Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BA1567

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
16-02-2007
Datum publicatie
27-03-2007
Zaaknummer
C05/405
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Nakoming na einde van een arbeidsovereenkomst van een studieovereenkomst. Mag de oude werkgever aan de nieuwe werkgever informatie over de studieovereenkomst verstrekken.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 101
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Burgerlijk Wetboek Boek 7
Burgerlijk Wetboek Boek 7 611
Wet bescherming persoonsgegevens
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAR 2007/125
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 16 februari 2007

Rolnummer: 05/405

Rolnr. rechtbank: 555408.04

HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE, negende civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

[Appellant],

wonende te [woonplaats],

appellant,

hierna te noemen: [Werknemer],

procureur: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt,

tegen

KLUWER B.V.,

gevestigd te Deventer,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Kluwer,

procureur: mr. P.A.M. Perquin.

Het geding

Bij exploot van 22 februari 2005 is [Werknemer] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 13 januari 2005, door de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam, gewezen tussen partijen.

Bij memorie van grieven heeft [Werknemer] tien grieven tegen het vonnis aangevoerd.

Bij memorie van antwoord heeft Kluwer de grieven bestreden.

Ten slotte hebben partijen de processtukken gefourneerd en arrest gevraagd.

De beoordeling van het hoger beroep

1. Het hof gaat uit van de feiten zoals die door de rechtbank onder 2 van het bestreden vonnis zijn vastgesteld, nu die als zodanig in hoger beroep niet wor-den bestreden.

2. Het gaat, kort samengevat, om het volgende.

2.1 Partijen hebben een arbeidsovereenkomst gesloten ingaande 1 november 1997. [Werknemer] heeft bij e-mail van 17 september 2001 deze arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 1 oktober 2001. Met ingang van die datum is aan de ar-beidsovereenkomst een einde gekomen.

2.2 Vanaf januari 2000 is [werknemer], na overleg met Kluwer, een opleiding gaan volgen bij de Rotterdam School of Management, verder te noemen RSM. In verband daarmee hebben partijen in mei 2000 een schriftelijke zogenaamde studieovereenkomst gesloten. Daarin is onder meer vastgelegd dat van de studie ad circa € 40.500,- 50 % aan [werknemer] zal worden vergoed. Verder is daarin overeengekomen dat het restant van de studieschuld kan worden opgeëist bij beëindiging van de dienstbetrekking. Voorts is van toepassing de Regeling Studiekosten Wolters Kluwer Nederland.

2.3 Uit hoofde van die regeling en na verrekening van een door Kluwer aan [werknemer] verschuldigd bedrag, kon Kluwer bij beëindiging van het dienstverband door [Werknemer] aanspraak maken op terugbetaling door [werknemer] van een bedrag ad € 8.278,06 aan studiekosten.

2.4 Na zijn ontslag bij Kluwer is [werknemer] in dienst getreden van [werkgever] (Holding) B.V., hierna te noemen [werkgever]. [Werknemer] heeft in verband met de kosten van de studie aan de RSM bij [werkgever] een lening afgesloten voor het volle bedrag van die kosten, te weten € 40.500,-, zulks hoewel een deel van die kosten - € 24.000,- - door Kluwer was gedragen en tot 50% niet van [Werknemer] zou worden teruggevorderd.

2.5 Tussen (andere belanghebbenden bij) [werkgever] en [werknemer] zijn problemen ontstaan. Bij brief d.d. 6 november 2002 is [Werknemer] op staande voet ontslagen. In de ontslagbrief werd daarvoor als grond opgegeven, verkort weergegeven, dat [werknemer] [werkgever] met betrekking tot het aangaan van de lening van € 40.500,- en de noodzaak tot uitbetaling van het geleende bedrag niet juist had voorgelicht.

2.6 Kluwer heeft in eerste aanleg in conventie betaling gevorderd van € 8.278,06, vermeerderd met buitengerechtelijke kosten, rente en proceskosten. In reconventie in eerste aanleg heeft [werknemer] een verklaring voor recht gevorderd dat Kluwer door het verstrekken van informatie aan [werkgever] onrechtmatig heeft gehandeld. Verder heeft [werknemer] gevorderd betaling van € 50.000,- vermeerderd met rente, vergoeding van verdere schade en veroordeling in de proceskosten.

2.7 De rechtbank heeft de vorderingen in conventie toegewezen en de vorde-ringen in reconventie afgewezen. Hiertegen is [Werknemer] in hoger beroep gekomen.

3.1 De grieven 1, 2 en 3 zijn gericht tegen de overwegingen en beslissingen ten aanzien van de vorderingen in conventie. Deze drie grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling. Het hof overweegt het volgende.

3.2 Kluwer heeft bij brief aan [werknemer] van 21 september 2001, waarin ook een aantal andere onderwerpen aan de orde kwam, aanspraak gemaakt op 50 % van de studiekosten. Bij brief van 23 oktober 2001 zond Kluwer een rappel. Bij brief van 22 november 2001 schreef [Werknemer] aan Kluwer dat er geen getekende studieovereenkomst tussen Kluwer en hem bestaat omdat er geen terugbetalingsregeling is afgesproken. Bij brief van 5 november 2002 heeft Kluwer op de brief van 22 november 2001 gereageerd, de aanspraak op studiekosten gehandhaafd en een kopie van de studieovereenkomst aan [Werknemer] toegezonden.

3.3 [Werknemer] doet een beroep op rechtsverwerking, stelt dat Kluwer het vertrouwen heeft gewekt dat zij haar aanspraak op betaling niet geldend zou maken en hij acht dit beroep op betaling in strijd met de redelijkheid en billijkheid. [Werknemer] onderbouwt dit met de stelling dat er bij hem onduidelijkheid bestond omtrent de verplichting studiekosten te betalen en dat deze onzekerheid van [werknemer] bij Kluwer bekend zou zijn.

3.4 {Werknemer] heeft echter geen feiten gesteld waaruit zou blijken dat de onduidelijkheid bij [werknemer] omtrent de verplichting studiekosten te betalen aan Kluwer bekend zou zijn. Uit de brief van 22 november 2001 volgt niet dat bij [werknemer] onduidelijkheid bestond over de verplichting studiekosten terug te betalen. Integendeel, in deze brief neemt [werknemer] een zeer duidelijk standpunt in: er bestaat geen getekende studieovereenkomst tussen Kluwer en hem omdat er geen terugbetalingsregeling is afgesproken. Wel wist Kluwer, die beschikte over de studieovereenkomst, dat dit duidelijke standpunt van [werknemer] onjuist was. Ook uit de slotzin van de brief van 22 november 2001 dat, mocht Kluwer nog vragen hebben, [werknemer] via een bepaald mobiel telefoonnummer bereikbaar is, valt niet af te leiden dat er bij [Werknemer] onduidelijkheid was omtrent de verplichting studiekosten terug te betalen. Er moet dan ook van worden uitgegaan dat voor Kluwer niet kenbaar was dat er bij [werknemer] onduidelijkheid was omtrent de verplichting studiekosten terug te betalen.

3.5 [Werknemer] heeft gesteld dat hij in de maanden die volgden op de brief van 22 november 2001 verscheidene malen contact heeft gezocht met (de betrokken personeelsfunctionaris van) Kluwer. Over de inhoud van die contacten stelt hij slechts dat zij zonder succes waren en dat hem op geen enkele wijze en door geen enkele personeelsfunctionaris duidelijkheid is verschaft omtrent de studieschuld. Verder stelt hij niets over de inhoud van deze contacten. Hij stelt met name niet welke vraag hij heeft gesteld en welk antwoord hij kreeg. In ieder geval moet, bij gebreke van enige stelling van [Werknemer] daaromtrent, worden aangeno-men dat hem bij deze gelegenheden - die overigens door Kluwer zijn betwist - niet is meegedeeld dat Kluwer van invordering afzag.

3.6 Van feiten waaraan [werknemer] het vertrouwen mocht ontlenen dat Kluwer niet meer tot invordering zou overgaan, is niet gebleken. De termijn tot 5 november 2002 die Kluwer nam om de brief van 22 november 2001 te beantwoorden is weliswaar lang, maar niet zo lang dat Kluwer haar recht op invordering zou hebben verwerkt of invordering in strijd met de redelijkheid en billijkheid of naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar zou zijn. De vordering tot betaling van € 8.278,06 is toewijsbaar. Het beroep op verrekening faalt omdat, zoals hierna zal blijken, de vordering in reconventie niet toewijsbaar is.

3.7 Kluwer heeft het incassobureau Plaggemars en Co ingeschakeld. Dit incassobureau heeft brieven geschreven op 16 december 2002, 30 januari 2003, 3 april 2003 en 15 april 2003, welke brieven zijn overgelegd. Naar het oordeel van het hof voldoet het aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderde bedrag van € 662,- aan de dubbele redelijkheidstoets.

3.8 Uit het voorgaande volgt dat de grieven 1, 2 en 3 falen.

4.1 De grieven 4, 5, 6, 7, 8 en 9 zijn gericht tegen de vorderingen en beslissingen in reconventie. Deze grieven lenen zich voor een gezamenlijke behandeling.

4.2 De vordering in reconventie is gebaseerd op twee grondslagen: art. 7:611 BW en een onrechtmatige daad door schending van de Wet bescherming persoonsgegevens, verder te noemen Wbp. Het hof zal hier onder er veronderstellenderwijs van uitgaan dat Kluwer door informatie over de studieovereenkomst en een kopie van de studie-overeenkomst aan [werkgever] te verstrekken, in strijd heeft gehandeld met art. 7:611 BW en in strijd heeft gehandeld met de Wbp en aldus onrechtmatig heeft gehandeld jegens [werknemer].

4.3 [Werknemer] stelt dat hij op staande voet ontslagen is doordat Kluwer informatie over de studieovereenkomst aan [werkgever] heeft verstrekt. Hij stelt dat hij juridische kosten heeft moeten maken om het ontslag ongedaan te maken. Hij vordert als schade kosten van juridische bijstand en gederfde inkomsten.

4.4 Naar het oordeel van het hof heeft het gedrag van Kluwer bijgedragen tot het aan [werknemer] verleende ontslag, maar heeft ook een andere omstandigheid bijgedragen aan het ontslag, namelijk het feit dat [werknemer] [werkgever] onjuist heeft voorgelicht over zijn studieschuld aan Kluwer door voorafgaand aan zijn in-diensttreding bij herhaling en indringend te verzoeken € 40.500,- te betalen teneinde zijn studieschuld aan Kluwer af te lossen, terwijl die schuld maximaal € 22.500,- betrof waarvan een belangrijk deel nog niet was betaald. Deze omstandigheid blijkt uit de door [werknemer] overgelegde ontslagbrief van 6 november 2002. Deze omstandigheid kan aan [werknemer] worden toegerekend.

4.5 [Werknemer] heeft niet betwist dat hij voorafgaand aan zijn indiensttreding bij herhaling en indringend aan [werkgever] heeft verzocht € 40.500,- te betalen teneinde zijn studieschuld aan Kluwer af te lossen en dat hij daarbij [werkgever] onjuist heeft voorgelicht aangezien hij in werkelijkheid geen studieschuld aan Kluwer had van € 40.500,-.

4.6 Naar het oordeel van het hof dient de door [Werknemer] gevorderde schade voor 25 % te worden toegerekend aan het gedrag van Kluwer en voor 75 % te worden toegerekend aan de omstandigheid dat [werknemer] [werkgever] onjuist heeft voorgelicht. Deze laatste omstandigheid heeft de feitelijke ontslaggrond opgeleverd.

4.7 Naar het oordeel van het hof behoeft deze verdeling van de vergoedingsplicht correctie op grond van de billijkheid. Daarbij spelen de volgende omstandigheden een rol. [Werknemer] heeft niet betwist dat de door Kluwer aan [werkgever] - veronderstellenderwijs in strijd met haar verplichtingen - desgevraagd, dus niet eigener beweging, verstrekte informatie geheel juist was. [Werknemer] heeft door het geven van onjuiste informatie aan [werkgever] over zijn studie-schuld aan Kluwer bewerkstelligd dat hij een bedrag van ruim € 20.000,- heeft ontvangen dat hij niet aan Kluwer hoeft terug te betalen en dat hij niet ontvangen zou hebben als hij geen onjuiste informatie aan [werkgever] zou hebben verstrekt. Kluwer heeft feitelijk datgene gedaan wat zij nodig achtte om te voorkomen dat zij die onjuiste voorstelling van zaken in stand zou helpen houden. In aanmerking genomen de aard, ernst en verwijtbaarheid van de wederzijdse bijdragen eist de billijkheid een correctie in die zin dat 0 % van de schade aan Kluwer wordt toegerekend en 100 % van de schade aan [werknemer].

4.8 Hieruit volgt dat de in eerste aanleg in reconventie ingediende vordering niet toewijsbaar is. De grieven 4, 5, 6, 7, 8 en 9 falen.

5.1 In grief 10 klaagt [werknemer] dat de rechtbank geen pleidooi heeft gevraagd. Hij stelt echter niet dat hij in eerste aanleg pleidooi heeft gevraagd. Ook in hoger beroep heeft hij geen pleidooi gevraagd.

5.2 Verder klaagt hij dat de rechtbank voorbij gegaan is aan zijn bewijsaanbod. Hij stelt echter niet dat hij in eerste aanleg relevante feiten heeft gesteld die bewijs behoeven, en welke feiten dat zouden zijn. Dit betekent dat grief 10 faalt.

6. [Werknemer] heeft in hoger beroep bewijs aangeboden. Aan dit bewijsaanbod gaat het hof voorbij, aangezien [Werknemer] geen relevante feiten heeft gesteld die bewijs behoeven.

7. Aangezien de grieven falen, zal het hof het bestreden vonnis bekrachtigen. Het hof zal [werknemer] als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten in hoger beroep veroordelen.

De beslissing

Het hof:

bekrachtigt het vonnis van de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam, van 13 januari 2005;

veroordeelt [Werknemer] in de proceskosten in hoger beroep, aan de zijde van Kluwer tot aan deze uitspraak begroot op € 1.875,-, waarvan 244,- aan verschotten en € 1.631,- aan salaris van de procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.A. Schuering, M.H. van Coeverden en J.W. van Rijkom en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 16 februari 2007 in aanwezigheid van de griffier.