Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:AZ8877

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-01-2007
Datum publicatie
20-02-2007
Zaaknummer
C05/509
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

kennelijk onredelijk ontslag, gevolgen te ernstig, vergoeding

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 26 januari 2007

Rolnummer: 05/509

Rolnummer rechtbank: 04/3721

HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE, negende civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

SICON B.V.,

gevestigd te Vlissingen,

appellante in het principaal beroep,

geïntimeerde in het incidenteel beroep,

hierna te noemen: Sicon,

procureur: mr. H.J.A. de Knijff,

tegen

[WERKNEMER],

wonende te [X],

geïntimeerde in het principaal beroep,

appellant in het incidenteel beroep,

hierna te noemen: [werknemer],

procureur: mr. L.S.J. de Korte.

Het geding

Bij exploot van 6 april 2005 is Sicon in hoger beroep gekomen van het vonnis van 21 maart 2005 door de rechtbank Middelburg, sector kanton, locatie Middelburg, gewezen tussen partijen. Sicon heeft bij memorie van grieven zeven grieven opgeworpen, die door [werknemer] bij memorie van antwoord in principaal appel tevens memorie van grieven in incidenteel appel (met producties) zijn bestreden. In het incidenteel appel heeft hij twee grieven aangevoerd, die door Sicon bij memorie van antwoord in incidenteel appel (met producties) zijn bestreden. Tot slot hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

In zowel het principaal als het incidenteel hoger beroep

1. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank onder 2.1 tot en met 2.3 een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Daartegen is in hoger beroep niet opgekomen, zodat het hof ook van die feiten zal uitgaan.

2. Het gaat in deze zaak, samengevat, om het volgende.

2.1 [werknemer] is geboren op […] 1945. Hij is van 1959 tot 1965 bij Hollandia Keizersveer in dienst geweest als constructiebankwerker, waarna hij vanaf 1966 tot 1980 bij drie verschillende werkgevers werkzaam is geweest als pijpfitter-voorman.

2.2 Op 9 juni 1980 is [werknemer] bij de rechtsvoorgangster van Sicon in dienst getreden als pijpfitter. Per 8 augustus 1981 heeft [werknemer] ontslag genomen. Via een uitzendbureau is hij medio 1983 weer als pijpfitter voor Sicon gaan werken. Per 1 juni 1985 is hij opnieuw, na een medische keuring, als pijpfitter in vaste dienst getreden bij Sicon. De CAO in de Metaal- en Elektrotechnische Industrie is van toepassing.

2.3 In verband met blijvende medische beperkingen (knieklachten) die hem het uitoefenen van zijn functie van pijpfitter beletten, is de functie van [werknemer] per 1 januari 1991 gewijzigd in die van werkvoorbereider/magazijnmeester bouwplaats. In de loop der tijd is hij doorgegroeid naar de functie werkvoorbereider/planner en vanaf 1 januari 1998 is zijn functie cost engineer. Zijn salaris bedroeg laatstelijk € 2.635,51 bruto per maand exclusief vakantiegeld en overige emolumenten.

2.4 Op 9 april 2001 is [werknemer] uitgevallen wegens klachten van depressieve aard. Vanaf 8 april 2002 is aan hem een WAO-uitkering toegekend berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 65-80%, en ook een WW-uitkering. Het eerste jaar van arbeidsongeschiktheid heeft Sicon – conform de toepasselijke CAO – het loon volledig doorbetaald. In het tweede jaar vulde zij de uitkeringen aan tot 94% van het loon. Vanaf 7 april 2003 ontvangt [werknemer] alleen WAO- en WW-uitkering.

2.5 Bij brief van 15 april 2003 heeft Sicon het CWI een ontslagvergunning gevraagd voor [werknemer]. Deze vergunning is op 4 juli 2003 verleend, waarbij het onder meer het volgende is overwogen:

"Gebleken is dat werkneemster (het hof leest: werknemer) inmiddels langer dan twee jaar arbeidsongeschikt is voor haar (het hof leest: zijn) eigen functie als Cost engineer.

Naar mijn oordeel heeft werkgever aannemelijk gemaakt dat werkhervatting in eigen of aangepaste werkzaamheden niet mogelijk is – wat tevens blijkt uit het advies van het uwv – zodat ik het redelijk acht medewerking te verlenen aan de beëindiging van het dienstverband. Overigens is het de bevoegdheid van de Burgerlijk Rechter om een eventuele afvloeiingsregeling op te leggen."

Sicon heeft vervolgens de arbeidsovereenkomst met [werknemer] opgezegd tegen 1 februari 2004.

2.6 Bij inleidende dagvaarding heeft [werknemer] de veroordeling gevorderd van Sicon tot betaling aan hem van een bedrag van € 50.007,69 bruto, althans een nader vast te stellen bedrag, ter zake van schadevergoeding wegens kennelijk redelijk ontslag, en een bedrag van € 998,31 ter zake buitengerechtelijke kosten, beide bedragen vermeerderd met wettelijke rente en proceskosten.

2.7 Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank Sicon veroordeeld tot betaling aan [werknemer] van een bedrag van € 20.000,--, vermeerderd met wettelijke rente, ter zake van schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag, de vordering buitengerechtelijke kosten afgewezen en de proceskosten gecompenseerd.

3.1 In het principaal hoger beroep komt Sicon op tegen het oordeel van de rechtbank dat sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag en de in verband daarmee toegekende schadevergoeding. Het incidenteel hoger beroep van [werknemer] richt zich tegen de hoogte van de toegekende schadevergoeding. Hoewel [werknemer] in hoger beroep opnieuw toekenning van een bedrag van € 998,31 wegens buitengerechtelijke kosten vordert, heeft hij tegen de overwegingen die tot de afwijzing hiervan hebben geleid geen grieven gericht. In zoverre is zijn incidenteel beroep niet-ontvankelijk. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

3.2 Het hof overweegt als volgt.

[werknemer] doet een beroep op de kennelijke onredelijkheid van het hem gegeven ontslag en voert daartoe overeenkomstig artikel 7:681, lid 2 aanhef en onder b BW aan dat het hem gegeven ontslag kennelijk onredelijk is omdat de gevolgen ervan, mede in aanmerking genomen de voor hem getroffen voorzieningen en bestaande mogelijkheden om ander passend werk te vinden, te ernstig zijn in vergelijking met het belang van de werkgever bij de beëindiging van de dienstbetrekking. Daarbij zijn de volgende omstandigheden tezamen en in onderling verband beschouwd van belang.

3.3 Het hof stelt vast dat [werknemer] gedurende een groot deel van zijn leven (18 jaar) voor Sicon heeft gewerkt. Tijdens zijn dienstverband heeft hij te kampen gehad met diverse medische klachten. In 1990 werd bij een periodiek geneeskundig onderzoek door de bedrijfsarts een ernstige lawaaibeschadiging bij [werknemer] vastgesteld. Tevens was sprake van knieproblemen, die ertoe leidden dat hij zijn functie van pijpfitter niet langer kon uitoefenen. Hoewel niet met absolute zekerheid is komen vast te staan dat er sprake is van een oorzakelijk verband tussen de knieproblemen en/of lawaaibeschadiging en door voor Sicon uitgevoerde werkzaamheden, acht het hof het wel voor de hand liggend dat de werkzaamheden hebben bijgedragen aan het ontstaan van de klachten. Het werk als pijpfitter werd immers – blijkens het beschrijvingsblad arbeidsomstandig-heden (productie 1 bij repliek) – verricht in een lawaaiige omgeving, terwijl het werk kniebelastend was omdat het onder meer werd verricht in geknielde lichaamshouding en krachtsinspanning (dragen en gebruiken van gereed-schappen) werd vereist. Sicon heeft, ook in hoger beroep, deze uit het beschrijvingsblad blijkende arbeidsomstandigheden, onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat deze tussen partijen vaststaan. Hoewel genoemde klachten [werknemer] in 1991 niet hebben belemmerd ander aangepast werk te vinden en deze klachten niet de reden zijn geweest voor zijn uitval in 2001, spelen deze nog wel een rol als het gaat om zijn huidige mogelijkheden tot het vinden van passende werkzaamheden. De rechtbank heeft deze dan ook terecht in haar afweging betrokken.

3.4 [werknemer] kreeg later ook te kampen met RSI- en depressieve klachten, die hij eveneens aan zijn werkzaamheden voor Sicon wijt. Het hof heeft voor dit oorzakelijk verband tussen de depressie en de werkzaamheden voor Sicon in de zich in het dossier bevindende medische rapportages geen aanknopingspunten kunnen vinden. Hetzelfde geldt ten aanzien van de RSI-klachten. Het hof merkt in dit verband op dat de huisarts op 22 januari 2002 heeft geoordeeld dat de RSI en het trillen van de linkerschouder mogelijk het gevolg zijn van de depressie. De depressieve klachten hebben uiteindelijk tot de uitval en het ontslag van [werknemer] geleid.

3.5 Het hof volgt voorts [werknemer] niet in zijn stelling dat Sicon zich onvoldoende heeft ingespannen voor zijn re-integratie. [werknemer] achtte zich volledig arbeidsongeschikt voor alle loonvormende arbeid en bovendien is – op grond van het oordeel van het UWV – voldoende aannemelijk dat werkhervatting in eigen of aangepaste werkzaamheden bij Sicon was uitgesloten.

3.6 Het hof acht tenslotte van belang dat de kansen van [werknemer] op het vinden van ander passend werk, gezien zijn leeftijd en zijn beperkingen gering moeten worden ingeschat.

3.7 De onder 3.3 en 3.6 genoemde omstandigheden maken dat het hof van oordeel is dat het zonder enige financiële vergoeding gegeven ontslag kennelijk onredelijk moet worden geacht. De in een dergelijk geval van kennelijk onredelijk ontslag toe te kennen schadevergoeding heeft de strekking compensatie te bieden voor de kennelijke onredelijkheid van de handelwijze van de werkgever. Het gaat hier om een schadevergoeding die de rechter aan de werknemer kan toekennen. Het bedrag van een dergelijke schadevergoeding wordt door de rechter bepaald aan de hand van alle omstandigheden van het geval en berust niet op een begroting van de schade die daadwerkelijk uit de beëindiging voortvloeit. Ook indien een ontslag – zoals in het onderhavige geval - geen relevante financiële gevolgen voor de werknemer heeft (voor zijn ontslag ontving [werknemer] ook niet meer dan zijn WW- en WAO-uitkering), kan het toch kennelijk onredelijk zijn (HR 3 september 1993, NJ 1993/715 en HR 3 december 2004, NJ 2005/119) en daarom aanleiding geven tot de toekenning van een schadevergoeding. Voor de hoogte van de vergoeding dient, anders dan [werknemer] kennelijk meent, niet de kantonrechtersformule als basis. Het hof wijst in dit kader op zijn uitspraak van 10 januari 2003, JAR 2003/105, LJN: AF6530. Alle omstandigheden van het geval in aanmerking nemend is het hof van oordeel dat de rechtbank de schadevergoeding terecht op € 20.000,-- heeft begroot.

3.8 Dit betekent dat de grieven in zowel het principaal hoger beroep als in het incidenteel hoger beroep falen. Het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Sicon zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de kosten van het principaal appel, [werknemer] in die van het incidenteel appel. De proceskostenveroordelingen zullen, zoals door beide partijen gevorderd, uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis van 21 maart 2005 door de rechtbank Middelburg, sector kanton, locatie Middelburg, gewezen tussen partijen;

- veroordeelt Sicon in de kosten van het principaal hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van [werknemer] begroot op € 1.631,- voor salaris procureur;

- veroordeelt [werknemer] in de kosten van het incidenteel hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van Sicon begroot op € 815,50 voor salaris procureur;

- verklaart bovenstaande kostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M.E. In 't Velt-Meijer, J.W. van Rijkom en M.J. van der Ven en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 26 januari 2007 in bijzijn van de griffier.