Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:AZ8948

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-02-2007
Datum publicatie
20-02-2007
Zaaknummer
2200593106
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontvankelijkheid van de verdachte in hoger beroep: verstek verleend in eerste aanleg en in hoger beroep. Het hoger beroep moet worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is. Nu de akte uitreiking van de mededeling uitspraak aan het dossier ontbreekt, kan naar ’s hofs oordeel niet genoegzaam worden vastgesteld of en op welk tijdstip de verdachte met het verstekvonnis bekend is geworden. Een uitdraai van zaaksgegevens uit Compas acht het hof daartoe onvoldoende. Naar het oordeel van het hof dient de verdachte dan ook ontvankelijk te worden verklaard in het hoger beroep.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

rolnummer 22-005931-06

parketnummers 09-072100-04 en 09-072797-04

datum uitspraak 7 februari 2007

VERSTEK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

enkelvoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de politierechter in de rechtbank te ’s-Gravenhage van

14 mei 2004 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1946,

adres: [adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep van dit hof van 7 februari 2007.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaardingen, waarvan kopieën in dit arrest zijn gevoegd. Het hof heeft de feiten die in deze dagvaardingen zijn opgenomen van een doorlopende nummering voorzien.

Het zal die nummering in dit arrest aanhouden.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken, ter zake van het onder 3 tenlastegelegde tot een geldboete van € 100,-, subsidiair twee dagen hechtenis, en ter zake van het onder 4 tenlastegelegde tot een geldboete van € 360,-, subsidiair zeven dagen hechtenis, alsmede tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vier maanden.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Ontvankelijkheid van het hoger beroep

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de advocaat-generaal primair geconcludeerd tot niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte in het hoger beroep.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt. De inleidende dagvaardingen om ter terechtzitting in eerste aanleg van 14 mei 2004 te verschijnen zijn aan de verdachte betekend overeenkomstig het bepaalde in artikel 588, derde lid, sub c, van het Wetboek van Strafvordering, derhalve niet aan de verdachte in persoon. De verdachte is door de politierechter in de rechtbank te ’s-Gravenhage van 14 mei 2004 bij verstek veroordeeld. Ingevolge artikel 408, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering moet het hoger beroep worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de einduitspraak de verdachte bekend is. Nu de akte uitreiking van de mededeling uitspraak aan het dossier ontbreekt, kan naar ’s hofs oordeel niet genoegzaam worden vastgesteld of en op welk tijdstip de verdachte met het verstekvonnis bekend is geworden. Een uitdraai van zaaksgegevens uit Compas acht het hof daartoe onvoldoende.

Naar het oordeel van het hof dient de verdachte dan ook ontvankelijk te worden verklaard in het hoger beroep.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat daarvan slechts aantekening is gedaan ingevolge artikel 378a van het Wetboek van Strafvordering.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

1:

Overtreding van artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994;

2:

Overtreding van artikel 9, zevende lid, van de Wegenverkeerswet 1994;

3:

Overtreding van artikel 18 van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990;

4:

Overtreding van artikel 8, tweede lid, aanhef en onder a, van de Wegenverkeerswet 1994.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft subsidiair geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot veroordeling van de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van vier weken, ter zake van het onder 3 tenlastegelegde tot een geldboete van € 100,-, subsidiair twee dagen hechtenis, en ter zake van het onder 4 tenlastegelegde tot een geldboete van € 360,-, subsidiair zeven dagen hechtenis, alsmede tot een ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van vier maanden.

Het hof heeft de op te leggen straffen en bijkomende straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij is in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen. De verdachte heeft als bestuurder van een personenauto een verkeersongeval veroorzaakt door bij het afslaan een personenauto welke zich op dezelfde weg naast hem althans dicht achter hem bevond niet voor te laten gaan. Vervolgens heeft hij de plaats van het ongeval verlaten terwijl bij dat ongeval, naar hij redelijkerwijs moest vermoeden, schade aan die personenauto was toegebracht. De verdachte heeft deze feiten gepleegd, wetende dat zijn rijbewijs was ingevorderd.

Voorts heeft de verdachte onder invloed van alcohol een auto bestuurd. Niet alleen heeft de verdachte door zijn handelwijze bij herhaling de verkeersveiligheid ernstig in gevaar gebracht, hij heeft eveneens de werking van besluiten als de onderhavige, gegeven door een daartoe bevoegd gezag in het belang van de verkeersveiligheid, gefrustreerd.

Het hof is van oordeel dat ten aanzien van de onder 1 en 2 bewezenverklaarde feiten alleen een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur een passende reactie vormt.

Bij de vaststelling van de geldboete ten aanzien van de onder 3 en 4 bewezenverklaarde feiten is – voor zover mogelijk – rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.

Met betrekking tot de ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde feit overweegt het hof dat het belang van de verkeersveiligheid dat met deze ontzegging is gediend, zwaarder dient te wegen dan het belang van de verdachte bij behoud van zijn rijbevoegdheid.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 23 (oud), 24, 24c, 57, 62 en 63 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 7, 8 (oud), 9, 176 (oud), 177 (oud) en 179 van de Wegenverkeerswet 1994 en de artikelen 18 en 92 (oud) van het Reglement verkeersregels en verkeerstekens 1990.

BESLISSING (bij verstek)

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen ter zake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar ter zake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte ter zake van het onder 1 en 2 bewezenverklaarde tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) weken.

Veroordeelt de verdachte ter zake van het onder 3 bewezenverklaarde tot het betalen van een geldboete van € 100,- (honderd Euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 2 (twee) dagen.

Veroordeelt de verdachte ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde tot het betalen van een geldboete van € 360,- (driehonderdzestig Euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door hechtenis voor de duur van 7 (zeven) dagen.

Ontzegt de verdachte ter zake van het onder 4 bewezenverklaarde de bevoegheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van 4 (vier) maanden.

Dit arrest is gewezen door mr. J. Silvis, in bijzijn van de griffier mr. G. Schmidt-Fries.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 7 februari 2007.