Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:AZ8805

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
09-02-2007
Datum publicatie
20-02-2007
Zaaknummer
2200429505
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Onderzoek Beo. Vrijspraak van de verdachte ter zake van valsheid in geschrift van aanvraagformulieren t.b.v. vreemdelingen, oplichting van die vreemdelingen en deelname aan een criminele organisatie. Het hof is daarnaast van oordeel dat het eerst bij repliek inbrengen van een stuk dat nieuwe inhoudelijke informatie omtrent de tenlastegelegde feiten behelst, in casu niet als tijdig kan worden aangemerkt. Veroordeeld ter zake van verboden wapenbezit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004295-05

Parketnummers: 09-754007-04 en 09-004051-04

Datum uitspraak: 9 februari 2007

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 4 juli 2005 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1955,

adres: [adres],

thans uit anderen hoofde verblijvende in Penitentiaire inrichting “Noordsingel” te Rotterdam.

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 7 november 2006, 14 november 2006, 19 januari 2007, 22 januari 2007, 23 januari 2007 en 26 januari 2007.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie gewijzigd. Van de dagvaarding en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd.

3. Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte van het onder 3 eerste en tweede cumulatief alternatief (3a en 3b), 5 en 6 tenlastegelegde vrijgesproken en ter zake van het onder 1, 2 eerste en tweede cumulatief alternatief, 4, 7 en 8 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, waarvan vijf maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest. Voorts is beslist omtrent de vorderingen van de benadeelde partij als nader in het vonnis omschreven en zijn er schadevergoedingsmaatregelen opgelegd.

De verdachte en de officier van justitie hebben tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

4. Geldigheid van de dagvaarding

De advocaat-generaal heeft ter terechtzitting in hoger beroep betoogd dat de dagvaarding van het onder 3 tenlastegelegde nietig is op grond dat niet voldaan is aan de vereisten van artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering, nu naar zijn oordeel de vraag legitiem is op welke gevallen de tenlastelegging ziet en er voorts teveel onduidelijke beschuldigingen in de tenlastelegging opgenomen zijn.

Het hof overweegt dat naar zijn oordeel de onder 3 tenlastegelegde feiten voldoende feitelijk en duidelijk omschreven zijn nu daarin periode, plaats, het type formulieren en valsheid worden genoemd. Bovendien wordt in de tenlastelegging verwezen naar zaakdossier 2 (gronden), waarin een beschrijving van het tenlastegelegde is opgenomen. Het onder 3 tenlastegelegde dient daarbij in samenhang te worden gelezen met de onder 2 tenlastegelegde feiten, waardoor – naar het oordeel van het hof - voldoende begrijpelijk en duidelijk is waartegen de verdediging zich moet verweren. De tenlastelegging onder 3 voldoet aan de vereisten overeenkomstig artikel 261 van het Wetboek van Strafvordering. Nu ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de nietigheid van de dagvaarding meebrengen, is de dagvaarding geldig.

5. Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

5.1

Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman - zakelijk weergegeven - een beroep gedaan op de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte ter zake van de onder 1, 2 eerste en tweede cumulatief alternatief, 3 eerste en tweede cumulatief alternatief 4, 5 en 6 tenlastegelegde. Hij heeft daartoe aangevoerd dat MJS op willekeurige wijze is uitverkoren om te worden vervolgd en dat de Vreemdelingendienst een dubbelrol vervulde, immers [Y] vervulde zowel een rol op de werkvloer, als bij het opsporingsonderzoek. De Vreemdelingendienst heeft bij de verdachte vertrouwen gewekt – dat hij mocht ontlenen aan de werksafspraken die zijn gemaakt met MJS - voor de wijze waarop hij werkte, weshalve het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaringen van de vreemdelingen zijn aangestuurd door de politie en [verdachte] wel, doch [medewerker MJS 1] en [medewerker MJS 2] niet zijn vervolgd, hetgeen naar het oordeel van de raadsman ook tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie zou dienen te leiden.

5.2

De balie-afdeling “Unit Toelating, team nieuwkomers” van de Vreemdelingendienst Den Haag (verder: de Vreemdelingendienst) heeft gaandeweg het jaar 2002 afspraken gemaakt met de Stichting Instituut voor Multi Juridische Service (verder: MJS), waarvan medeverdachte [coördinator van MJS] coördinator was.

Uit de verklaringen van medewerkers van de Vreemdelingendienst ([verwijzing naar verklaringen]) blijkt dat deze afspraken zijn gemaakt om de situatie bij de Vreemdelingendienst hanteerbaar te houden, nu het aantal aanvragen voor een vergunning voor bepaalde tijd tot “verblijf regulier” (hierna: de aanvraag of aanvragen) dat door MJS werd aangebracht vanaf 2001 explosief steeg en aanvragen door vreemdelingen buiten MJS om bij de Vreemdelingendienst niet meer aan bod kwamen (verklaring [X] bij de rechter-commissaris d.d.

9 november 2004). De afspraken gingen met name over de beperking van het aantal vreemdelingen dat per dag een ‘sticker’ kwam halen, een zaterdagopenstelling om de achterstand weg te werken, alsmede afspraken over de wijze waarop de aanvragen dienden te worden ingediend (schriftelijk in plaats van persoonlijk) en vonden nadrukkelijk plaats in het kader van, en door ambtenaren die zijn belast met, de behandeling van aanvragen op grond van de Vreemdelingenwet alsmede van het toezicht op de naleving van de wettelijke voorschriften met betrekking tot de vreemdelingen.

Uit het proces-verbaal van bevindingen opgemaakt en ondertekend door [X] (map alg. dossier O/AH/24, p. 001 e.v.) blijkt dat, voorafgaande aan de ten laste gelegde periode, medeverdachte [adviseur van MJS] in 2001 te verstaan is gegeven dat het wettelijk verplicht is op de aanvragen van zijn cliënten een woonadres op te geven en dat geen genoegen kon worden genomen met het adres van MJS [adres] als postadres.

Medeverdachte [leider 1 v[coördinator van MJS] (map Verdachten [-] [leider 1 v[coördinator van MJS] I, V1/V/13, blz. 1 e.v.), de coördinator van de Stichting MJS, wist dat de Vreemdelingendienst zich op het standpunt stelde dat de vreemdelingen wiens aanvraag door MJS werden aangebracht feitelijk niet allemaal op de [adres] in Den Haag konden wonen. [leider 1 v[coördinator van MJS] verklaart dat medeverdachte [medeverdachte 1], toen nog medewerker bij de Vreemdelingendienst, bij een gesprek tussen hem en een medewerker van de Vreemdelingendienst daaromtrent aanwezig is geweest.

5.3

Uit de verklaring van [Y] ter terechtzitting in hoger beroep van 22 januari 2007, alsmede uit de door de verdachten afgelegde verklaringen, blijkt dat nadien gebruik is gemaakt van vaste adressen als ‘adres’ voor alle vreemdelingen die door tussenkomst van MJS een aanvraag indienden.

Hiervan is de Vreemdelingendienst in de loop van het jaar 2002, althans na verloop van tijd, op de hoogte gekomen.

De getuige [Z] heeft in verband daarmee informatie ingewonnen bij de Immigratie- en Naturalisatiedienst (verder: IND) of de Vreemdelingendienst aanvragen waarbij geen woonadres bekend was, buiten behandeling kon laten dan wel afwijzen. De IND stelde zich op het standpunt dat ook zulke aanvragen in behandeling móesten worden genomen.

De Vreemdelingendienst zag en had derhalve geen andere mogelijkheid dan de aanvragen met de opgegeven adressen in behandeling te nemen en daarop te beslissen. De verdachten zijn door de Vreemdelingendienst niet meer aangesproken op het gebruik van de adressen. In april 2003 zijn de eerste aangiften van oplichting en valsheid in geschrifte binnengekomen in de onderhavige zaak waarop er – formeel in september 2003 - een politieonderzoek is gestart.

[Y] is als adviseur aan het opsporingsteam toegevoegd en heeft gelijktijdig zijn werk als mentor bij de Unit toelating bij de Vreemdelingendienst beëindigd (verklaring [Y] ter terechtzitting in hoger beroep van 22 januari 2007), zodat van de door de raadsman van medeverdachte [medeverdachte 1] gestelde “dubbelrol” geen sprake is geweest.

5.4

Door de situatie te laten voortbestaan, dan wel voeding te geven aan de bestaande werkwijze door afspraken omtrent de afhandeling van de aanvragen met MJS te maken, zou de Vreemdelingendienst aan de verdachten de indruk hebben gegeven dat het handelen van de verdachten toelaatbaar was, dan wel dat nu de verdachten door de Vreemdelingendienst niet zijn aangesproken op de aanhoudende opgave van onjuiste adressen, zij erop mochten vertrouwen dat hun handelen niet tot strafrechtelijke vervolging zou leiden.

Dat er op enig moment bij de Vreemdelingendienst een vermoeden is ontstaan en vervolgens duidelijk is geworden dat – wederom – in strijd met de waarheid adressen van vreemdelingen werden opgegeven in de door tussenkomst van MJS ingediende aanvragen, waarna van de zijde van de Vreemdelingendienst niet is ingegrepen of opgetreden, maakt dat niet optreden niet tot gedogen in strafrechtelijke zin van die onjuiste opgaven indien in de bestuursrechtelijke afhandeling van zaken geen effectieve mogelijkheid bestaat om enig (rechts)gevolg te verbinden aan de situatie van aanhoudende onjuiste opgave van adressen.

De gronden om een aanvraag in te willigen, af te wijzen dan wel niet in behandeling te nemen, zijn – naar het oordeel van het hof limitatief – in de artikelen 14, tweede lid, jo 16 jo 18 jo 24, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000 neergelegd. Dit is ook het geval met de in artikel 19 van voormelde wet aangegeven gronden voor intrekking van een reeds verstrekte verblijfsvergunning voor bepaalde tijd.

Nu de Vreemdelingendienst niet is te vereenzelvigen met het openbaar ministerie, mochten de verdachten er niet gerechtvaardigd op vertrouwen dat het openbaar ministerie niet tot vervolging zou overgaan indien een strafrechtelijk onderzoek naar de – door vreemdelingen gedane - aangiften daar aanleiding toe zou geven.

Handelen of nalaten door een niet voor het strafvervolgingsbeleid verantwoordelijk overheidsorgaan kan – in het algemeen - niet het vertrouwen rechtvaardigen dat het openbaar ministerie verstoken is van het recht tot strafvervolging (vgl. HR NJ 1986,591 en HR NJ 1990, 120). Feiten of omstandigheden die te dezen tot een ander oordeel dwingen, zijn er niet. Het enkele feit dat de Vreemdelingendienst op de hoogte was van de valse adressen oordeelt het hof daartoe onvoldoende.

Het voorgaande klemt te meer daar medeverdachte [leider 2[adviseur van MJS], advocaat en – naar eigen zeggen – ook raadsman in strafrechtelijke zaken, voor zich zelf en als – naar eigen zeggen – ‘adviseur’ van MJS, nauw was betrokken bij de uitvoeringspraktijk van de aanvragen terwijl hij tevens moet worden geacht kennis te hebben gehad van het vervolgingsrecht van het openbaar ministerie, neergelegd in artikel 167 Wetboek van Strafvordering.

Op grond van het vorenoverwogene is er geen sprake van een vervolgingsbeslissing genomen in strijd met de beginselen van behoorlijke procesorde, waarbij het openbaar ministerie of de Vreemdelingendienst doelbewust of met grove veronachtzaming van de belangen van de verdachte aan diens recht op een eerlijke behandeling in zijn zaak is tekortgedaan.

5.5

De raadsman heeft betoogd dat het openbaar ministerie voorts niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging nu er naar zijn oordeel verklaringen van vreemdelingen zijn gekocht of aangestuurd. Het hof overweegt daartoe dat in het dossier geen enkele aanwijzing aanwezig is die de stelling van de raadsman onderbouwen. Uit het dossier blijkt dat nadat in 2003 vreemdelingen aangifte hadden gedaan, er in september 2003 officieel een onderzoek is gestart. Dat daarbij vreemdelingen zijn gecontacteerd om een verklaring af te leggen is – naar het oordeel van het hof – een gebruikelijke wijze van opsporen. Voorts is de raadsman van oordeel dat de verklaringen van [medewerker MJS 1] zijn gekocht, doordat aan zijn vriendin een verblijfsvergunning in het vooruitzicht zou zijn gesteld, als [medewerker MJS 1] een belastende verklaring zou afleggen.

Het hof overweegt daartoe dat uit niets blijkt dat [medewerker MJS 1] zou zijn bewogen zijn verklaringen af te leggen, nu hij op eigen initiatief een brief naar de

Vreemdelingendienst heeft geschreven, waarna hij is benaderd en bij de politie een aantal verklaringen heeft afgelegd.

De raadsman heeft daarnaast nog aangevoerd dat het openbaar ministerie het gelijkheidsbeginsel heeft geschonden door de verdachte te vervolgen en niet [medewerker MJS 1] en [medewerker MJS 2]. Het hof is van oordeel dat uit het requisitoir van de officier van justitie op de zitting in eerste aanleg blijkt dat het openbaar ministerie ten aanzien van de te vervolgen personen heeft gelet op de afhankelijkheids-positie, de rol van de verschillende verdachten binnen het geheel en de periode waarin de verdachten bij MJS hebben gewerkt. Niet is gebleken dat het openbaar ministerie de beslissingen tot vervolgen of niet-vervolgen op onredelijke of onwillekeurige gronden heeft gemaakt.

5.7

Het beroep op niet-ontvankelijk van het openbaar ministerie ter zake van de onder 1, 2 eerste en tweede cumulatief alternatief, 3 eerste en tweede cumulatief alternatief, 4 en 5 tenlastegelegde feiten op de hierboven vermelde gronden faalt derhalve.

Nu ook overigens geen feiten en omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie meebrengen is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging van de verdachte.

6. Door de advocaat-generaal ingebracht proces-verbaal

Ter terechtzitting van 26 januari 2006 heeft de advocaat-generaal “bij repliek”, ter onderbouwing van zijn standpunt dat de – in het onder 2 eerste en tweede cumulatief alternatief tenlastegelegde genoemde - aanvraagformulieren een bewijsbestemming hebben, een proces-verbaal met nummer 25107/DD/2007 d.d. 25 januari 2007 opgemaakt en ondertekend door [naam] aan het hof en de verdediging overgelegd. Het proces-verbaal bevat feitelijke informatie met betrekking tot de bewijsbestemming van genoemde aanvraagformulieren, als genoemd in het onder 2 eerste en tweede cumulatief alternatief tenlastegelegde.

De raadsman heeft bezwaar gemaakt dat dit stuk zo laat in het geding is gebracht en derhalve buiten beschouwing dient te worden gelaten. Het hof heeft ter terechtzitting beslist dat het hof zich omtrent dit verweer na sluiting van het onderzoek ter terechtzitting, in raadkamer zou beraden.

Het hof is van oordeel dat het eerst bij repliek inbrengen van een stuk dat nieuwe inhoudelijke informatie omtrent de tenlastegelegde feiten behelst, niet als tijdig kan worden aangemerkt. De verdediging dient voldoende tijd te hebben zich voor te bereiden op de verdediging, waarbij de verdachte en zijn raadsman dienen te beschikken over alle relevante informatie. Het is derhalve niet met de regels van een goede procesorde te verenigen dat eerst bij repliek nog een inhoudelijk stuk wordt ingebracht. Genoemd proces-verbaal zal derhalve buiten beschouwing worden gelaten.

7. Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

8. Vrijspraken (Feiten 2, 3, 4, 5 en 1)

8.1 Feit 2

Ten aanzien van het onder 2 eerste en tweede cumulatief alternatief tenlastegelegde overweegt het hof dat de verdachte zich hoofdzakelijk bezig hield met werkzaamheden als portier, de beveiliging van medeverdachte [leider 1 v[coördinator van MJS] en het fungeren als chauffeur voor het vervoeren van de vreemdelingen naar de Vreemdelingendienst.

Alhoewel uit het dossier blijkt dat de verdachte incidenteel een aanvraagformulier heeft ingevuld en ook wel eens vreemdelingen te woord heeft gestaan, is naar het oordeel van het hof onvoldoende bewijs voorhanden waaruit het (voorwaardelijk) opzet van de verdachte op de valsheid van de geschrifte of het gebruik daarvan zou kunnen blijken.

Derhalve kan niet wettig en overtuigend bewezen worden dat de verdachte het onder 2 eerste en tweede cumulatief alternatief tenlastegelegde heeft gepleegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

8.2 feit 3

8.2.1

Ten aanzien van het onder 3 eerste en tweede cumulatief alternatief tenlastegelegde overweegt het hof dat op de gronden als onder 8.1 weergegeven, deze tenlastegelegde feiten niet bewezen kunnen worden.

8.2.2

Ten overvloede overweegt het hof daarbij nog dat – alhoewel uit een aantal verklaringen van de vreemdelingen zou kunnen worden afgeleid dat er foutieve gronden voor het verblijf op het aanvraagformulier M35-A voor een verblijfsvergunning zijn opgenomen – uit het dossier blijkt dat de verdachte en zijn medeverdachten de gronden die de vreemdelingen opgaven als reden voor verblijf op het aanvraagformulier veralgemeniseerden tot standaardgronden, hetgeen ten tijde van de tenlastegelegde feiten gebruikelijk was en ook thans nog is. Onvoldoende kan worden vastgesteld dat door aldus te handelen de geschriften, aangenomen dat deze bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen, ter zake van de gronden tot verblijf valselijk zijn opgemaakt weshalve ook van valse geschriften geen sprake is. Uit de beschikbare bewijsmiddelen komt bovendien onvoldoende naar voren dat de verdachte en zijn medeverdachten het oogmerk hadden derden op dit punt te misleiden door het opnemen van deze standaardgronden.

8.2.3

Naar het oordeel van het hof kan het onder 3 eerste en tweede cumulatief alternatief niet wettig en overtuigend worden bewezen, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

8.3 feit 4

Met betrekking tot het onder 4 tenlastegelegde overweegt het hof dat – anders dan door de advocaat-generaal betoogd - uit het onderzoek ter terechtzitting onvoldoende is komen vast te staan dat de verdachte en zijn medeverdachten zich schuldig hebben gemaakt aan oplichting van de in de tenlastelegging genoemde personen. Weliswaar zijn in het dossier aanwijzingen te vinden dat de verdachte en zijn medeverdachten de vreemdelingen niet altijd volledig of duidelijk hebben voorgelicht, doch het dossier biedt – met name gelet op de tegenstrijdige verklaringen van de vreemdelingen ter zake - onvoldoende bewijs omtrent de onjuiste mededelingen en toezeggingen die door de verdachte en zijn medeverdachten zouden zijn gedaan. Het hof is van oordeel dat alhoewel een aantal vreemdelingen zich opgelicht voelt, niet kan worden vastgesteld dat de verdachte en zijn medeverdachten hen hebben opgelicht als bedoeld in artikel 326 van het Wetboek van Strafrecht.

Het vorenstaande brengt mee dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden hetgeen aan de verdachte onder 4 is tenlastegelegd weshalve hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

8.4 Feit 5

Ten aanzien van het onder 5 tenlastegelegde feit overweegt het hof dat, gelet op de rol van de verdachte zoals uiteen gezet onder 8.1, niet wettig en overtuigend bewezen kan worden hetgeen aan de verdachte onder 5 is tenlastegelegd, zodat de verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken.

8.5 Feit 1

8.5.1

Met betrekking tot het onder 1 tenlastegelegde - kort gezegd deelname aan een criminele organisatie – overweegt het hof het navolgende. Naar het oordeel van het hof functioneerde MJS als een gestructureerd samenwerkingsverband dat als voornaamste doel had vreemdelingen tegen betaling behulpzaam te zijn en te begeleiden bij het indienen van aanvragen voor een verblijfsvergunning (zie verklaringen verdachte, medeverdachten en vreemdelingen opgenomen in de map: (zaakdossier 1). Gelet op de, onder 8.1 aangegeven, werkzaamheden die de verdachte verrichtte, functioneerde hij naar het oordeel van het hof in de marge van dat samenwerkingsverband, maar maakte hij daar geen deel van uit.

8.5.2

Ten overvloede merkt het hof daarenboven nog op dat, anders dan de advocaat-generaal van oordeel is, onvoldoende is komen vast te staan dat het oogmerk van het samenwerkingsverband was gericht op het plegen van (een) misdrij(f)ven, gelet op de vrijspraken van alle verdachten van de onder 3 eerste en tweede tenlastegelegde valsheid in geschrifte en gebruik van valse geschriften, de onder 4 tenlastegelegde oplichting, en de onder 5 tenlastegelegde mensensmokkel en de vrijspraak van de verdachte van de onder 2 eerste en tweede cumulatief alternatief tenlastegelegde valsheid in geschrifte en gebruik van valse geschriften, op het plegen van welke misdrijven het onder 1 tenlastegelegde oogmerk zou zijn gericht.

8.5.3

Het hof is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen is hetgeen aan de verdachte onder 1 ten laste is gelegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

8.6 Feit 6

Ten aanzien van het onder 6 tenlastegelegde is het hof – anders dan de advocaat-generaal – van oordeel dat er voor dit feit onvoldoende bewijs aanwezig is in het dossier. Uit de verklaringen van medeverdachte [leider 1 v[coördinator van MJS] blijkt dat deze een wapen, in een blauwe doos, aan de verdachte heeft gegeven. De verdachte erkent dat hij het onder 8 tenlastegelegde wapen van medeverdachte [leider 1 v[coördinator van MJS] heeft ontvangen in een blauw, soort, gereedschapskoffertje en dat bij hem thuis heeft opgeborgen.

De verdachte ontkent iets met het onder 6 tenlastegelegde wapen, dat gevonden is op het kantoor van MJS, te maken te hebben. Medeverdachte [leider 1 v[coördinator van MJS] is in zijn verklaringen onduidelijk over het wapen dat hij aan de verdachte heeft gegeven. Hieruit volgt dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat de verdachte het onder 6 tenlastegelegde heeft gepleegd, zodat hij daarvan behoort te worden vrijgesproken.

9. Nadere overweging hof

Nu de 1, 2 eerste en tweede cumulatief alternatief, 3 eerste en tweede cumulatief alternatief, 4 en 5 tenlastegelegde feiten wordt vrijgesproken, behoeft thans niet meer te worden beslist op de door de raadsman van de verdachte ter terechtzitting van 26 januari 2007 ten aanzien van die feiten gevoerde verweren.

10. Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 7 en 8 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

11. Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

12. Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 7 bewezenverklaarde:

Handelen in strijd met artikel 13, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

Ten aanzien van het onder 8 bewezenverklaarde:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III;

en

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

13. Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

14. Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende tot nietigheid van de dagvaarding ter zake van het onder 3 eerste en tweede cumulatief alternatief en tot veroordeling van de verdachte ter zake van het onder 1, 2 eerste en tweede cumulatief alternatief, 4, 5, 6, 7 en 8 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft een vuurwapen met bijbehorende munitie en een ploertendoder aanwezig gehad. Het ongecontroleerde bezit van dergelijke voorwerpen is naar zijn aard gevaarlijk voor iedere burger die met het gebruik daarvan zou kunnen worden geconfronteerd. Daartegen dient, in het bijzonder uit een oogpunt van generale preventie, streng te worden opgetreden. Het stijgend aantal slachtoffers in de samenleving ten gevolge van (fataal) (vuurwapen)geweld onderstreept de noodzaak hiervan.

Voorts is komen vast te staan dat de verdachte, blijkens een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 22 december 2006, eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten.

In het voordeel van de verdachte heeft het hof rekening gehouden met de persoonlijke omstandigheden zoals die ter terechtzitting in hoger beroep zijn gebleken. ‘

Het voorgaande in aanmerking genomen hebbend, alsmede gelet op de straftoemeting voor vuurwapenfeiten in vergelijkbare zaken, acht het hof een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur ter zake van deze feiten passend en geboden.

15. Vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij 1]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 4 tenlastegelegde tot een bedrag van EUR 5.000,--.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

De raadsman van de verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij betwist.

Nu de verdachte ter zake van het onder 4 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering tot vergoeding van de als gevolg daarvan geleden schade.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op zijn verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

16. Vordering tot schadevergoeding namens [benadeelde partij 2]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 2], in rechte vertegenwoordigd door mr. S.L. Mertens-Vrede, zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 4 tenlastegelegde tot een bedrag van EUR 6.153,57.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van een gedeelte van de vordering van de benadeelde partij, groot EUR 2.300,-- en voorts tot niet-ontvankelijkverklaring van de benadeelde partij voor het overige.

Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

De raadsman van de verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij betwist.

Nu de verdachte ter zake van het onder 4 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering tot vergoeding van de als gevolg daarvan geleden schade.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op zijn verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

17. Vordering tot schadevergoeding van [benadeelde partij 3]

In het onderhavige strafproces hebben [benadeelde partij 3] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 4 tenlastegelegde tot een bedrag van EUR 1.650,--.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

De raadsman van de verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij betwist.

Nu de verdachte ter zake van het onder 4 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in hun vordering tot vergoeding van de als gevolg daarvan geleden schade.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op zijn verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

18. Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 4]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 4] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden materiële schade als gevolg van het aan de verdachte onder 4 tenlastegelegde tot een bedrag van EUR 1.650,--.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag.

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Tevens heeft de advocaat-generaal gevorderd dat aan de verdachte de schadevergoedingsmaatregel ex artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht wordt opgelegd.

De raadsman van de verdachte heeft de vordering van de benadeelde partij betwist.

Nu de verdachte ter zake van het onder 4 tenlastegelegde wordt vrijgesproken, dient de benadeelde partij niet-ontvankelijk te worden verklaard in zijn vordering tot vergoeding van de als gevolg daarvan geleden schade.

Nu door of namens de verdachte niet is gesteld dat deze met het oog op zijn verdediging tegen de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij kosten heeft gemaakt, kan een kostenveroordeling achterwege blijven.

19. Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op artikel 57(oud) van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 13, 26 en 55(oud) van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het 1, 2 eerste en tweede cumulatief alternatief, 3 eerste en tweede cumulatief alternatief, 4, 5 en 6 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 7 en 8 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) maanden.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de eventuele uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 1] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 2] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 3], niet-ontvankelijk in hun vordering.

Verklaart de benadeelde partij [benadeelde partij 4] niet-ontvankelijk in zijn vordering.

Dit arrest is gewezen door B.A. Stoker-Klein,

mr. A.E. Mos-Verstraten en mr. Chr.A. Baardman, in bijzijn van de griffier mr. R.E. Perquin.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 9 februari 2007.