Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:BA0007

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
21-02-2007
Datum publicatie
08-03-2007
Zaaknummer
726-R-06
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beoordeling van geldigheid van een niet-wijzigingsbeding dat partijen onder begeleiding van een notaris zijn overeengekomen. De vrouw heeft haar stelling, dat zij "op het moment van het aangaan van het convenant in geestelijk opzicht de weg volledig kwijt was", onvoldoende onderbouwd. Van een ingrijpende wijziging nadien is niet gebleken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 21 februari 2007

Rekestnummer. : 726-R-06

Rekestnr. rechtbank : F1 RK 05-2654

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. T.G. Brown-Knip,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 23 mei 2006 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te Rotterdam van 1 maart 2006.

De man heeft op 18 juli 2006 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 23 juni 2006, 17 oktober 2006 en 22 januari 2007 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 17 november 2006 aanvullende stukken ingekomen.

Op 26 januari 2007 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, mr. C.W.F. Jansen, en de man, bijgestaan door zijn advocaat, mr. N.A. de Graaff. Partijen en hun raadslieden hebben het woord gevoerd.

Ter terechtzitting is zijdens de vrouw – met instemming van de man – de specificatie van de arbeidsongeschiktheidsuitkering van 3 januari 2007 van de vrouw overgelegd.

VASTSTAANDE FEITEN EN HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking van de rechtbank te Rotterdam, bij die beschikking is het verzoek van de vrouw tot vernietiging van de tussen partijen geldende overeenkomst met betrekking tot de alimentatie, afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de tussen partijen geldende overeenkomst met betrekking tot de alimentatie die partijen ter gelegenheid van de echtscheiding hadden gesloten.

2. De vrouw verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, uitvoerbaar bij voorraad, de overeenkomst met betrekking tot de alimentatie te vernietigen, dan wel in te trekken, alsmede de bijdrage voor het levensonderhoud ten behoeve van de vrouw vast te stellen op € 500,- per maand, dan wel een zodanig bedrag als het hof zal vermenen te behoren, en tenslotte te bepalen dat de alimentatie niet zal zijn gelimiteerd tot de periode van vijf jaar, maar voor de wettelijke periode van twaalf jaar, met de mogelijkheid om verlenging te verzoeken, dan wel een zodanige beslissing te nemen als het hof zal vermenen te behoren.

3. De man bestrijdt haar beroep en verzoekt het hof de vrouw in haar beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans het door haar ingestelde hoger beroep af te wijzen.

4. De vrouw stelt in haar beroepschrift in grief 1 dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat niet gebleken is dat sprake is van een duidelijke wanverhouding tussen de onderhoudsbijdrage waartoe de rechtbank eventueel zou hebben beslist en die welke partijen zijn overeengekomen. De rechtbank baseert dit oordeel op de omstandigheid dat partijen zouden hebben afgesproken dat de man wegens overbedeling aan de vrouw zal voldoen € 14.000,- in maandelijkse termijnen van € 200,- per maand gedurende een periode van vijf jaar. Door een fout van de notaris is echter een bruto bedrag van € 200,- per maand afgesproken in plaats van een netto bedrag van € 200,- per maand. Tevens wordt ten onrechte gesproken van alimentatie. Als deze term niet zou zijn gebezigd, maar de overeenkomst alleen gebaseerd zou zijn op de verdeling, dan zou de vrouw alsnog aanspraak kunnen maken op alimentatie. Als wordt vastgesteld dat de € 200,- alimentatie is, dan moet geconcludeerd worden dat deze ten onrechte is gekoppeld aan de verdeling en daarom niet in de buurt komt van hetgeen zou zijn overeengekomen wanneer de wettelijke maatstaven in acht waren genomen. De vrouw betoogt voorts dat, nu de alimentatie voor maar vijf jaar is overeengekomen, geconcludeerd moet worden dat de wettelijke maatstaven grof zijn miskend, de maatstaf is thans 12 jaar, met mogelijkheid van verlenging. Met betrekking tot de limitering stelt de vrouw dat het niet de verwachting was, dat zij haar werkzaamheden of inkomen zou uitbreiden of verhogen. De vrouw is inmiddels arbeidsongeschikt.

In haar tweede grief stelt de vrouw dat de rechtbank er ten onrechte van uit gaat dat de vrouw de overeenkomst tussen partijen met eigen adviseurs heeft besproken en zich hiermee akkoord heeft verklaard. Van belang is te weten of de overeenkomst tot stand is gekomen al dan niet met grove miskenning van de wettelijke maatstaven.

Op grond van een uitspraak van de Hoge Raad doet enige verwijtbaarheid omtrent de juistheid van bepaalde gegevens er niet toe bij de vraag of de alimentatie ooit is vastgesteld op basis van onjuiste of onvolledige gegevens, aldus de vrouw.

Voorts stelt de vrouw dat zij ten tijde van de totstandkoming geestelijk niet in orde was.

Ter terechtzitting heeft de vrouw in aanvulling op haar beroepschrift gesteld dat de lengte van het huwelijk van partijen een rol moet spelen bij de beoordeling van de overeenkomst. Het komt zelden voor dat partijen na een langdurig huwelijk zoals tussen partijen bestond, dergelijke afspraken maken. De vrouw is ten tijde van de totstandkoming niet geadviseerd door ter zake kundige adviseurs. De vrouw heeft afstand gedaan van de pensioenverevening en is er door de overeenkomst bekaaid van afgekomen. Er is volgens de vrouw dan ook sprake van grove miskenning van de wettelijke maatstaven.

5. De man stelt in zijn verweerschrift ten aanzien van grief 1 dat terecht is geoordeeld door de rechtbank dat niet is gebleken dat er sprake was van een duidelijke wanverhouding tussen de onderhoudsbijdrage waartoe de rechtbank eventueel had beslist en hetgeen is overeengekomen door partijen. Partneralimentatie is niet van openbare orde en partijen kunnen overeenkomen dat er een partneralimentatie van € 200,- per maand wordt betaald gedurende vijf jaar. Uit hetgeen is overeengekomen blijkt onmiskenbaar dat er afspraken zijn gemaakt over de alimentatie. Immers, de punten opgenomen in de akte hebben betrekking op alimentatie en niet op verdeling van de boedel. Door de notaris zijn geen fouten gemaakt bij het opmaken van de akte. Het betreft hier geen uitbetaling van een overbedeling van de man want de gemeenschap van goederen van partijen bestond uit een schuld van € 42.450,-, een auto en inboedel van de woning. De schuld is toegescheiden aan de man, de auto en de inboedel aan de vrouw. De waarde van auto en inboedel bedroeg € 20.000,-. Partijen hebben gekozen voor het verrekenen van de schuld met de pensioenrechten van de man. Dit heeft de vrouw ook bij de rechtbank verklaard, zo blijkt uit het proces-verbaal van de zitting, aldus de man.

De vrouw heeft zelf adviseurs gekozen om haar bij te staan en is – na overleg – de overeenkomst aangegaan.

De vrouw baseert haar verzoek op artikel 1: 401 lid 5 BW. Dit artikel is in casu niet van toepassing want ziet alleen op gevallen waarin partijen onopzettelijk of door onjuist inzicht of onjuiste gegevens van de wettelijke maatstaven zijn afgeweken. Partijen hebben bewust afspraken gemaakt en deze met deskundigen besproken. Partijen zijn daarbij ook nog een schriftelijk niet wijzigingsbeding overeengekomen. Wijziging is dan alleen nog mogelijk in geval van artikel 1: 159 lid 3 BW. Er heeft zich hier geen ingrijpende wijziging voorgedaan op grond waarvan de overeenkomst zou moeten worden gewijzigd.

Ten aanzien van grief 2 stelt de man dat wel van belang is hoe de overeenkomst tot stand is gekomen. Met name speelt een rol dat partijen zich door deskundigen hebben laten bijstaan en dat de vrouw nog advies heeft ingewonnen van twee scheidingsbemiddelaars.

De man betwist de geestelijke toestand van de vrouw ten tijde van het sluiten van de overeenkomst. Ter terechtzitting heeft de man zijn verweerschrift toegelicht en nogmaals benadrukt dat er geen sprake is van grove miskenning van de wettelijke maatstaven.

6. Het hof oordeelt als volgt. Uit de stukken en hetgeen ter terechtzitting is gesteld, volgt dat partijen bij de notaris een schriftelijke overeenkomst zijn aangegaan waarin een alimentatie afspraak is opgenomen en ook een (schriftelijk) niet-wijzigingsbeding is opgenomen in artikel 1b van de notariële akte.

Uit de wet volgt dat in het geval partijen schriftelijk zijn overeengekomen om geen wijziging te zullen vragen van de onderling overeengekomen alimentatieafspraak, wijziging van de overeenkomst alleen mogelijk is op grond van artikel 1: 159 lid 3 BW.

In dit artikel is bepaald dat ondanks een niet-wijzigingsbeding, op verzoek van een der partijen de overeenkomst door de rechter bij latere beschikking kan worden gewijzigd op grond van een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden, dat de verzoeker naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het beding mag worden gehouden. Naar het oordeel van het hof is niet gebleken dat het niet-wijzigingsbeding niet rechtsgeldig tot stand is gekomen. De stelling van de vrouw dat zij op het moment van het aangaan van het convenant in geestelijk opzicht de weg volledig kwijt was, heeft de vrouw niet (voldoende) onderbouwd. Daarbij is niet gesteld dat na de totstandkoming van de overeenkomst zich een zo ingrijpende wijziging van omstandigheden heeft voorgedaan dat de vrouw naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet langer aan het niet-wijzigingsbeding mag worden gehouden. Het hof is dan ook van oordeel dat de grieven tevergeefs zijn opgeworpen.

7. Het hof zal derhalve de bestreden beschikking bekrachtigen.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. van Nievelt, Reinking en Kamminga, bijgestaan door mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 21 februari 2007.