / gebrek ongeschikt tot het verrichten van het eigen werk als commercieel directeur. Deze conclusie is gebaseerd op het feit dat de belastbaarheid van betrokkene door de werkbelastende factoren van voor-noemd eigen werk wordt overschreden. Er werd informatie ingewonnen bij de ar-bo-dienst op 18-08-06.”

2.14 Het salaris van [Werknemer] is in verband met de geldende opzegtermijn door medisch Consult tot en met september 2006 betaald.

2.15 Op 17 oktober 2006 schreef [X] namens Medisch Consult per brief en per e-mail aan [Werknemer] het volgende:

“... Je bent opgeroepen door Arboned om vrijdag 13 oktober te verschijnen op het spreekuur van de bedrijfsarts. Je hebt er voor gekozen aan deze oproep geen gevolg te geven.

De reden voor Medisch Consult om je te laten oproepen voor het spreekuur is voor het geval zou blijken dat de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig zou zijn beëindigd per 31 juli 2006. Voor dat geval dient immers te worden vastgesteld of je arbeidsongeschikt bent en welke maatregelen/acties Medisch Consult in dat geval zou moeten nemen. Zoals jou bekend is daarnaast een verzekering gesloten bij Medisch Consult, die slechts tot uitkering komt indien sprake is van arbeidsongeschiktheid. Dit dient dan wel (en wel tijdig) te worden vastgesteld. Dit is ook door onze advocaat aan die van jou gecommuniceerd.

In het voorwaardelijke geval dat zou blijken dat de arbeidsovereenkomst na 1 au-gus-tus 2006 nog doorloopt – is de salarisbetaling vanaf 13 oktober 2006 gestaakt. Wij zullen de voorwaardelijke salarisbetaling zolang gestaakt houden als jij niet aan jouw verplichting om bij de bedrijfsarts te verschijnen gehoor geeft. De be-drijfs-arts zal je binnenkort opnieuw voor zijn spreekuur oproepen. ...”

2.16 Op 24 oktober 2006 schreef [Werknemer] als reactie op de brief van 17 okto-ber 2006 het volgende:

“... Hierbij reageer ik op jouw brief, die ik aangetekend en per e-mail ontving, d.d. 17 oktober jl..

Het valt mij op dat de inhoud van jouw brief identiek is aan hetgeen mr Hes eer-der d.d. 11 oktober 2006 aan mijn advocaat heeft geschreven. De reden hier-voor ontgaat mij. Ten eerste omdat ik via mijn advocaat de brieven van mr Hes heus wel te zien krijg. Ten tweede omdat mijn advocaat d.d. 12 oktober 2006 (zowel telefonisch als schriftelijk) al inhoudelijk op de brief van mr Hes heeft gerea-geerd. Overigens is dit niet de eerste keer. Vaker ontvang ik brieven (en e-mails) van jou met betrekking tot zaken waarover de advocaten al onderling uitvoerig hebben gecorrespondeerd.

Ik acht dit geen gewenste gang van zaken. Juist vanwege mijn ziektebeeld geef ik er de voorkeur dat via mijn advocaat wordt gecommuniceerd. In ieder geval voor wat betreft aangelegenheden die gerelateerd zijn aan de diverse procedures die nu lopen. Mag ik hierop in het vervolg vertrouwen?

Puur voor de volledigheid zal ik hieronder nog eens kort mijn beweegredenen uiteenzetten om vooralsnog geen gevolg te geven aan een oproep van de bedrijfsarts.

Ik ben van mening dat zolang Medisch Consult zich op het standpunt stelt dat het dienstverband is geëindigd, de bedrijfsarts geen bevoegdheid toekomt om mij (op voorwaardelijke basis) te onderzoeken. Laat staan dat ik verplicht ben gevolg te geven aan een dergelijke oproep.

Het belang dat Medisch Consult stelt te hebben bij het opnieuw laten vaststellen van mijn arbeidsongeschiktheid, te weten “welke maatregelen/ acties medisch Consult in dat geval zou moeten nemen”, bevreemdt mij. Immers, Medisch Con-sult blijft erbij dat het dienstverband is geëindigd. Welke maatregelen/ acties denkt Medisch Consult vanuit dat standpunt dan te kunnen nemen? Het is vol-gens mij dan ook het één (wel in dienst) of het ander (niet in dienst).

Ver-der zet ik vraagtekens bij een oproep door de bedrijfsarts, en wel om het navolgende. Zelfs in het geval ik door de bedrijfsarts (gedeeltelijk) arbeids-geschikt mocht worden verklaard, heeft mr Hes namens Medisch Consult te ken-nen gegeven dat ik sowieso niet word toegelaten tot het verrichten van werk-zaamheden. Nogmaals, stelling blijft volgens Medisch Consult dat het dienstver-band is geëindigd. Indien achteraf mocht blijken dat het dienstverband tóch doorloopt (na 31 juli), is het niet toelaten tot het werk per definitie een omstan-dig--heid die wordt toegerekend aan de werkgever. In dat geval maak ik, ziek of niet ziek, aanspraak op loon.

De enkele omstandigheid dat er een verzekering is afgesloten, maakt het voorgaande niet anders. Dit betreft puur een aangelegenheid tussen Medisch Consult en de verzekeraar. Hier sta ik volledig buiten. Bovendien ben ik van mening dat - door het volhouden dat het dienstverband per 31 juli 2006 tot een einde is gekomen - de eventuele gevolgen van de mogelijke onjuistheid hiervan geheel voor rekening en risico zijn van Medisch Consult.

Tot slot nog een opmerking over de aankondiging de salarisbetaling per 13 okto-ber 2006 (voorwaardelijk) te zullen staken. Afgezien van het feit dat het loon per 31 juli 2006 toch al niet wordt uitbetaald, is staking “slechts” bedoeld als een druk--middel. Indien ik later alsnog gevolg geef aan een oproep om te verschijnen bij de bedrijfsarts, behoud ik mijn aanspraak op loon over de periode gedurende welke de betaling was gestaakt.

Kortom, indien en zodra Medisch Consult mij kan bevestigen dat het dienstverband niet per 31 juli 2006 is beëindigd, en ik - bij gebleken geschiktheid – word toegelaten tot het verrichten van arbeid, zal ik mij uiteraard op eerste verzoek melden bij de bedrijfsarts. ...”.

2.17 [Werknemer] heeft in eerste aanleg een aantal vorderingen ingesteld, waar-onder een loonvordering. De voorzieningenrechter heeft deze vorderingen afge-wezen. Hiertegen is [Werknemer] in hoger beroep gekomen.

3.1 In grief I voert [Werknemer] aan, dat de voorzieningenrechter van de rechtbank in het vonnis d.d. 13 december 2006 ten onrechte rekening heeft gehouden met in de verzoekschriftprocedure overgelegde stukken.

3.2 Het hof overweegt dat [Werknemer] in punt 7 van de dagvaarding in hoger be-roep zelf stelt dat tot het procesdossier in eerste aanleg behoren het voor-waar-delijk verzoekschrift in het kader van de door Medisch Consult aanhangig ge-maak-te ontbindingsprocedure ex artikel 7:685 BW, alsmede het voorwaardelijk verweerschrift in het kader van de door Medisch Consult aanhangig gemaakte ont-bindingsprocedure ex artikel 7:685 BW. Kennelijk zijn deze beide stukken in eerste aanleg in de onderhavige procedure overgelegd. Dit betekent dat grief I faalt.

4. In grief II voert [Werknemer] aan dat een vijftal stellingen door de voorzienin-gen-rechter ten onrechte onder de vaststaande feiten zijn vermeld. Het hof neemt er kennis van dat [Werknemer] deze vijf stellingen betwist. Het hof zal deze vijf stel-lingen bij de verdere beoordeling niet als vaststaand beschouwen.

5.1 Grief III betreft de vraag of [Werknemer] op 11 juli 2006, toen hij de oproep kreeg voor de aandeelhoudersvergadering van 27 juli 2006, en op 27 juli 2006, toen hij ontslagen werd, arbeidsongeschikt was en het gegeven ontslag daarom nietig is.

5.2 Omtrent deze vraag overweegt het hof het volgende. De conclusies van de bedrijfsarts en de deskundige over de arbeids(on)geschiktheid per 28 juni 2006 van [Werknemer] zijn tegengesteld. Nu de deskundige anders dan de bedrijfsarts onafhankelijk is, is te verwachten dat de rechter in de bodemzaak meer waarde zal hechten aan het oordeel van de onaf-hankelijke deskundige dan aan het oor-deel van de bedrijfsarts. Bovendien is het oordeel van de deskundige uit-ge-breid gemotiveerd. Tegenover deze motivering heeft Medisch Consult onvol-doende in-gebracht. Uit het deskundigenoordeel blijkt dat op 18 augustus 2006 informatie werd ingewonnen bij de arbodienst, zodat mag worden aangenomen dat de des-kundige het advies van de bedrijfsarts van 27 juni 2006 in haar oordeel heeft be-trokken.

5.3 Daar komt nog het volgende bij. [Werknemer] heeft on-betwist gesteld dat Me-disch Consult [Werknemer] ondanks het advies van de be-drijfsarts nooit hersteld heeft gemeld. Dit betekent dat Medisch Consult het ad-vies van de bedrijfsarts aan de werkgever om [Werknemer] per 28 juni 2006 her-steld te melden, niet heeft opgevolgd. Medisch Consult heeft niet gemotiveerd waarom zij het advies van de bedrijfsarts niet heeft opgevolgd. Kennelijk heeft Medisch Consult zelf weinig vertrouwen gehad in het oordeel en advies van haar bedrijfsarts. Nu Medisch Consult [Werknemer] niet hersteld heeft gemeld, neemt het hof aan, dat ook Me-disch Consult ervan uitging dat [Werknemer] op en na 28 juni 2006 nog steeds (ge-heel of gedeeltelijk) arbeidsongeschikt was. Het feit dat [Werknemer] zich op 18 juli 2006 op-nieuw heeft ziek gemeld, leidt niet tot een ander oordeel. Ook als juist zou zijn dat [Werknemer] tussen 27 juni 2006 en 18 juli 2006 niet heeft gemeld niet in staat te zijn de werk-zaamheden te hervatten en ook als juist zou zijn dat [Werknemer] op de aandeelhoudersvergadering van 27 juli 2006 niet bezwaar heeft ge-maakt we-gens arbeidsongeschikt-heid, leidt dat niet tot een ander oordeel. Ook het feit dat [Werknemer] pas na het ontslag om een deskundigenoordeel heeft ver-zocht zonder Medisch Consult daarover in te lichten, leidt niet tot een ander oordeel.

5.4 Uit het bovenstaande leidt het hof voorshands af, dat aannemelijk is dat [Werknemer] op 11 juli 2006 en 27 juli 2006 arbeidsongeschikt was. Dit bete-kent dat voorshands aannemelijk is dat het op 27 juli 2006 aan [Werknemer] ver-leende ontslag nietig is. [Werknemer] heeft tijdig een beroep gedaan op de nietig-heid van het ontslag. Grief III is gegrond.

6.1 Nu voorshands aannemelijk is dat het op 27 juli 2006 aan [Werknemer] ver-leende ontslag nietig is, is de loonvordering vanaf 1 oktober 2006 toewijsbaar. Via de devolutieve werking komt aan de orde het in eerste aanleg door Medisch Consult gevoerde verweer dat de verplichting salaris te betalen in ieder geval is geëindigd met ingang van 13 oktober 2006 in verband met het feit dat [Werknemer] zich niet houdt aan redelijke voorschriften tijdens arbeidsonge-schikt-heid. Het hof overweegt naar aanleiding van dit verweer het volgende.

6.2 [Werknemer] is op verzoek van Medisch Consult opgeroepen om op 13 oktober 2006 bij de bedrijfsarts te verschijnen. [Werknemer] heeft aan deze oproep geen gehoor gegeven. Deze oproep heeft Medisch Consult laten uitgaan voor het ge-val de dienstbetrekking na het ontslag doorloopt. Nu Medisch Consult, zoals [Werknemer] in zijn brief van 24 oktober 2006 zelf toegeeft, belang had bij de vast-stelling van de arbeidsongeschiktheid van [Werknemer], acht het hof de oproep om bij de bedrijfsarts te verschijnen, redelijk. [Werknemer], die zelf zich op het stand-punt stelt dat het ontslag nietig is en de dienstbetrekking doorloopt en niet heeft gesteld dat aan zijn arbeidsongeschiktheid een einde is gekomen, had aan de-ze oproep dan ook gevolg moeten geven. Het feit dat Medisch Consult had laten weten [Werknemer] na beëindiging van de arbeidsongeschiktheid niet tewerk te stel-len, maakt dat niet anders. [Werknemer] mocht aan het verschijnen bij de be-drijfs-arts niet de eis stellen dat Medisch Consult eerst het ontslag zou intrekken.

6.3 Volgens art. 7: 629 lid 6 BW mag de werkgever alleen de betaling van loon opschorten als de werknemer zich niet houdt aan door de werkgever schriftelijk gegeven redelijke voorschriften. Medisch Consult heeft niet gesteld dat zij ten aanzien van het verschijnen bij de bedrijfsarts vóór 17 oktober 2006 schriftelijke voorschriften heeft gegeven. Dit betekent dat zij niet gerech-tigd was de loonbetaling op te schorten omdat [Werknemer] op 13 oktober 2006 niet bij de bedrijfsarts kwam. Dit verweer van Medisch Consult faalt.

6.4 Nu de hoogte van het loon met emolumenten niet is betwist, zijn de vor-deringen met betrekking hiertoe toewijsbaar. Het hof zal de wettelijk verhoging matigen tot 10 %.

7.1 Grief IV betreft de afwijzing van het voorschot op immateriële schadevergoe-ding en de proceskostenveroordeling.

7.2 Het hof is het met de voorzieningenrechter van de rechtbank eens dat de vordering tot betaling van een voorschot op immateriële schade zich niet leent voor behandeling in kort geding. Deze vordering is niet toewijsbaar.

7.3 De motivering voor de afwijzing van de vordering deugdelijke loon-specifi-caties te verstrekken, is in hoger beroep niet bestreden. Deze vordering is niet toewijsbaar.

7.4 Aan de nieuwe subsidiair in hoger beroep ingestelde vordering komt het hof niet toe.

7.5 Het hof beschouwt Medisch Consult als de in overwegende mate in het ongelijk gestelde partij. Het hof zal Medisch Consult in de proceskosten in beide instanties veroordelen.

De beslissing

Het hof:

vernietigt het vonnis in kort geding van de voorzieningenrechter van de rechtbank Dordrecht van 13 december 2006

en opnieuw rechtdoende:

veroordeelt Medisch Consult om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [Werknemer] te betalen het loon ad € 9.000,- bruto per maand, inclusief emolu-men-ten, te rekenen vanaf 31 juli 2006 tot aan de datum van rechtsgeldige beëin-di-ging van de arbeidsovereenkomst, vermeerderd met de wettelijke rente met de wettelijke verhoging ex artikel 7:625 BW, die wordt gematigd tot 10 %;

veroordeelt Medisch Consult in de proceskosten in eerste aanleg, tot aan 13 de-cember 2006 aan de zijde van [Werknemer] begroot op € 1.248,87, waarvan € 332,87 aan verschotten en € 816,- aan salaris van de procureur;

veroordeelt Medisch Consult in de proceskosten in hoger beroep, tot aan deze uitspraak aan de zijde van [Werknemer] begroot op € 1.274,31, waarvan € 380,31 aan verschotten en € 894,- aan salaris van de procureur;

verklaart dit arrest tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M.E. In ’t Velt-Meijer, A.A. Schuering en M.J. van der Ven en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 februari 2007 in aanwezigheid van de griffier.