Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:AZ9285

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-02-2007
Datum publicatie
26-02-2007
Zaaknummer
BK-04/03425
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De Inspecteur beschikt over een nieuw feit dat het nemen van een beschikking herziening vaststelling verlies rechtvaardigt. De door belanghebbende gedante betalingen zijn niet aan te merken als vooruitbetaalde aftrekbare onderhoudskosten of andere op grond van artikel 35, lid 1, Wet IB 1964 voor aftrek in aanmerking komende kosten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2007/26.18 met annotatie van Redactie
FutD 2007-0426
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

eerste meervoudige belastingkamer

6 februari 2007

nummer BK-04/03425

UITSPRAAK

op het beroep van X te Z tegen de uitspraak van de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst P, betreffende na te noemen beschikking herziening vaststelling verlies.

1. Aanslag, verliesbeschikking, herziene verliesbeschikking en bezwaar

1.1. Aan belanghebbende is voor het jaar 1999 een aanslag in de inkomstenbelasting en de premie volksverzekeringen opgelegd van nihil. Gelijktijdig met het vaststellen van de aanslag heeft de Inspecteur bij beschikking het verlies van het jaar 1999 vast-gesteld op ƒ 479.082.

1.2. Vervolgens heeft de Inspecteur voor dat jaar een beschik-king herziening vaststelling verlies genomen waarbij het ver-lies van 1999 nader is vastgesteld op ƒ 101.476.

1.3. De tegen de beschikking herziening vaststelling verlies gerichte bezwaren van belanghebbende zijn bij de bestreden uitspraak afgewezen.

2. Loop van het geding

2.1. Belanghebbende is van de bovenvermelde uitspraak in beroep gekomen bij het Hof. In verband daarmee is door de griffier een griffierecht geheven van € 37. De Inspecteur heeft een ver-weerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 3 oktober 2006, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het ver-handelde ter zitting is door de griffier een proces-verbaal opgemaakt. De gemachtigde van belanghebbende heeft op

16 oktober 2006 aan het Hof schriftelijk bericht dat het beroep niet wordt ingetrokken.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1. Belanghebbende belegt sinds het jaar 1990 in onroerende zaken. In het jaar 1998 heeft hij samen met Y, ieder voor de onverdeelde helft, de eigendom verkregen van de onroerende zaak a-straat 1 te R (hierna: het pand) voor een bedrag van ƒ 5.250.000. Het pand is langdurig verhuurd aan derden. Belang-hebbende en Y zijn voor de exploitatie van het pand een samen-werkingsverband in de vorm van een maatschap aangegaan onder de naam “Maatschap X en Y” waarin ieder voor de helft is gerech-tigd tot het resultaat.

3.2. Y houdt samen met een andere aandeelhouder, elk voor

33 percent, aandelen in de besloten venootschap met beperkte aansprakelijkheid A BV, gevestigd te Z op het woonadres van Y. Het resterende gedeelte van 34 percent van de aandelen van A BV wordt gehouden door Stichting B waarin de pensioenen van Y en de andere aandeelhouder zijn ondergebracht. De aandelen van de werkmaatschappij zijn in handen van de andere aandeelhouder. Y en de andere aandeelhouder zijn verder nog verenigd in een maatschap waarin onroerende zaken worden geëxploiteerd.

A BV fungeert als beleggingsmaatschappij en belegt in leningen aan laatstgenoemde maatschap, in deposito’s en in effecten.

3.3. Op 30 december 1999 is bij de Belastingdienst P een over-eenkomst geregistreerd waarin is vermeld dat Y, als vertegen-woordiger van belanghebbende, voor een periode van vijftien jaren de onderhoudsverplichtingen ter zake van het pand, welke op de maatschap rusten, overdraagt aan A BV (in de overeen-komst: Beheerder) tegen een vooraf overeengekomen bedrag van ƒ 754.919. (hierna: de overeenkomst) De overeenkomst houdt – voorzover hier van belang – het volgende in:

” in aanmerking nemende:

? dat Verhuurder eigenaar is van het pand a-straat 1 te R verder te noemen “het Pand”, hetwelk door hem is verhuurd aan derden;

? dat krachtens de terzake gesloten huurovereenkomst op Verhuurder onderhoudsverplichtingen rusten;

? dat Verhuurder voor een langere periode het door hem te verrichten onderhoud wil uitbesteden, teneinde zich van de zorg en aandacht daarvoor te verlossen;

? dat Beheerder bereid is dit onderhoud en verplichtingen op zich te nemen en te aanvaarden.

verklaren het volgende te zijn overeengekomen:

Artikel 1

Verhuurder draagt voor een periode van vijftien jaar, ingaande op

30 december 1999 (verder ”de Onderhoudsperiode), aan Beheerder op en Beheerder neemt op zich gedurende deze periode te verrichten alle onderhoud dat krachtens de terzake van het Pand gesloten huurover-eenkomst door en voor rekening van Verhuurder moet worden verricht.

Artikel 2

Beheerder zal het onderhoud verrichten met het vereiste vakmanschap, naar eisen van goed en deugdelijk werk. Beheerder zal geregeld in-specties houden om zich van de staat van het Pand op de hoogte te stellen en te kunnen bepalen welke preventieve maatregelen nodig zijn om reparaties te voorkomen. Tevens zal Beheerder zorgdragen voor herstel binnen redelijke termijn van alle gebreken die haar door de (onder)huurder worden gemeld, en het nemen van eventuele noodmaatregelen wanneer dat door de omstandigheden wordt vereist.

Artikel 3

Beheerder zal voor het onderhoud derden mogen inschakelen maar blijft te allen tijde volledig aansprakelijk voor hun handelen en nalaten.

Artikel 4

Beheerder zal jaarlijks aan Verhuurder verslag uitbrengen omtrent de onderhoudswerkzaamheden die door haar zijn verricht en omtrent de algemene staat waarin het Pand verkeert. Tevens zal Beheerder aan Verhuurder melding maken van reparaties die naar het oordeel op de huurder verhaald dienen te worden.

Artikel 5

Verhuurder is Beheerder voor de overname van verplichtingen als in deze overeenkomst omschreven een eenmalige zakelijk te achten ver-goeding verschuldigd die vooralsnog is bepaald op ƒ 754.919 (…) ex-clusief omzetbelasting. Als deze vergoeding later mocht blijken niet zakelijk te zijn zal deze worden aangepast en nader worden vastge-steld op een bedrag dat kennelijk wel zakelijk is. Met deze vergoe-ding zal Verhuurder jegens Beheerder volledig zijn gekweten voor de overname van de risico’s en verplichtingen als in deze overeenkomst omschreven die verder geheel voor rekening en risico van Beheerder komen. Het verschuldigde bedrag dient uiterlijk heden per bank te worden voldaan. Indien deze betaling niet tijdig plaatsvindt wordt het verschuldigde bedrag op de datum waarop betaling had moeten plaatsvinden verrekend met het creditsaldo ten gunste van Verhuurder in de rekening-courant die tussen Verhuurder en Beheerder bestaat, indien en voorzover dit saldo daartoe toereikend is. Een eventueel restantbedrag wordt op de datum waarop betaling had moeten plaats-vinden omgezet in een geldlening, welke uiterlijk op 31 december 2014 zal dienen te zijn afgelost en welke vanaf aanvang een rente draagt van 6% op jaarbasis. Deze rente is telkens bij achterafbeta-ling per 31 december van elk jaar verschuldigd.

Artikel 6

Beheerder zal aan Verhuurder op diens eerste verzoek naar vermogen genoegzame zekerheid dienen te verschaffen voor de nakoming van de door Beheerder overgenomen verplichtingen.”

3.4. Het in 3.3 vermelde bedrag van ƒ 754.919 is met de volgen-de uitgangspunten berekend. Uitgegaan is van een waarde van het pand per 30 december 1999 van ƒ 5.760.000. Aangenomen is dat de onderhoudskosten één percent per jaar van de waarde van het pand per 30 december 1999 bedragen en dat deze kosten jaarlijks met drie percent stijgen. Voorts is met een rentefactor gere-kend van 4,7 percent. Per abuis is 1 percent genomen van ƒ 5.670.000 in plaats van ƒ 5.760.000. De factuur aan de maat-schap X en Y is met vermelding van het bedrag van ƒ 754.914 plus een bedrag aan omzetbelasting van ƒ 132.111, in totaal ƒ 887.030 door A BV in februari/maart 2000 opgesteld. Aan be-langhebbende is hiervan ƒ 377.460 toegerekend.

3.5. Het pand is op 15 februari 2001 voor een bedrag van ƒ 5.700.000 verkocht. De boekwaarde van het pand per 1 januari 2001 bedroeg ƒ 739.820.

3.6. In de aangifte voor de inkomstenbelasting en de premiehef-fing volksverzekeringen over het jaar 1999 van 22 februari 2001 heeft belanghebbende het in 3.4 vermelde bedrag van ƒ 377.460 in aanmerking genomen bij de aftrekpost “Onderhoud en andere kosten en lasten” met de vermelding “Afkoop onderhoudskosten a-straat”. Voorts waren er vermeld: ƒ 249.658 aan rentekosten en het totaal van ƒ 481.664 aan onderhoudskosten (inclusief af-koop), in totaal ƒ 731.322. De waarde van de onroerende zaken die in de aangifte zijn vermeld, bedroeg ongeveer ƒ 9.000.000. Door Y is in zijn aangifte over dat jaar een waarde van onroe-rende zaken aangegeven van ƒ 13.000.000 en aan aftrekpost ter zake van vooruitbetaling van onderhoudslasten werd een bedrag in aanmerking genomen van ƒ 2.537.042. Naar aanleiding van de aangifte van Y zijn bij deze door de Inspecteur vragen gesteld.

3.7. Op 18 februari 2003 heeft de Inspecteur bij belanghebbende een boekenonderzoek ingesteld waarbij de aanvaardbaarheid van de aangiften in de inkomstenbelasting over de jaren 1999 en 2000 is onderzocht. In het raport dat van dit onderzoek is opgemaakt op 2 juli 2003, is vermeld dat de Inspecteur tot de conclusie is gekomen dat de betaling niet is aan te merken als een vooruitbetaling van kosten van onderhoud maar als een de-potstorting waaruit onderhoudskosten kunnen worden voldaan en dat onder meer een navorderingsaanslag over 1999 zal worden opgelegd waarbij het verlies over het jaar 1999 gecorrigeerd zal met ƒ 377.460 minder onderhoudskosten en ƒ 146 aan minder rente en het belastbaar inkomen vastgesteld wordt op negatief ƒ 101.476.

3.8. Bij brief van 21 augustus 2003 heeft de Inspecteur bericht dat aan belanghebbende een navorderingsaanslag is opgelegd conform hetgeen is vermeld in het rapport en “omdat het inkomen over het belastingjaar 1999 negatief blijft u deze beschikking ontvangt”. Belanghebbende heeft voorts tegen deze brief beroep ingesteld bij het Hof. Het beroepschrift is verzonden op

2 oktober 2003. Per abuis is dit beroepschrift niet als be-zwaarschrift aangemerkt en is het niet doorgezonden aan de Inspecteur.

3.9. In het jaar 2004 is een aanvullende overeenkomst opgesteld tussen de maatschap X en Y en A BV waarbij laatstgenoemde de onderhoudsverplichting ‘terugoverdraagt’ aan de maatschap tegen betaling van ƒ 743.950 (€ 337.590) te voldoen door middel van verrekening met de vorderingen die de BV op de maatschap heeft en met schuldigerkenning door de BV van een eventueel restant.

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1. In geschil is het antwoord op de vraag of de Inspecteur over een nieuw feit beschikt dat het nemen van een beschikking herziening vaststelling verlies rechtvaardigt, welke vraag belanghebbende ontkennend en de Inspecteur bevestigend beant-woordt. Indien deze vraag ontkennend dient te worden beant-woord, is in geschil of belanghebbende ter zake van dit feit te kwader trouw is, welke vraag belanghebbende eveneens ontkennend en de Inspecteur bevestigend beantwoordt. In het geval een van de beide voorgaande vragen bevestigend dient te worden beant-woord, is in geschil of ter zake van de door belanghebbende gedane betalingen sprake is van vooruitbetaalde onderhoudskos-ten die in mindering op het inkomen over het jaar 1999 strekken als aftrekbare kosten in de zin van artikel 35 van de Wet op de inkomstenbelasting 1964 (hierna: de Wet). Laatstbedoelde vraag wordt door belanghebbende bevestigend en door de Inspecteur ontkennend beantwoord.

4.2. Belanghebbende voert ter ondersteuning van zijn standpunt – zakelijk weergegeven – het volgende aan:

De brief van de Inspecteur van 21 augustus 2003 is niet aan te merken als een beschikking in de zin van artikel 51a, lid 3, van de Wet.

De beschikking vaststelling verlies is ten onrechte herzien. Er is geen nieuw feit. De Inspecteur heeft een ambtelijk verzuim begaan. De afkoop van de onderhoudskosten is door belanghebben-de duidelijk in de toelichting bij de aangifte vermeld. De post is substantieel. Verder mag van de Inspecteur, gelet op de destijds per 1 januari 2000 ingevoerde nieuwe wetgeving ter zake, worden verlangd dat de aangiften over het jaar 1999 extra zorgvuldig op dit soort posten worden bekeken.

Belanghebbende is niet te kwader trouw. Hij heeft de Inspecteur niet opzettelijk een juiste inlichting onthouden dan wel opzet-telijk een onjuiste inlichting verstrekt. Het standpunt van belanghebbende is in beginsel pleitbaar.

Belanghebbende is de overeenkomst bewust aangegaan. Hij was volledig op de hoogte van de gang van zaken. Zekerheid verlan-gen was niet nodig.

Er is geen sprake van een schijnhandeling. Er is niet onver-schuldigd betaald: de koopsom is zakelijk bepaald en gedeelte-lijk schuldig gebleven. De verwerking van de rente geschiedt in rekening-courant met de maatschap. Gedurende de onderhouds-periode zal het gehele onderhoud worden uitgevoerd.

Het bedrag van de vooruitbetaling van de onderhoudskosten is als volgt berekend. Ingeval de looptijd van de overeenkomst zich uitstrekt tot een langere periode, kan de afkoopsom worden uitgedrukt in een percentage van de waarde van het pand. Het percentage van 1 is gebaseerd op ervaringscijfers. De overige parameters 3% en 4,47% zijn ook juist en eveneens gebaseerd op ervaringscijfers.

Jaarlijks worden de gemiddelde kosten dan wel een vast bedrag afgeboekt van de voorziening onderhoud. De voorziening wordt jaarlijks opgerent.

Het overgedragen onderhoud is het onderhoud dat de eigenaar moet verrichten. Tussen partijen bestaat geen onduidelijkheid welk onderhoud is bedoeld.

Het afsluiten van onderhoudscontracten is gebruikelijk. Ook al is het contract niet gebruikelijk dan nog is dat niet in strijd met de wet. Zie daarvoor HR 7 oktober 1998, nr. 33.514,

BNB 1998/416.

De reden voor het aangaan van de overeenkomst is dat Y het onderhoud niet langer wenste te dragen.

Het aangaan van de overeenkomst is niet uitsluitend ingegeven door fiscale beweegredenen.

De omvang van de betaling is niet onbepaald.

Het onderhoud en de te maken kosten zijn voldoende bepaald.

Belanghebbende heeft niet een depot gestort met geleend geld.

Belanghebbende is in feite een derde ten opzichte van A BV. Daaruit volgt dat wel zakelijk moet zijn gehandeld.

4.3. De Inspecteur houdt de juistheid van de herziening van het verlies staande.

De Inspecteur heeft te kennen gegeven dat hij aanneemt dat de datum van verzending van het bezwaarschrift tegen de beschik-king herziening vaststelling verlies, zo van een dergelijke beschikking sprake is, door belanghebbende op 2 oktober 2003 is geschied.

4.4. Voor een verdere uiteenzetting van de gronden waarop par-tijen hun standpunten doen steunen verwijst het Hof naar de gedingstukken.

5. Conclusies van partijen

5.1. Belanghebbende heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak op bezwaar en de beschikking herziening vaststelling verlies.

5.2. De Inspecteur heeft geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep.

6. Overwegingen omtrent het geschil

6.1. Het Hof gaat er – met partijen - van uit dat belanghebben-de binnen de termijn van zes weken op 2 oktober 2003 een be-roepschrift ter post heeft bezorgd en dat het Hof met inachtne-ming van het bepaalde in artikel 6:15, lid 1, van de Algemene wet bestuursrecht heeft verzuimd het beroepschrift als bezwaar-schrift aan te merken en door te sturen aan de Inspecteur. Een en ander heeft tot gevolg dat belanghebbende tijdig is in be-zwaar. Het nadien aan de Inspecteur gezonden geschrift van

27 november 2003 heeft dan te gelden als de nadere motivering van het bezwaar.

6.2. De brief van 21 augustus 2003 aan belanghebbende bevat de schriftelijke beslissing van de Inspecteur, gericht op het rechtsgevolg het verlies over het jaar 1999 te herzien naar een belastbaar inkomen van negatief ƒ 101.476. De omstandigheid dat daarbij niet is vermeld dat de beschikking voor bezwaar vatbaar is en bij wie het rechtsmiddel van bezwaar kan worden ingediend doet er niet aan af dat sprake is van een beschikking als be-doeld in artikel 1:3 van de Algemene wet bestuursrecht, zijnde een besluit van een bestuursorgaan gericht tot degene die rechtstreeks in zijn belang wordt getroffen en gericht op enig publiekrechtelijk rechtsgevolg. Uit de tekst van de brief volgt verder duidelijk dat is bedoeld het eerder over het jaar 1999 vastgestelde verlies te herzien. Het Hof ziet voor de opvatting van belanghebbende dat de brief niet is aan te merken als een voor bezwaar vatbare beschikking als bedoeld in artikel 51a, lid 3, van de Wet geen grond. Hieraan doet niet af dat in de brief niet is vermeld dat de beschikking een “voor bezwaar vatbare beschikking” is en dat daarin geen rechtsmiddelverwij-zing is opgenomen.

6.3. Belanghebbende heeft aangevoerd dat de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag onderscheidenlijk het nemen van de beschikking vaststelling verlies een onderzoek had dienen in te stellen naar de afkoop van de onderhoudsverplichting en eventu-eel het in aftrek gebrachte bedrag ter zake van de afkoop had moeten corrigeren. Hij heeft derhalve een ambtelijk verzuim begaan waardoor herziening niet mogelijk is. Het Hof acht te dezen evenwel geen sprake van een ambtelijk verzuim. Het door belanghebbende aangegeven bedrag aan afkoop onderhoudskosten van ƒ 377.460, bezien in verhouding tot de door hem aangegeven waarde van diens onroerende zaken van ƒ 9.000.000, is niet van een zo grote omvang dat de Inspecteur een nader onderzoek had moeten instellen naar deze post. De aangifte zag er verder verzorgd uit. Het Hof hecht geloof aan de uiteenzetting van de Inspecteur over de werkwijze bij de eenheid registratie en successie met betrekking tot het registreren van overeenkomsten en dat de werkwijze inhoudt dat in de regel geen kopieën worden gemaakt van de overeenkosmten die ter registratie worden aange-boden. Niet aannemelijk is geworden dat de Inspecteur in het onderhavige geval ten tijde van het beoordelen van de aangifte beschikte over de door belanghebbende gesloten overeenkomst. Ook brengt, naar het oordeel van het Hof, het opnemen van het achtste lid in artikel 38 van de Wet niet mee dat de Inspecteur in dit geval een onderzoek had dienen in te stellen naar de in de aangifte opgenomen afkoop onderhoudskosten. Een ambtelijk verzuim heeft de Inspecteur bij het vaststellen van de aanslag en het nemen van de beschikking vaststelling verlies niet be-gaan.

6.4. Belanghebbende heeft in het kader van de door hem gehouden beleggingen in onroerende zaken duidelijk en zonder voorbehoud in de aangifte het bedrag van ƒ 377.460 in aftrek gebracht met de vermelding afkoop onderhoudskosten en het adres van het betreffende pand onder het kopje “onderhoud en andere kosten en lasten van de onroerende zaken”. Niet kan worden gezegd dat belanghebbende in dit geval bij de aangifte opzettelijk enige onjuiste inlichting heeft verstrekt of de Inspecteur heeft onthouden. Belanghebbende was niet gehouden ter zake een nadere toelichting te verstrekken of de overeenkomst met betrekking tot de afkoop van het onderhoud bij de aangifte mee te zenden. De Inspecteur heeft niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende de kwade bedoeling had feiten betreffende de afkoop van het onderhoud aan de Inspecteur te onthouden dan wel deze met opzet voor hem te versluieren of hem onjuist te informeren. Belang-hebbende was bij het doen van aangifte niet te kwader trouw. De omstandigheid dat het pand ten tijde van het doen van de aan-gifte reeds was verkocht doet daar niet aan af.

6.5. Het Hof heeft in de gedingstukken onvoldoende aanwijzingen gevonden waaruit kan worden afgeleid dat de overeenkomst niet op 30 december 1999 is totstandgekomen maar in het jaar 2000. Evenmin kan daaruit worden afgeleid dat, gelet op de omstandig-heid dat Y als (direct) vertegenwoordiger van belanghebbende optrad bij het sluiten van de overeenkomst, hij hierdoor niet vanaf die datum zou zijn gebonden. Daarnaast heeft het Hof geen aanleiding te twijfelen aan de verklaring dat belanghebbende overleg heeft gehad met een medewerker van advieskantoor C over het sluiten van de overeenkomst alvorens deze tot stand kwam. Het Hof gaat ervan uit dat de overeenkomst in 1999 tot stand is gekomen en niet, zoals de Inspecteur voorts nog stelt, ten tijde van het indienen van de aangifte in 2001.

6.6. Het Hof verwerpt voorts de stelling van de Inspecteur dat partijen bij de overeenkomst niet zouden hebben beoogd de ver-plichtingen, die zij als eigenaren van het pand hebben voor het toekomstig onderhoud, over te dragen aan A BV tegen betaling van een geldsom. De geldsom is - belanghebbende heeft dit vol-doende aannemelijk gemaakt - schuldig geworden aan

A BV en het bedrag is in rekening-courant geboekt met de maat-schap X en Y. A BV heeft in beginsel over 1999 een rentedragen-de vordering op belanghebbende gekregen voor het saldo per 31 december 1999 van deze rekening-courant. Niet aannemelijk is dat de overeenkomst van geldlening, waarover in bijlage 16 bij het verweer wordt gesproken, betrekking heeft op de maatschap Y/belanghebbende.

6.7. De omstandigheid dat het pand begin 2001 is verkocht, wettigt niet een ander oordeel dan die in 6.4 tot en met 6.6 hiervoren zijn gegeven. Er zijn geen feiten en/of omstandighe-den gesteld die de conclusie rechtvaardigen dat belanghebbende of Y ten tijde van het sluiten van de overeenkomst van plan was het pand te verkopen en dat daarna A BV de verplichting ter zake van het onderhoud (in 2004) terug over zou dragen. De door de Inspecteur geconstateerde verschillen tussen de berekening van de restitutie en de berekening van de afkoopsom doen dan niet ter zake.

6.8. Evenmin leidt de omstandigheid dat het onderhoud voor de lange periode van vijftien jaar is overgedragen tot een ander oordeel. Hetzelfde geldt wanneer daarbij in aanmerking wordt genomen dat A BV geen aannemersbedrijf uitoefent en geen perso-neel in dienst heeft dat het onderhoud kan verrichten. De In-specteur heeft niet aannemelijk gemaakt dat belanghebbende louter een fiscale aftrekpost heeft beoogd te creëren.

6.9. Het Hof acht niet aannemelijk dat belanghebbende op ieder door hem gewenst moment over de aan een derde, A BV, via verre-kening in rekening-courant, betaalde bedragen weer zou kunnen beschikken en de beschikkingsmacht over de gelden niet defini-tief zou hebben verloren. Van een depotstorting is derhalve geen sprake. Van een koopsom voor een periodieke verstrekking, zoals de Inspecteur stelt, is evenmin sprake. De verplichting tot het verrichten van onderhoud is overgedragen en het is niet aan belanghebbende dat A BV verplicht is het onderhoud te ver-strekken. Belanghebbende is immers geen partij meer bij het te verstrekken onderhoud.

6.10. Ten tijde van het sluiten van de overeenkomst waarbij de onderhoudsverplichtingen zijn overgedragen, is geen onderzoek gedaan naar de vraag welk onderhoud het pand in de toekomst nodig zal hebben. De aard van de te maken onderhoudskosten is derhalve ten tijde van het sluiten van de nadere overeenkomst onzeker, er bestaat geen inzicht in welke werkzaamheden zouden moeten worden uitgevoerd en welke materialen dan zouden worden gebruikt. Derhalve staat evenmin vast dat in de toekomst sprake zal zijn van onderhoud waarvan de kosten in aftrek komen. Even-zeer kan sprake zijn van bijvoorbeeld renovatie.

6.11. Ook voor wat betreft de omvang van het onderhoudsrisico dat voor rekening van belanghebbende komt en dat hij ingevolge de nadere overeenkomst heeft overgedragen, zijn onvoldoende concrete gegevens overgelegd om hierover een oordeel te kunnen geven. De omvang van dit risico is derhalve onzeker.

6.12. Belanghebbende heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat het pand elk jaar het door hem gestelde bedrag aan onderhoud behoeft en evenmin dat ten tijde van het aangaan van de over-eenkomst ervan kon worden uitgegaan dat het totaal van het door middel van een genormeerd percentage berekende bedrag voor onderhoud gedurende de looptijd van de overeenkomst ook feite-lijk daaraan zou worden besteed. Hierbij heeft het Hof mede in aanmerking genomen dat de door belanghebbende gestelde percen-tages niet zijn onderbouwd, bijvoorbeeld met concrete erva-ringsgegevens.

6.13. Ten tijde van de betaling van de afkoopsom voor onder-houdskosten in 1999 is, gelet op het hiervoren in 6.10 tot en met 6.12 overwogene, de omvang van de in de loop van de jaren te maken onderhoudskosten van het pand en het tijdstip waarop deze kosten, zo al sprake is van kosten, moeten worden gemaakt zo zeer onzeker dat de contante waarde van deze kosten niet kan worden bepaald. De afkoopsom is derhalve bepaald op een onvol-doende onderbouwde schatting van de in de toekomst te maken kosten.

6.14. Het Hof komt op grond van het vorenstaande tot de conclu-sie dat geen, althans onvoldoende, feiten en omstandigheden aannemelijk zijn gemaakt, waaruit volgt dat de betaling van ƒ 377.460 is aan te merken als een betaling van onderhoudskos-ten dan wel voor andere, op grond van artikel 35, lid 1, van de Wet, voor aftrek in aanmerking komende kosten.

6.15. Op grond van al het vorenoverwogene is het beroep onge-grond.

7. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. Beslissing

Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. Savelbergh,

Van Walderveen en Engel. De beslissing is op 6 februari 2007 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de griffier.

(Postema) (Savelbergh)

Aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instel-len bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.