Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:AZ8897

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-01-2007
Datum publicatie
20-02-2007
Zaaknummer
C06/1209 KG
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep kort geding
Inhoudsindicatie

Pensioenafdracht. Hebben partijen overeenstemming over beeindiging arbeidsovereenkomst.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 26 januari 2007

Rolnummer: 06/1209 KG

Zaaknummer rechtbank: 729270 VV EXPL 06-246

HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE, negende civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

[WERKNEMER],

wonende te [X],

appellant,

hierna te noemen: [werknemer],

procureur: mr. W. Heemskerk,

tegen

INTROP HOLDING B.V.,

gevestigd te Rotterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Introp,

procureur: mr. E.J. van der Wilk.

Het geding

Bij dagvaarding (met productie) van 13 september 2006 is [werknemer] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 16 augustus 2006 door de kantonrechter te Rotterdam in kort geding gewezen tussen partijen. Daarbij heeft [werknemer] drie grieven tegen dat vonnis aangevoerd. [werknemer] heeft voor eis geconcludeerd overeenkomstig de dagvaarding. Introp heeft bij memorie van antwoord de grieven bestreden. De zaak is door het hof als spoedappel behandeld.

Partijen hebben de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Tegen de vaststaande feiten zoals deze door de kantonrechter in het bestreden vonnis zijn weergegeven is in hoger beroep niet opgekomen, zodat het hof ook zal uitgaan van die feiten.

2. Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.1. [werknemer] is op 1 december 1997 bij Introp in dienst getreden in de functie van managing director Leisure. Het salaris van [werknemer] bedraagt thans € 10.460,23 bruto per maand, exclusief 8% vakantiebijslag en emolumenten.

2.2. Daarvoor was [werknemer] in dienst van Center Parcs waar hij zich laatstelijk bezig had gehouden met de ontwikkeling van een groot recreatiepark ten zuiden van Berlijn, het Köselitz project. [werknemer] heeft er voor gezorgd dat Introp dat project heeft kunnen kopen. Ook bij Introp heeft [werknemer] zich met dat project bezig gehouden.

2.3. In een e-mail van 23 januari 2006 van [werknemer] aan Frank Blom, directeur van Introp, staat onder meer het volgende:

“…Vanaf 1 januari 2003 zijn er door de werkgever geen pensioenafdrachten gedaan……

Hopelijk heb je er begrip voor dat ik toch nog deze week schriftelijk met je vast wil leggen dat voormelde achterstand hoe dan ook zal worden ingehaald.”

2.4. Een e-mail van Frank Blom aan [werknemer] van 27 januari 2006 houdt onder meer het volgende in:

“..Zoals door jouw gevraagd, heeft janny jouw eigenbijdragedeel van het collectieve-pensioen aan je uitbetaald miv januari 2006. Tevens heb ik met je besproken dat de door introp ingehouden premie (eigenbijdragedeel) van de afgelopen drie jaar aan je zal worden terugbetaald (zodra daar financiëele ruimte voor is) je weet als geen ander hoe we er financieel voor staan, belabberd is naar mijn idee een understatement.”

2.5. Op 17 maart 2006 hebben partijen een gesprek gehad. In een (bijlage van) een e-mail van 22 maart 2006 aan Blom reageert [werknemer] op dat gesprek onder meer als volgt:

“….Je vroeg of ik in april a.s./ uiterlijk mei 2006 uit dienst zou willen treden. Ik heb je gezegd dat mij dat mogelijk lijkt en daar doe ik alles aan………

Je stelde voor de wel betaalde jaren (1 mnd in 1997 en geheel 1998/1999) via Ridderpoort/Martin Kooij premievrij te maken en via Ridderpoort te bestemmen voor een privé-voorziening voor mij.

Je zou daarnaast bij (hof:mij) ingehouden gedeelten (5 x EUR 7.000,-) voor mijn vertrek aan mij uitbetalen..en de 5x EUR 30.000,- kun je niet betalen. Of ik daar afstand van wil doen; uiteraard krijg ik die alsnog betaald op het moment dat je Köselitz verkoopt.

Frank, dit kan niet zo.

Allereerst moet ik doorwerken tot mijn 70 ste om mijn pensioen-achterstand in te lopen…..

Inmiddels lijkt de kwestie wéér anders in elkaar te zitten: er is slechts 1 mnd. in 1997 en geheel 1998 en 1999 aan de pensioenverplichtingen voor mij voldaan. Ten aanzien van de jaren 2000 t/m 2005 (ZES JAAR) geldt dat NN 2 jaar heeft teruggedraaid, zodat er boekhoudkundig “ maar” 4 jaar spelen.

In mijn optiek spelen er dus 6 jaar en dat is voor mij een nachtmerrie.

Nogmaals, ik wil aan van alles meewerken, zelfs z.s.m. trachten elders onder de pannen te komen, aan elke oplossing meedenken (in het bijzijn van specialisten, want dat ben ik niet), maar AFSTAND DOEN VAN 6 PENSIOENJAREN ( waaraan ik zelf 6 x 7.000= EUR 42.000,- meebetaald heb)… om vervolgens nog eens de fiscus op bezoek te krijgen die tienduizenden euro’s van mij terugvorderen…. dat wordt MIJN faillissement. Dat kan ook niet jouw bedoeling zijn….”

2.6. Bij brief van 3 april 2006 heeft Introp aan [werknemer] onder meer geschreven:

“ Hiermee bevestig ik schriftelijk dat wij het volgende zijn overeengekomen.

Uw dienstbetrekking wordt met wederzijds goedvinden per 1 mei 2006 beëindigd.

Ter zake van de afwikkeling van alle pensioenverplichtingen (daaronder tevens begrepen enige verplichting van enige andere vennootschap behorende tot de Salomon Investment groep) jegens u zal bij Nationale Nederlanden een koopsompolis worden gesloten waarbij de koopsom gelijk zal zijn aan het bedrag van de in 1997, 1998 en 1999 aan dezelfde maatschappij door Tropicana B.V. in het kader van haar collectieve pensioenregeling ten behoeve van u betaalde premies. …….

Gaarne verzoek ik u ter bevestiging deze brief voor akkoord te ondertekenen en aan ondergetekende te retourneren.”

2.7. Eveneens bij brief van 3 april 2006 heeft Introp aan [werknemer] het volgende geschreven.

“ Namens Introp Holding B.V. bevestig ik dat u bij een succesvolle afronding van het Koselitz project recht hebt op een bemiddelingscommissie ter grootte van maximaal € 250.000. zegge ( Tweehonderdvijftigduizendeuro). ………”

2.8. Een ongedateerd schrijven van [werknemer] aan Blom houdt onder meer het volgende in:

“ Naar aanleiding van de beide brieven het volgende:

Akkoord met uitzondering van enkele zaken.

…..Brief inzake beëindiging:

“per 1 juli 2006” in plaats van “ per 1 mei 2006”.

…..

“pensioen”

? betekent “1997, 1998 en 1999” dat je aanbiedt om 25 maanden pensioen in plaats van de achterstallige 72 mnd te voldoen? Dat lijkt me sowieso niet echt correct, want er is bij mij al 6 x EUR 7.000,- ingehouden, dus dan komt 25 mnd maar neer op max. 1,5 jaar i.p.v. 6 jaar.

? betekent “ten behoeve van u betaalde premies” de werkgeverspremies plus de reeds ingehouden werknemersgedeelten?”

2.9. Op 18 april 2006 heeft [werknemer] zich ziek gemeld.

2.10. Bij brief van 11 mei 2006 heeft de gemachtigde van [werknemer] aan de gemachtigde van Introp geschreven dat betwist wordt dat er overeenstemming bestond terzake de beëindiging van het dienstverband en heeft [werknemer] zich bereid verklaard om zijn gebruikelijke werkzaamheden te verrichten.

2.11. [werknemer] vordert in deze procedure kort gezegd: veroordeling van Introp tot doorbetaling van zijn salaris, vermeerderd met de wettelijke verhoging en om [werknemer] in staat te stellen zijn werkzaamheden bij Introp te verrichten.

2.12. De kantonrechter heeft de vorderingen afgewezen omdat hij de afloop van een bodemprocedure te ongewis achtte om daar op vooruit te lopen.

3. De grieven hebben ten doel het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen. Zij lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.1. Nu vaststaat dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst is gesloten en dat [werknemer] zich bereid heeft verklaard de overeengekomen werkzaamheden te verrichten, is Introp verplicht loon te betalen, tenzij voldoende aannemelijk wordt dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de beëindiging van het dienstverband.

3.2. Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen wordt voldoende aannemelijk dat [werknemer] in beginsel bereid was het dienstverband met Introp te beëindigen en dat partijen daar ook over hebben gesproken.

3.3. Uit de hiervoor geciteerde e-mail wisseling blijkt ook, dat Introp gedurende een aantal jaren de bij [werknemer] ingehouden pensioenpremie niet heeft afgedragen en dat ook heeft erkend. Voorts blijkt daar uit dat Introp slechts bereid was de over 2006 ingehouden premie terug te betalen aan [werknemer]. Zij was niet in staat de premie over de daaraan voorafgaande jaren terug te betalen. Van enige bereidheid tot reparatie van het pensioentekort blijkt daaruit niet. Voorts blijkt dat [werknemer] zwaar aan die kwestie tilde.

3.4. Het hof is van oordeel dat uit het sub 2.8 genoemde antwoord van [werknemer] op de brieven van 3 april 2006 blijkt, dat [werknemer] niet onvoorwaardelijk met het voorstel akkoord ging. Hij was het niet eens met de datum van beëindiging en uit de door hem gestelde vragen blijkt dat het hem niet duidelijk was wat het voorstel ten aanzien van zijn pensioen inhield, laat staan dat hij daar mee akkoord ging. Nu [werknemer] niet met de regeling voor zijn pensioen heeft ingestemd en het een belangrijk onderdeel van de in verband met de beëindiging van de dienstbetrekking te maken afspraken betreft, kan niet gezegd worden dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst.

3.5. Introp heeft gesteld dat zij heeft aangeboden dat eventuele pensioen- en lijfrentepremieachterstanden alsnog bij Nationale Nederlanden zouden worden afgestort. Die toezegging is gedaan omdat partijen in de veronderstelling verkeerden dat ook daadwerkelijk van een premieachterstand sprake was. Inmiddels is uit de administratie van Nationale Nederlanden gebleken dat daarvan voor wat [werknemer] betreft helemaal geen sprake was.

3.6. Het hof overweegt hieromtrent als volgt. Uit de brief van 3 april 2006, die een weergave zou moeten zijn volgens Introp van wat partijen zouden hebben afgesproken blijkt niet van een bereidheid om pensioen- en premieachterstanden te voldoen. Immers Introp biedt slechts aan om een voorziening te kopen voor [werknemer] voor de premies die zij in de jaren 1997 (1 maand?), 1998 en 1999 heeft afgedragen. Voorts heeft Introp geen opheldering verschaft of die premies ook het werkgeversdeel omvatten.

3.7. Ook al zou uit de brief van Nationale Nederlanden van 2 maart 2006 kunnen worden afgeleid dat van een achterstand in premiebetaling van Introp terzake van [werknemer] geen sprake is, dan wil dat nog niet zeggen dat partijen de arbeidsovereenkomst met wederzijds goedvinden hebben beëindigd. Immers uit het antwoord van [werknemer] op de sub 2.6 vermelde brief blijkt, dat hij niet met dat voorstel heeft ingestemd. Voorts zijn geen feiten of omstandigheden gesteld of gebleken op grond waarvan moet worden aangenomen dat dat anders zou zijn, bijvoorbeeld omdat [werknemer] ook was overtuigd dat er van achterstand geen sprake was en alsnog met het voorstel –wat dat ook precies zou inhouden- heeft ingestemd. Uit de schriftelijke verklaringen van Warnawa, Kooij en Serraarens, die Introp bij gelegenheid van het pleidooi in eerste aanleg heeft overgelegd, blijkt van een dergelijke instemming naar het oordeel van het hof in elk geval niet. Zoals hiervoor al is overwogen was de pensioenkwestie belangrijk voor [werknemer] en niet kan worden aangenomen dat [werknemer] definitief zou instemmen met een beëindiging van het dienstverband zonder dat er over zijn pensioen overeenstemming was. Uit die verklaringen blijkt niet dat partijen op enig moment volledige overeenstemming hadden bereikt over de pensioenvoorziening van [werknemer].

3.8. De conclusie uit het vorenstaande is dat het hof niet aannemelijk gemaakt acht dat partijen overeenstemming hebben bereikt over de beëindiging van de arbeidsrelatie. De vordering van [werknemer] tot doorbetaling van zijn loon kan derhalve worden toegewezen, met de wettelijke rente daarover vanaf de dag van de dagvaarding voor zover het loon op die datum reeds verschuldigd was en voor de latere betalingen telkens vanaf de eerste van de maand volgend op die waar de loonbetaling betrekking op heeft. Het hof is van oordeel dat [werknemer] niet aannemelijk heeft gemaakt welk (spoedeisend) belang hij heeft om zijn werkzaamheden uit te voeren, wanneer Introp daar geen behoefte aan zou hebben. Dat deel van zijn vordering zal derhalve worden afgewezen. Voorts acht het hof geen termen aanwezig de vordering tot betaling van de wettelijke verhoging toe te wijzen.

Bij een dergelijke uitkomst past een veroordeling van Introp in de kosten van beide instanties.

Beslissing

Het hof:

-vernietigt het vonnis van 16 augustus 2006 van de rechtbank Rotterdam, sector kanton, locatie Rotterdam, gewezen in kort geding tussen partijen

en opnieuw rechtdoende;

- veroordeelt Introp om aan [werknemer] tegen behoorlijk bewijs van kwijting onder overlegging van een deugdelijk bruto/netto specificatie tot betaling van het overeengekomen loon ad € 10.460,23 bruto per maand, vermeerderd met alle emolumenten tot de dag dat de dienstbetrekking rechtsgeldig geëindigd zal zijn en vermeerderd met de wettelijke rente over het op 20 juni 2006 reeds verschuldigde loon vanaf 20 juni 2006 en voor het na die datum verschuldigde loon telkens vanaf de eerste dag van de maand volgend op die waarop het loon betrekking heeft;

- veroordeelt Introp in de kosten van beide instanties aan de zijde van [werknemer] voor de eerste aanleg tot aan 16 augustus 2006 bepaald op € 280,87 aan verschotten en op € 400,= aan salaris voor de gemachtigde en voor het hoger beroep tot aan deze uitspraak bepaald op € 332,87 aan verschotten en op € 1.158,= aan salaris voor de procureur;

- verklaart dit arrest uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M.E. In ’t Velt-Meijer, A.A. Schuering en T.L. Tan en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 januari 2007 in aanwezigheid van de griffier.