Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:AZ8373

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-01-2007
Datum publicatie
02-03-2007
Zaaknummer
903-D-06
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Alimentatie en winst uit onderneming. In dit geval is sprake van een verklaarbare trendbreuk in het resultaat van de afgelopen jaren. De laatste jaarstukken zijn bepalend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

VGERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 17 januari 2007

Rekestnummer : 903-D-06

Rekestnr. rechtbank : 05-7858

[appellante],

wonende te Sliedrecht,

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. R.Th.R.F. Carli,

tegen

[verweerder],

wonende te Alblasserdam,

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. E.M. van Hilten-Kostense.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 4 juli 2006 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te Dordrecht van 5 april 2006.

De vader heeft op 5 september 2006 een verweerschrift ingediend.

Op 13 oktober 2006 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. J.W. de Ruijter, en de vader, bijgestaan door zijn advocaat mr. F.W. graaf van Hogendorp. Partijen en hun raadslieden hebben het woord gevoerd.

Nadien is, volgens afspraak ter zitting, bij het hof bij brief van 19 oktober 2006 ingekomen het bewijs van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking, waarbij – voor zover in hoger beroep van belang – een kinderalimentatie is bepaald van € 175,- per maand per kind en de alimentatie voor de moeder op nihil, zolang de vader de woonlasten van de echtelijke woning draagt en op € 365,- per maand, nadat de echtelijke woning is verkocht.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep geen grief is gericht.

De echtscheidingsbeschikking is op 22 juni 2006 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de door de vader te betalen alimentatie voor [de kinderen, geboren 1999 en 2002], en de alimentatie voor de moeder.

2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking ten aanzien van de kinder- en partneralimentatie te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat:

- de vader met ingang van 5 april 2006 gehouden is bij te dragen in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen met een bedrag ad € 430,- per maand per kind, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

- de vader met ingang van 5 april 2006 gehouden is bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de moeder met een bedrag ad € 765,- bruto per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen, zolang als de vader de woonlasten van de echtelijke woning draagt;

- de vader, zodra het aandeel van de vader in de echtelijke woning is verkocht, gehouden is bij te dragen in de kosten van levensonderhoud van de moeder met een bedrag ad € 1.778,- bruto per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen.

3. De vader bestrijdt haar beroep.

4. In haar eerste grief stelt de moeder, dat voor het vaststellen van de draagkracht van de vader niet alleen gekeken moet worden naar het bedrijfsresultaat in 2005, maar ook naar het bedrijfsresultaat in 2003 en 2004. De rechtbank heeft ten onrechte overwogen, dat de moeder zou hebben aangegeven dat voor het vaststellen van de draagkracht alleen naar het bedrijfsresultaat in 2005 gekeken zou moeten worden.

5. In haar tweede grief stelt de moeder, dat de rechtbank ten onrechte de in 2005 door de vader gedane bedrijfsuitbreiding voor heeft laten gaan op de alimentatieverplichting. Daartoe stelt zij het volgende. In 2005, het jaar waarin de echtscheidingsprocedure is gestart, heeft zich een opvallende trendbreuk voorgedaan. In de eerste vier maanden genereerde het bedrijf van de vader evenveel omzet als in de daaropvolgende acht maanden. De kosten zijn onevenredig opgelopen. Niet gebleken is dat 2005 voor de branche een slecht jaar was. De moeder meent dat de vader dan ook bewust de cijfers heeft beïnvloed om zijn alimentatieverplichting zo laag mogelijk te doen zijn. Weliswaar stelt de vader dat een en ander is veroorzaakt door de pilotprojecten die hij is gestart, maar hij heeft niets van die pilotprojecten laten zien, hij heeft niet aangetoond wat het belang van de projecten is en wat de gevolgen ervan nu exact zijn, en er is niet eerder sprake geweest van dergelijke projecten. Zo de projecten al zijn gestart, kunnen ze niet worden gerekend tot het aanvaardbaar ondernemersrisico welke de vader in het kader van de alimentatieverplichtingen in redelijkheid heeft kunnen maken. Nu ook niet vaststaat dat de investeringen de draagkracht in de toekomst zullen verhogen, meent de moeder dat uitgegaan moet worden van de genormaliseerde winst in 2005, zonder de investeringen.

De omzet in 2005 moet worden bepaald aan de hand van het resultaat van de eerste vier maanden van dat jaar. Primair moet dan voor de draagkrachtberekening uitgegaan worden van een bedrijfsresultaat over 2005 van € 103.456,-. Subsidiair meent de moeder, dat uitgegaan moet worden van het resultaat in 2004 vermeerderd met een omzetstijging van 18,29%, zijnde de gemiddelde toename van het resultaat over de jaren 2002 – 2004. Hieruit volgt dat zou moeten worden uitgegaan van een bedrijfsresultaat in 2005 van € 82.061,-. De moeder heeft een viertal draagkrachtberekeningen gemaakt: uitgaande van € 103.456,- dan wel € 82.061,-, en voor en na verkoop van de echtelijke woning. Daaruit volgt dat de vader de gevraagde kinder- en partneralimentatie kan betalen, aldus de moeder.

6. De vader heeft de stellingen van de moeder gemotiveerd betwist. Volgens de vader heeft de moeder er bij de rechtbank wel degelijk mee ingestemd de draagkracht te bepalen uitsluitend aan de hand van het bedrijfsresultaat in 2005. Het ging met het bedrijf in 2005 onder invloed van een teruglopende markt minder goed en de vader moest naar andere wegen zoeken om het bedrijf aan de gang te houden. Naast een verandering van werkwijze is de vader met een jachtontwerper in zee gegaan en heeft voor een prototype jacht de techniek verzorgd, waarvoor hij extra mensen heeft moeten aantrekken, die nu in vaste dienst zijn. Dit heeft de kosten sterk doen stijgen. Het resultaat in 2006 zal gelijk zijn aan dat in 2005, dus de lagere trend zet zich door. Het prototype is nog niet verkocht en het zal sowieso even duren voordat het nieuwe type een plaats op de markt zal hebben veroverd. Desgevraagd heeft de vader ter terechtzitting verklaard, dat de post ‘overige privé-uitgaven’ in het overzicht privé-stortingen en –onttrekkingen in 2005 ziet op de privé-opnamen voor alimentatie en voor de woonlasten en dat hij aan het potverteren is.

7. Het hof overweegt het volgende. Vaststaat dat met ingang van 2005 het door de onderneming van de vader behaalde resultaat drastisch is afgenomen. De vader heeft daarvoor een aannemelijke verklaring gegeven. Vanwege deze trendbreuk en het feit dat de vader onweersproken heeft gesteld dat het resultaat in 2006 vergelijkbaar is met dat in 2005, is het naar het oordeel van het hof niet redelijk om het resultaat in 2003 en 2004 mede als uitgangspunt voor het inkomen van de vader te nemen of om van een ander dan het werkelijke resultaat in 2005 uit te gaan. De grieven van de moeder falen.

8. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Pannekoek-Dubois, Labohm en Ydema, bijgestaan door mr. Martens als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 januari 2007.