Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:AZ8368

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
17-01-2007
Datum publicatie
16-02-2007
Zaaknummer
597-R-06
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen behoefte bij de alimentatiegerechtigde. Capaciteit om inkomen te verwerven ten onrechte niet benut. Geen alimentatie.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 157
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2007, 36
JPF 2007/80
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 17 januari 2007

Rekestnummer. : 597-R-06

Rekestnr. rechtbank : F1 RK 05-2414

[appellant],

wonende te Zoutkamp,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt,

tegen

[verweerster],

wonende te Spijkenisse,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 1 mei 2006 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te Rotterdam van 2 maart 2006.

De vrouw heeft geen verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 16 mei 2006 (tweemaal), 29 juni 2006 en 8 december 2006 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 13 december 2006 pleitnotities met producties ingekomen.

Op 20 december 2006 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat, mr. R.M.A. Arnoldus, en namens de vrouw, haar advocaat, mr. R.E. Gout de Kreek. De vrouw is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet in persoon verschenen. De man, zijn advocaat en de advocaat van de vrouw hebben het woord gevoerd.

VASTSTAANDE FEITEN EN HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking van de rechtbank te Rotterdam, waarbij de door de man te betalen alimentatie – met wijziging van de door die rechtbank op 1 juni 1995 vastgestelde alimentatie van f 1.900,- (€ 862,18) per maand – -- is bepaald op € 468,- per maand met ingang van 1 oktober 2005.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn ten aanzien van de alimentatie voor de vrouw, de behoefte van de vrouw en de draagkracht van de man.

2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, - uitvoerbaar bij voorraad - de door de man aan de vrouw te betalen alimentatie met ingang van 1 oktober 2005, dan wel met ingang van een door het hof te bepalen datum, vast te stellen op nihil, dan wel met ingang van 1 oktober 2005 vast te stellen op een door het hof te bepalen bedrag, met bepaling van een afbouwende schaal naar nul en bepaling van een termijn waartegen de alimentatie op nihil zal kunnen worden vastgesteld.

3. De vrouw bestrijdt zijn beroep.

4. De behoefte van de vrouw.

De man heeft in zijn beroepschrift zeven grieven aangevoerd, welke ertoe moeten leiden dat de partneralimentatie met ingang van 1 oktober 2005 op nihil wordt gesteld. De verst strekkende grief betreft de stelling van de man dat de rechtbank ten onrechte onvoldoende rekening heeft gehouden met het feit dat van de vrouw redelijkerwijs verwacht kan worden dat zij zelfstandig in de kosten van haar levensonderhoud kan voorzien. De man meent primair dat zijdens de vrouw de behoefte aan partneralimentatie ontbreekt dan wel lager is dan € 468,- per maand.

5. Mr. Gout de Kreek, de advocaat van de vrouw, heeft ter zitting alsnog een behoefteberekening (zijnde de ontbrekende productie 6 bij zijn pleitnotities) zijdens de vrouw overgelegd, waaruit volgens hem een behoefte blijkt van € 492,- per maand, zodat de bestreden beschikking volgens hem dient te worden bekrachtigd. Het hof neemt deze berekening als uitgangspunt bij de bepaling van de behoefte van de vrouw.

6. De vrouw meent - kort gezegd - dat zij voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat haar gezondheid uitbreiding van haar werkzame uren niet toelaat. Ter adstructie heeft zij een verklaring tot afzien van ambulancevervoer en een bijsluiter van een geneesmiddel tegen duizeligheid overgelegd. Zij meent dat van haar niet gevergd kan worden dat zij een doktersverklaring of doktersrecept overlegt.

7. Het hof overweegt als volgt. Van de vrouw mag verwacht worden dat zij alles in het werk zal stellen om ervoor te zorgen dat zij een gepaste baan vindt waaruit zij eigen inkomsten ontvangt en waarmee zij, zo niet geheel dan toch wel grotendeels, in eigen levensonderhoud kan voorzien. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij daartoe niet in staat is. De enkele door haar overgelegde verklaring tot afzien van ambulancevervoer en een bijsluiter van een geneesmiddel tegen duizeligheid, alsmede de enkele mededeling ter zitting dat de vrouw van haar huisarts niet meer mag werken acht het hof onvoldoende om te concluderen dat zij haar werkzame uren niet kan uitbreiden. Ten aanzien van haar verdiencapaciteit is het hof verder gebleken dat de vrouw, overeenkomstig de verklaring van de raadsman van de vrouw ter zitting, in de jaren voorafgaand aan haar inschrijving bij het CWI op 10 november 2005, niet heeft gesolliciteerd. Van de vrouw redelijkerwijs te verlangen activiteiten met betrekking tot het vinden van een baan in die periode is het hof derhalve niet gebleken. De raadsman van de vrouw heeft ter zitting verklaard geen verdere inlichtingen met betrekking tot de verdiencapaciteit van de vrouw te kunnen verstrekken, noch deugdelijke bewijzen over te kunnen leggen.

8. Bij de bepaling van de behoefte van de vrouw is het hof verder van oordeel dat de vrouw niet aannemelijk heeft gemaakt dat haar thuiswonende zoon niet substantieel kan bijdragen in de kosten van de huishouding, welke omstandigheid van invloed is op de behoefte van de vrouw. Ter zitting is onweersproken verklaard dat de zoon, 28 jaar oud, na zijn schooltijd heeft gewerkt als administratief medewerker. De zoon is hartpatiënt, doch niet gebleken is dat hij daardoor niet kan werken, althans niet in staat is in zijn eigen levensonderhoud te voorzien. Desgevraagd heeft de raadsman van de vrouw ter zitting verklaard geen verdere gegevens te kunnen verstrekken. Het hof acht het in de gegeven omstandigheden derhalve redelijk om met een fictieve vergoeding van de zoon aan de moeder ten bedrage van € 500,- per maand rekening te houden.

9. Uit het bovenstaande volgt dat naar ’s hofs oordeel de vrouw geen behoefte heeft aan aanvullende alimentatie zijdens de man. Daar waar de man verwijt dat de rechtbank geen rekening heeft gehouden met een ontoereikende draagkracht van de man in de periode van vóór 30 september 2005, slaagt die grief niet, nu de man in zijn verzoekschrift van 1 oktober 2005 en in zijn appelschrift van 1 mei 2006 verzoekt de partneralimentatie opnieuw vast te stellen per 1 oktober 2005. Een overzicht van de periode van 1999 tot en met 2005 doet daaraan niet af. De overige grieven van de man behoeven, gelet op het ontbreken van behoefte bij de vrouw, geen bespreking meer.

10. Omdat aannemelijk is dat de vrouw het eventueel teveel door de man betaalde zal hebben aangewend voor het levensonderhoud, zal zij niet belast worden met een terugbetalingsverplichting.

11. Mitsdien moet beslist worden als volgt.

BESLISSING

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en opnieuw beschikkende:

bepaalt - met dienovereenkomstige wijziging van de beschikking van 1 juni 1995 van de rechtbank te Rotterdam - de alimentatie voor de vrouw ten laste van de man, met ingang van 1 oktober 2005 op nihil;

bepaalt dat de vrouw de eventueel teveel door de man aan haar betaalde alimentatie niet aan de man behoeft terug te betalen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Husson, van Nievelt en Stille, bijgestaan door Lekahena als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 januari 2007.