Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:AZ8340

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
08-02-2007
Datum publicatie
13-02-2007
Zaaknummer
05/342
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Executoriale verkoop.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE, eerste civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van:

B.V. MAVRO HANDELSONDERNEMING,

gevestigd te Loon op Zand,

appellante,

hierna te noemen: Mavro,

procureur: mr. H.J.A. Knijff,

tegen

DE ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST RIJNMOND/KANTOOR ROTTERDAM (voorheen: de Ontvanger van de Belastingdienst/Ondernemingen Rotterdam 2),

mede kantoor houdende te Rotterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Ontvanger,

procureur: mr. M.H. Boer.

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 23 februari 2005 is Mavro in hoger beroep gekomen van het vonnis van 24 november 2004, door de rechtbank te Rotterdam gewezen tussen partijen. Bij memorie van grieven (met producties) heeft Mavro zestien grieven tegen het vonnis aangevoerd, welke door de Ontvanger bij memorie van antwoord zijn bestreden. Op 4 december hebben partijen de zaak voor het hof doen bepleiten, Mavro door mr. P.J.C.D. van Dijk, advocaat te Tilburg, en de Ontvanger door zijn procureur, beiden aan de hand van aan het hof overgelegde pleitnotities. Ten slotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het gaat in deze zaak om het volgende. Op 17 september 1992 heeft in Rotterdam een executoriale verkoop door de Ontvanger plaatsgevonden van een partij in beslag genomen lingerie (verder: de partij). De advertentie waarin de verkoop van de partij werd aangekondigd, vermeldde onder meer:

“Executie verkoop

Te koop wordt aangeboden: een grote partij luxe lingerie.

De zaken zijn te bezichtigen op donderdag 17 september 1992 van 10.00 tot 11.00 op de plaats van verkoop. Alleen contante betaling. Geen opgeld!”

De partij was in een groot aantal dozen verpakt. Van iedere soort lingerie was één doos geopend. Op de voor de potentiële kopers beschikbare kavellijsten stonden de aantallen per doos vermeld. Namens Mavro was haar [directeur] aanwezig bij de bezichtiging en de veiling. Tijdens de bezichtiging heeft [directeur] een aantal toezichthoudende belastingdeurwaarders gesproken en heeft hij de met de veiling belaste belastingdeurwaarder Van der Graaf gevraagd uit hoeveel stuks de partij bestond. Van der Graaf heeft daarop geantwoord dat hij geen aantallen kon noemen en dat hij één partij verkocht, waarvan de inkoopwaarde meer dan ƒ 1.000.000,- bedroeg. Op de veiling waren Algemene Verkoopvoorwaarden van toepassing; deze luidden, voor zover van belang:

“De verkoop zal plaats hebben voetstoots aan de meest biedende en zonder dat enig opgeld zal worden berekend; ik behoud mij het recht voor om van de bieder de directe deponering van zijn bod te vorderen en bij weigering om daaraan te voldoen zijn bod niet aan te nemen en dien ten gevolge gedurende de hele veiling niet meer als bieder toe te laten; …. ; de koopprijs moet in gangbare nederlandse betaalmiddelen in handen van mij belastingdeurwaarder worden voldaan, voordat enig verkocht of toegewezen zal mogen worden vervoerd, bij gebreke waarvan het verkochte opnieuw zal worden verkocht, ten laste van hem aan wie het is toegewezen, één en ander overeenkomstig de daaromtrent bestaande bepalingen.”.

Belastingdeurwaarder Van der Graaf was belast met de leiding over de executoriale verkoop. Als toezichthoudende belastingdeurwaarders waren ter plaatse Van Eijnsbergen, Van der Lee, De Boer, Lommers, Schreurs en Zaandam. [directeur] was op de hoogte van deze rolverdeling tussen de aanwezige deurwaarders. Mavro heeft als meestbiedende de partij lingerie gekocht voor ƒ 401.000,-, inclusief BTW. Na afloop van de veiling heeft [directeur] tegenover een of meer belastingdeurwaarders gezegd dat hij hoopte dat de partij uit ongeveer 200.000 stuks bestond. Daarop hebben de toezichthoudende belastingdeurwaarders Lommers en Schreurs aan de hand van de beslaglijst een totaaltelling gemaakt. Daarbij kwamen zij uit op ongeveer 98.000 stuks; zij hebben hun bevinding vervolgens niet aan [directeur] medegedeeld. Uiteindelijk bleek de partij uit ongeveer 100.000 stuks te bestaan.

2. Mavro heeft bij de rechtbank gevorderd dat deze de Ontvanger zou veroordelen aan haar € 426.286,22 te betalen, met rente en kosten. De rechtbank heeft de vordering afgewezen.

3. De eerste grief strekt er uitsluitend toe het geschil in volle omvang aan het oordeel van het hof te onderwerpen en bevat geen concrete bezwaren tegen het vonnis van de rechtbank.

4. Het hof stelt voorop dat de partij in een executoriale verkoop is geveild. Ingevolge artikel 7:19, eerste lid, BW kan de koper zich er daarbij niet op beroepen dat de zaak behept is met een last of een beperking die er niet op had mogen rusten, of dat deze niet aan de overeenkomst beantwoordt, tenzij de verkoper dat wist.

5. De tweede grief keert zich tegen de overweging van de rechtbank dat uit het proces-verbaal van beslaglegging blijkt dat geen totaaltelling van het aantal in beslag genomen stuks is gemaakt. Ook de achtste en negende grief strekken ten betoge dat de veilende deurwaarder wel degelijk het totaal aantal in beslag genomen stuks lingerie kende, op grond van het proces-verbaal van beslag, door de beslagene aan de beslaglegger ter beschikking gestelde computergegevens, kavellijsten en de door Van der Graaf bij de rechter-commissaris overgelegde verklaringen. De tiende en elfde grief strekken in samenhang met wat onder de negende grief is aangevoerd, ten betoge dat de Ontvanger voorafgaand aan de veiling een totaaltelling van de partij had moeten maken, met name omdat hij wist dat [directeur] belangstelling had voor het totale aantal stuks. Deze grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

6. De tweede grief is in zoverre gegrond, dat op grond van de inhoud van dat proces-verbaal slechts kan worden geconstateerd dat het geen totaaltelling bevat van het aantal stuks lingerie. Dit kan Mavro echter niet baten, nu Mavro er niet in is geslaagd te bewijzen dat voorafgaand aan de veiling aan de Ontvanger of onder zijn verantwoordelijkheid opererende personen op enigerlei wijze het totaal aantal stuks lingerie bekend was. Tot dat bewijs kunnen in elk geval op zichzelf niet dienen de stellingen van Mavro in de processtukken. Deze stellingen zijn door de ontvanger gemotiveerd betwist en in eerste aanleg en in hoger beroep door Mavro onvoldoende met feiten en omstandigheden onderbouwd. Dat de voormalige eigenaar van de partij computerlijsten met een totaaltelling aan de ontvanger heeft gegeven, is niet met bewijsstukken dan wel een (specifiek) bewijsaanbod onderbouwd. Dat deurwaarders totalen zouden hebben genoemd, bewijst niet dat de Ontvanger of personen waarvoor hij verantwoordelijk was, van het totaal aantal stuks op de hoogte was/waren. Ter zake van de wetenschap bij de Ontvanger van de inkoopwaarde heeft deze een duidelijke verklaring afgegeven, te weten dat hij dit had vernomen van de bedrijfsleider van de belastingschuldige; daartegen heeft Mavro onvoldoende ingebracht. Voor zover Mavro zich beroept op de door Van der Graaf bij de rechter-commissaris afgelegde verklaring dat in het proces-verbaal van beslag het totaal aantal stuks was vermeld, moet na kennisneming van dat proces-verbaal worden geconstateerd dat Van der Graaf zich vergist heeft. Op grond van het bovenstaande is het hof van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de Ontvanger voorafgaand aan of tijdens de veiling op de hoogte was van het totale aantal te verkopen stuks lingerie. Dat de Ontvanger een totaaltelling had moeten maken stuit af op artikel 7:19, eerste lid, BW; ingevolge die bepaling behoefden de Ontvanger en de onder zijn verantwoordelijkheid werkzame personen slechts gegevens te verschaffen voor zover deze aan hen bekend waren en hoefden zij, ook toen aan hen duidelijk werd dat [directeur] voor het totale aantal belangstelling had, voorafgaand aan de veiling geen totaaltelling te maken. Derhalve leiden de tweede, achtste, negende, tiende en elfde grief niet tot resultaat.

7. De derde grief klaagt erover dat de rechtbank als vaststaand heeft aangenomen dat deurwaarder Scheurs een bod van ƒ 400.000,- op de partij lingerie heeft uitgebracht. De twaalfde grief keert zich tegen de overweging van de rechtbank dat onweersproken is dat Scheurs een bod heeft uitgebracht. De dertiende grief valt de overweging van de rechtbank aan dat Mavro niet heeft gesteld op grond waarvan de Ontvanger niet tot delegatie bevoegd zou zijn. Mavro stelt dat niet de Ontvanger, maar de veilende deurwaarder Van der Graaf de opdracht een bod te doen aan Schreurs heeft gegeven en dat Van der Graaf daartoe niet bevoegd was. Het hof zal deze grieven gezamenlijk behandelen.

8. Bij conclusie van antwoord heeft de Ontvanger uiteengezet hoe het bod van Schreurs tot stand is gekomen. Hij heeft aangevoerd dat voorafgaand aan de veiling bij de belastingdienst een verkoopbespreking is gehouden, dat daarbij is overeengekomen dat de partij niet voor minder dan ƒ 400.000,- zou worden verkocht en dat ter veiling Scheurs vervolgens als rijksbieder heeft ingezet op ƒ 400.000,-. Mavro heeft dat bij conclusie van repliek betwist en gesteld dat uit de verklaringen van de deurwaarders bij de rechter-commissaris blijkt dat er geen vergadering is geweest voor de verkoping. De inhoud van die verklaringen, zoals te lezen in de processen-verbaal die als producties 3 tot en met 6 bij de dagvaarding in eerste aanleg zijn overgelegd, kan echter deze stelling niet dragen: geen van de gehoorde deurwaarders verklaart dat een verkoopbespreking als hier bedoeld niet heeft plaatsgevonden, en ook overigens blijkt dat niet uit die processen-verbaal. Bij gebreke van ander bewijs (als hoedanig wederom op zichzelf niet kunnen dienen citaten uit conclusies zijdens Mavro) en van een specifiek bewijsaanbod van Mavro op dit punt zal het hof uitgaan van de gang van zaken zoals van de zijde van de Ontvanger beschreven. De stelling van Mavro dat geen bod door de rijksbieder is uitgebracht, is er uitsluitend op gebaseerd dat het door rijksdeurwaarder Schreurs uitgebrachte bod niet rechtsgeldig is. Dat Schreurs een bod heeft uitgebracht is onvoldoende gemotiveerd betwist, zodat het hof daarvan zal uitgaan. Ter zake van de bevoegdheid van Schreurs om als rijksbieder dit bod uit te brengen overweegt het hof als volgt. Ingevolge de Leidraad Invordering 1990 (verder: de Leidraad) is met betrekking tot de uitvoering van artikel 14, tweede lid, van de Invorderingswet onder punt 25 als beleidsregel vastgesteld dat, om een zo hoog mogelijke opbrengst te verkrijgen, de ontvanger een andere dan de met de verkoop belaste belastingdeurwaarder kan opdragen voor rekening van het Rijk te bieden (de rijksbieder), en dat de ontvanger deze belastingdeurwaarder zo nodig nadere aanwijzingen geeft. De Leidraad geeft geen regels over de wijze waarop deze opdracht en deze nadere aanwijzingen tot stand komen; andere wettelijke regels terzake zijn er evenmin. Gelet hierop is het aan de Belastingdienst om de besluitvorming ter zake van de aanwijzing van een rijksbieder en de totstandkoming van een bod van zijn kant te bepalen; daarbij is delegatie door de ontvanger zowel van het aanwijzen van als het geven van aanwijzingen aan de rijksbieder niet uitgesloten. Mavro heeft gesteld dat delegatie door de Ontvanger niet heeft plaatsgevonden, maar zij heeft, hoewel de bewijslast van haar stelling dat een bod is uitgebracht zonder (geldige) delegatie op haar rust, daartoe geen bewijs bijgebracht en geen voldoende gespecificeerd bewijsaanbod gedaan. Dat zij tot bewijslevering niet in staat is leidt, behoudens bijzondere omstandigheden die zijn gesteld noch gebleken, niet tot omkering van de bewijslast. De grieven falen.

9. De vierde grief is gericht tegen de overweging van de rechtbank, zakelijk inhoudende dat de koopovereenkomst reeds was tot stand gekomen op het moment dat [directeur] de hoop uitsprak dat de partij ongeveer 200.000 stuks zou betreffen. Mavo stelt dat de koopovereenkomst nog niet was gesloten, omdat zijn bod was aanvaard onder opschortende voorwaarde van betaling. De Ontvanger betwist dat.

10. Het hof overweegt als volgt. Ingevolge de Algemene Verkoop-voorwaarden komt de koopovereenkomst tot stand doordat de veilende deurwaarder het hoogst gedane bod aanvaardt. Dat zou alleen anders kunnen zijn indien de veilende deurwaarder vervolgens van de bieder directe deponering van zijn bod vordert. Niet is gesteld of gebleken dat de veilende deurwaarder dat jegens Mavro heeft gedaan. Derhalve is de koopovereenkomst tot stand gekomen voordat [directeur] zijn bovenomschreven hoop had uitgesproken. De grief faalt.

11. De vijfde grief klaagt erover dat de rechtbank heeft overwogen dat de Ontvanger tegen de primaire grondslag van de vordering van Mavro verweer heeft gevoerd. In haar zesde grief kant Mavro zich tegen de constatering van de rechtbank dat niet valt in te zien waarom de Ontvanger zich bij dupliek niet nader zou mogen verweren tegen die primaire grondslag. De zevende grief bestrijdt de overweging van de rechtbank dat Mavro mogelijk een beroep op dwaling of bedrog wenst te doen. Bij behandeling van deze grieven heeft Mavro geen belang, ter zake van de vijfde en zesde grief niet omdat, nu niet is gesteld of gebleken dat de ontvanger uitdrukkelijk afstand heeft gedaan van dit verweer, het de Ontvanger in hoger beroep vrijstaat dit verweer alsnog te voeren; ter zake van de zevende grief niet omdat, ook al zou de grief slagen, dit voor het oordeel van het hof over de vordering van Mavro geen verschil maakt, nu Mavro zich in hoger beroep niet op dwaling of bedrog heeft beroepen.

12. De veertiende grief strekt in de eerste plaats tot herhaling van de stelling van Mavro dat de Ontvanger voor de veiling het totale aantal stuks kende. Het hof verwijst voor zijn oordeel terzake naar rechtsoverweging 6. In de tweede plaats houdt deze grief een herhaling in van de stelling dat de overeenkomst pas na de aanvaarde betaling tot stand is gekomen. Over het tijdstip waarop de koopovereenkomst tot stand is gekomen heeft het hof in rechtsoverweging 10 een oordeel gegeven; daarnaar zij verwezen. Ten derde wordt naar voren gebracht dat er geen echt bod van de rijksbieder was, waardoor de prijs onrechtmatig werd opgedreven. Ter zake van de geldigheid van het door Schreurs uitgebrachte bod verwijst het hof naar hetgeen het daarover in rechtsoverweging 8 heeft overwogen. Voor zover de grief beoogt te stellen dat de Ontvanger onrechtmatig heeft gehandeld doordat een of meer toezichthoudende deurwaarders voorafgaand aan de veiling veel te hoge aantallen heeft/hebben genoemd, overweegt het hof als volgt. De Ontvanger heeft betwist dat welke belastingdeurwaarder dan ook voorafgaand aan de veiling een totaal aantal stuks heeft genoemd. [directeur] heeft verklaard dat enkele aanwezige belastingdeurwaarders getallen hebben genoemd en dat ze allemaal gezegd hebben dat ze het niet zeker wisten. Hij heeft verder verklaard dat een belastingdeurwaarder een aantal van 150.000 genoemd heeft en een andere 180.000, dat ook 200.000 stuks is genoemd, dat gezegd is dat hij zich geen zorgen hoefde te maken, alsmede dat voor de aanvang van de verkoop Van der Graaf heeft gezegd dat hij geen getal kon noemen. Geen van de in het voorlopig getuigenverhoor gehoorde belastingdeurwaarders heeft verklaard dat hij of zij een bepaald aantal aan [directeur] heeft genoemd; twee van hen hebben verklaard dat zij naderhand een derde belastingdeurwaarder (Van Eijnsbergen) hebben horen zeggen dat deze tegenover een potentiële koper een aantal van 200.000 had genoemd, maar niet tegen welke potentiële koper dat was. Van Eijnsbergen zelf heeft betwist dat hij een aantal van 200.000 zou hebben genoemd. Gelet op deze verklaringen, in het bijzonder die van [directeur], is het hof van oordeel dat van de zijde van de Ontvanger over het totale aantal stuks niet zodanige eenduidige en stellige uitspraken zijn gedaan dat Mavro erop mocht vertrouwen dat het aantal veel groter was dan het uiteindelijk gekochte aantal. Met betrekking tot de beweerde onrechtmatige prijsopdrijving overweegt het hof dat geen rechtsregel eraan in de weg staat dat de ontvanger zelf, door tussenkomst van de rijksbieder, meebiedt tijdens een openbare verkoping en, zoals de Ontvanger ter zitting onbestreden heeft medegedeeld, de geveilde zaken in eigendom verwerft als zijn bod het hoogste is. De veertiende grief faalt.

13. In de zestiende grief klaagt Mavro erover dat de rechtbank haar bewijsaanbod heeft gepasseerd. Zij biedt in hoger beroep wederom aan de partner van [directeur] en alle betrokkenen, waaronder een aantal met name genoemde en de reeds gehoorde personen, als getuigen te horen. Wat er ook zij van de verwerping van het bewijsaanbod in eerste aanleg, het in hoger beroep gedane bewijsaanbod, waaruit niet valt af te leiden welke stellingen Mavro zou willen bewijzen, is zodanig algemeen dat het hof, de zaak in volle omvang beoordelende, dit bewijsaanbod passeert.

14. Gelet op hetgeen hierboven is overwogen is het hof van oordeel dat niet is komen vast te staan dat de Ontvanger is tekort geschoten in zijn verplichtingen als verkoper of dat hij anderszins onrechtmatig jegens Mavro heeft gehandeld. Derhalve komt het hof evenmin als de rechtbank toe aan een beoordeling van de gevorderde schade. Dit brengt met zich dat ook de vijftiende grief niet tot resultaat leidt.

15. Bij het voorgaande komt nog dit. Mavro vordert vergoeding van haar positieve contractsbelang. Zij baseert haar vordering echter op de stelling dat namens de Ontvanger in de fase, voorafgaand aan de totstandkoming van de koopovereenkomst, onware mededelingen zouden zijn gedaan dan wel onrechtmatige prijsopdrijving zou hebben plaatsgevonden. Die stellingen zouden slechts tot het oordeel kunnen leiden dat jegens Mavro onrechtmatig is gehandeld, in welk geval slechts het negatief contractsbelang voor vergoeding in aanmerking komt. Voor een dergelijke vergoeding is in dit geval echter hoe dan ook geen aanleiding, nu Mavro niet heeft betwist dat zij de partij lingerie heeft verkocht voor een (aanmerkelijk) hoger bedrag dan waarvoor zij deze op de veiling had gekocht. Ook om deze, zelfstandige, reden kan de vordering van Mavro niet slagen.

16. Nu alle grieven falen, zal het hof het vonnis waarvan beroep bekrachtigen. Mavro zal als de in het ongelijk te stellen partij de kosten van de Ontvanger in het hoger beroep moeten dragen.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis waarvan beroep;

- veroordeelt Mavro in de kosten van het hoger beroep, aan de zijde van de Ontvanger tot op deze uitspraak begroot op € 5.731,- aan verschotten en € 11.685,- aan salaris voor de procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. S.A. Boele, A.V. van den Berg en R. Samkalden en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 8 februari 2007 in aanwezigheid van de griffier.