Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:AZ8421

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
31-01-2007
Datum publicatie
16-02-2007
Zaaknummer
563-H-06
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Toepasselijk recht op huwelijksvermogensverdeling. In casu is Iraans recht van toepassing op basis van Chelouce/Van Leer.

Het huwelijk tussen partijen is gesloten in 1973 te Teheran. Door de huwelijkssluiting verkreeg de vrouw, naast de Nederlandse, tevens de Iraanse nationaliteit. De man had de Iraanse nationaliteit.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2007, 39
JIN 2007/154
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 31 januari 2007

Rekestnummer. : 563-H-06

Rekestnr. rechtbank : FA RK 05-1870

[De vrouw],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. B.C.V.J. van Leur,

tegen

[de man],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. K. Mohassel Zadeh.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vrouw is op 26 april 2006 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te ’s-Gravenhage van 6 februari 2006.

De man heeft op 7 juni 2006 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 13 september 2006 aanvullende stukken ingekomen.

Op 8 december 2006 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vrouw, bijgestaan door haar procureur, en de man, bijgestaan door zijn procureur. De verschenen personen hebben het woord gevoerd, de procureur van de vrouw onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotitie.

VASTSTAANDE FEITEN EN HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG

Voor het procesverloop in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking waarbij - voor zover in hoger beroep van belang - het verzoek van de vrouw om de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap te bevelen, is afgewezen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

De echtscheidingsbeschikking is volgens mededeling van de procureur van de vrouw op 20 maart 2006 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is het bestaan tussen partijen van enige huwelijksgemeenschap, althans een gemeenschap, alsmede de verdeling daarvan.

2. De vrouw verzoekt:

- te vernietigen de bestreden beschikking (het hof leest: in zoverre deze de afwijzing van de verzochte verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap betreft) en, opnieuw rechtdoende, de man te bevelen met de vrouw over te gaan tot scheiding en deling van de huwelijksgoederengemeenschap met benoeming van een notaris en een onzijdig persoon in de zin der wet;

- subsidiair dat op grond van de redelijkheid en billijkheid aan de vrouw de helft van de waarde van de voormalige echtelijke woning en de gezamenlijke eigendommen toekomt;

- meer subsidiair dat aan de vrouw uitsluitend de helft van de waarde van de echtelijke woning, na aftrek van de op die woning rustende hypothecaire lening toekomt;

- de man te veroordelen in de kosten van de procedure;

- deze beschikking uitvoerbaar te verklaren bij voorraad voor zover rechtens mogelijk.

3. De man bestrijdt haar beroep.

4. De vrouw stelt in haar eerste grief dat de rechtbank ten onrechte en op onjuiste gronden haar verzoek om verdeling naar redelijkheid en billijkheid heeft afgewezen. Zij voert daartoe aan dat zij uitsluitend ten gevolge van haar huwelijk naast de Nederlandse tevens de Iraanse nationaliteit heeft verkregen en dat dit geen bewuste keuze was. Voorts stelt de vrouw dat partijen al sinds 1978 in Nederland wonen, waar de man na enige jaren zijn Iraanse nationaliteit heeft moeten afstaan. Pas in 1998 heeft hij naast de Nederlandse weer de Iraanse nationaliteit verkregen. De vrouw stelt dat zij er altijd vanuit is gegaan dat partijen naar Nederlands huwelijksvermogensrecht in gemeenschap van goederen waren gehuwd. Zo leefde zij in de overtuiging dat de echtelijke woning gezamenlijk eigendom was. De vrouw betoogt voorts dat partijen om verschillende redenen, waaronder het feit dat de man al vijfentwintig jaar in Nederland werkzaam is, meer maatschappelijke binding hebben met Nederland dan met Iran. Zij ervaart het dan ook als kwetsend dat de man thans een beroep doet op het Iraanse huwelijksvermogensrecht. Tot slot stelt de vrouw ter onderbouwing van haar eerste grief dat zij - onderbroken door een periode waarin zij voor de uit het huwelijk geboren zoon zorgde - altijd heeft gewerkt en zo een bijdrage heeft geleverd aan het gezinsinkomen. Het is derhalve volgens de vrouw niet meer dan billijk dat de helft van het tijdens het huwelijk van partijen opgebouwde vermogen aan haar toekomt. In haar tweede grief stelt de vrouw dat de rechtbank er ten onrechte vanuit gaat dat partijen geen feiten of omstandigheden naar voren brengen waaruit zal kunnen blijken dat zij ervan uitgingen dat op hun huwelijksvermogensregime Nederlands recht van toepassing was en dat zij hun leven vermogensrechtelijk gezien anders zouden hebben ingericht als zij zouden hebben geweten dat hierop Iraans recht van toepassing was. Uit het feit dat de vrouw hoofdelijk aansprakelijk was voor de aan de echtelijke woning verbonden hypothecaire schuld blijkt volgens de vrouw dat beide partijen verdeling van de woning bij helfte voor ogen stond. Bovendien heeft de vrouw - zoals gemeld - met haar inkomen bijgedragen aan de gezamenlijke huishouding van partijen. Gezien het vorenstaande verkeerde in ieder geval de vrouw in de veronderstelling dat het ten tijde van het huwelijk opgebouwde vermogen bij partijen in gezamenlijk eigendom was.

5. De man betwist dat in de onderhavige zaak Nederlands huwelijksvermogensrecht van toepassing zou zijn. Volgens hem is op grond van de vigerende verwijzingsregels Iraans recht, dat geen gemeenschap van goederen kent, op het huwelijksvermogensregime van partijen van toepassing. De man stelt dat de vrouw destijds bewust heeft gekozen voor het Iraanse recht, nadat zij zich voor haar huwelijk in Iran ter plekke op de hoogte had gesteld van de culturele gebruiken en ook door de man daaromtrent uitgebreid was geïnformeerd. Bovendien heeft de vrouw gedurende al die tijd dat partijen in Nederland wonen, nimmer stappen ondernomen het huwelijksvermogensregime te wijzigen, aldus de man. Hetgeen de vrouw omtrent zijn nationaliteit opmerkt, doet volgens de man niet terzake, aangezien het Iraanse huwelijksvermogensrecht van toepassing blijft. Voorts is de man van mening dat de vrouw had kunnen weten dat hij de enige eigenaar van de echtelijke woning is, gezien het feit dat zij in persoon op het notariskantoor aanwezig was bij het verlijden van de transport- en hypotheekakte betreffende deze woning. De man stelt dat hij een nauwe band heeft met Iran. Zo bezoekt hij het land sinds 1998 weer voor vakantie en heeft hij er familieleden wonen. Zijn vertrek was destijds om politieke redenen noodzakelijk. De man betwist niet hetgeen de vrouw stelt omtrent haar arbeid. Volgens hem heeft zij echter nimmer meebetaald aan de kosten van de hypotheek, waardoor een verdeling volgens het Nederlandse huwelijksvermogensrecht onbillijk zou zijn. Naar aanleiding van de tweede grief van de vrouw stelt de man dat zij op het moment van ondertekening van de akten bij de notaris te kennen had moeten geven mede-eigenaar van de woning te willen zijn. Nu uitsluitend de man de lasten van de hypothecaire lening heeft gedragen, heeft de vrouw er volgens hem bewust voor gekozen niet mee te delen in het eigendom van de woning. Ten slotte betwist de man dat de vrouw heeft bijgedragen in de kosten van de huishouding, aangezien zij haar inkomen geheel ten behoeve van zichzelf aanwendde. Gezien het vorenstaande is de man van mening dat het ook op basis van redelijkheid en billijkheid niet gerechtvaardigd is dat het door de vrouw verzochte aan haar wordt toegedeeld.

6. Het hof overweegt als volgt. Het huwelijk tussen partijen is [in] 1973 te Teheran, Iran, gesloten. De vermogensrechtelijke gevolgen daarvan worden niet bestreken door enig verdrag, zodat de vraag welk recht van toepassing is op het huwelijksvermogensregime derhalve, zoals door de rechtbank overwogen, beslist dient te worden door toepassing van de in het Chelouche/Van Leer-arrest (HR 10 december 1976, NJ 1977, 275) geformuleerde conflictregels. Krachtens de exceptie van het Sabah-arrest (HR 7 april 1989, NJ 1990, 347) gelden deze conflictregels in beginsel ook ten aanzien van echtgenoten die vóór 10 december 1976 in het huwelijk zijn getreden, tenzij de echtgenoten op goede gronden zijn uitgegaan van de toepasselijkheid van een andere conflictregel en daarop hun vermogensrechtelijke voorzieningen hebben afgestemd.

7. Volgens de ‘aanknopingsladder’ van het Chelouche/Van Leer-arrest wordt het toepasselijke huwelijksvermogensrecht bij ontstentenis van een gezamenlijke rechtskeuze van de aanstaande echtgenoten bepaald door hun gemeenschappelijke nationaliteit ten tijde van de huwelijkssluiting. Hierbij is niet van belang of de echtgenoten reeds voor het huwelijk een gemeenschappelijke nationaliteit hadden, of dat deze door het huwelijk wordt verworven. Eveneens is in het kader van de rechtszekerheid en de hanteerbaarheid van de verwijzingsregels niet van belang dat de vrouw de bij de huwelijkssluiting verworven gemeenschappelijke nationaliteit niet op grond van eigen keuze, maar van rechtswege heeft verkregen zonder dat zij zich daartegen kan verzetten. Heeft een van beide echtgenoten een dubbele nationaliteit, dan wordt alleen de nationaliteit die hij of zij met de andere echtgenoot gemeen heeft in aanmerking genomen. In casu is in eerste aanleg door de rechtbank vastgesteld en in hoger beroep door partijen niet weersproken dat partijen vóór het huwelijk geen gemeenschappelijke rechtskeuze hebben gedaan ten aanzien van hun huwelijksvermogensregime, dat de vrouw ten tijde van de huwelijkssluiting de Nederlandse nationaliteit had en de man de Iraanse nationaliteit, alsmede dat de vrouw sinds de huwelijkssluiting naast de Nederlandse tevens de Iraanse nationaliteit bezit. Krachtens het hierboven overwogene wordt het huwelijksvermogensregime van partijen derhalve beheerst door het interne recht van de staat van hun gemeenschappelijke nationaliteit ten tijde van de huwelijkssluiting, te weten Iraans recht.

8. Voor zover de vrouw met haar grieven beoogt te stellen dat de rechtbank de zogeheten Sabah-exceptie had dienen toe te passen, ziet het hof hiertoe geen aanleiding. Immers, de door de vrouw aangevoerde feiten en omstandigheden nopen niet tot de conclusie dat partijen op goede gronden, bijvoorbeeld ingewonnen advies, zijn uitgegaan van de toepasselijkheid van andere conflictregels inzake het huwelijksvermogensregime dan die van het Chelouche/Van Leer-arrest, dientengevolge hebben aangenomen en redelijkerwijs hebben mogen aannemen dat hun huwelijksvermogensregime werd beheerst door een ander recht dan daarop ingevolge de in dat arrest geformuleerde regels van toepassing zou zijn, en hun vermogensrechtelijke voorzieningen op dat recht hebben afgestemd. Aan een beoordeling of de redelijkheid en billijkheid zich ertegen verzetten dat een der echtgenoten, in casu de man, zich na jaren met een beroep op de in het Chelouche/Van Leer-arrest geformuleerde verwijzingsregels op het van toepassing zijn van een ander recht beroept dan waarop partijen hun voorzieningen hebben afgestemd, komt het hof derhalve niet toe.

9. Nu, zoals hiervoor is overwogen, het Iraans huwelijksvermogensrecht van toepassing is, volgt hieruit dat er geen gemeenschappelijk vermogen krachtens huwelijksvermogensrecht tussen partijen bestaat. Het verzoek van de vrouw verdeling dienaangaande te bevelen dient derhalve te worden afgewezen.

10. In hoger beroep is voorts niet gebleken dat er anderszins sprake is van gemeenschappelijk vermogen van partijen, zodat de subsidiaire verzoeken van de vrouw eveneens dienen te worden afgewezen.

11. Nu het appel vergeefs is ingesteld is er geen aanleiding de man te veroordelen in de kosten van het hoger beroep.

12. Mitsdien wordt als volgt beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. van Nievelt, Stille en Husson, bijgestaan door mr. De Witte-Renkema als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 31 januari 2007.