Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:AZ7734

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-01-2007
Datum publicatie
06-02-2007
Zaaknummer
C 2004 - 1119
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanvaring boei bij Woudrichem. Akte van Mannheim en de bevoegdheid v.d. Rijnvaartrechter bij Gorinchem.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2009, 27
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 30 januari 2007

Rolnummer: 04/1119

Rolnr. rechtbank: 02/1214

HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE, tweede civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

de STAAT DER NEDERLANDEN,

Ministerie van Verkeer en Waterstaat,

zetelend te ‘s-Gravenhage,

appellant, tevens geïntimeerde in incidenteel appel,

hierna te noemen: de Staat,

procureur/advocaat: mr. C.J.A. van Roon-Seinen

tegen

[Geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

geïntimeerde, tevens appellante in incidenteel appel,

hierna te noemen: [geïntimeerde],

procureur: H.J.A. Knijff,

advocaten: mrs. P.A. den Haan en E. Peeters.

Het geding

De Staat is bij exploot van 29 juni 2004 in hoger beroep gekomen van de door de Rechtbank ‘s-Gravenhage tussen partijen gewezen vonnissen van 14 mei 2003 en 31 maart 2004. Bij memorie van grieven heeft de Staat drie grieven tegen het laatste vonnis aangevoerd, welke grieven door [geïntimeerde] bij memorie van antwoord zijn bestreden. Op haar beurt heeft [geïntimeerde] in incidenteel appel eveneens drie grieven aangevoerd. Die zijn weer door de Staat bestreden, bij memorie van antwoord in het incidenteel appel. Na vervolgens nog een akte van [geïntimeerde] hebben partijen hun dossiers overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De hoofdvraag in dit geding is of het aan [geïntimeerde] toebehorende motorvrachtschip Limes tegen een groene solarboei van de Staat is gevaren.

2. Die solarboei, nummer B05, lag in de Boven Merwede bij Woudrichem ter hoogte van kilometerraai 953.200 (op de locatie waar normaal boei B07 ligt). Vlakbij, aan wal, is de camping “Mosterdpot” en enkele daar aanwezigen hebben de aanvaring gezien en gehoord, op 25 augustus 1999 omstreeks 14.00 uur, bij helder en onbewolkt weer. [Geïntimeerde] echter ontkent en bestrijdt ook de omvang van de door de Staat in deze procedure gevorderde reparatiekosten. Maar in de eerste plaats voert zij het verweer dat de Rijnvaartrechter exclusief bevoegd is ten aanzien van het onderhavige geschil.

3. Die bevoegdheid van de Rijnvaartrechter strekt zich volgens haar uit over de (conventionele) Rijn tot en met Gorinchem. En omdat de gemeente Woudrichem, waarbinnen de aanvaring zich zou hebben afgespeeld, bovenstrooms van Gorinchem ligt, is haars inziens de Haagse rechtbank onbevoegd en de Rijnvaartrechter te Breda of - als daar geen Rijnvaartrechter is - die te Dordrecht exclusief bevoegd. Om haar verweer kracht bij te zetten stelt zij dat telefonisch ingewonnen inlichtingen bij mr. X haar standpunt bevestigen dat het hier een Rijnvaartzaak betreft.

4. Nu is dat natuurlijk een gezaghebbende bron, waar [geïntimeerde] zich op beroept, maar omdat niet enigszins nauwkeurig is aangegeven welke vraagstelling aan dhr. Haak is voorgelegd en evenmin inzichtelijk is gemaakt waar diens telefonisch kenbaar gemaakte opvatting op berust, kan het hof hier niet zo veel mee. Daarom wordt als uitgangspunt genomen de in rechtspraak en literatuur meermalen bevestigde regel dat de (exclusieve) bevoegdheid van de Rijnvaartrechter beperkt is tot de zgn. “conventionele Rijn”, waaronder ingevolge art. 1 lid 3 van de Akte van Mannheim tevens de Lek en de Waal zijn begrepen. De Boven Merwede, waar Gorinchem en Woudrichem aan liggen, wordt in dat verband niet genoemd, terwijl toch ook die rivier een lange historie kent, aanvankelijk onder de naam Merwede. De loop van deze rivier vangt aan ter hoogte van het uit de 14e eeuw daterende Slot Loevestein, daar waar Maas en Waal vroeger samenkwamen. Het is de benedenloop van de Waal en wordt door de Kamer van Beroep van de Centrale Commissie voor de Rijnvaart in de door de Staat aangehaalde uitspraak van 6 mei 1991, S&S 1991, 140 aangeduid als uitmonding van de Rijn, terwijl in die uitspraak met Rijn de conventionele Rijn is bedoeld, dus Rijn, Lek en Waal. Ook het Rijnvaartpolitiereglement 1995 is in Nederland enkel van toepassing op de conventionele Rijn en niet op haar (verdere) uitmondingen. Stroomafwaarts naar Gorinchem loopt het werkingsgebied tot km-raai 952,500 (zie bijv. 9.09 RPR en andere bepalingen in dat reglement waarin telkens achter Gorinchem deze km-raai is vermeld). De boei waar het in deze procedure over gaat ligt voorbij die grens, te weten bij km-raai 953.200. Ter plaatse geldt niet het Rijnvaart-, maar het Binnenvaartpolitiereglement. De opvatting van [geïntimeerde] zou er dus toe leiden dat de Rijnvaartrechter moet oordelen of en zo ja welke veiligheidsvoorschriften van dat Binnenvaartpolitiereglement zijn overtreden. Dat is minder voor de hand liggend. In aanmerking nemende voorts dat het Rijnvaartpolitiereglement door de Centrale Commissie voor de Rijnvaart is vastgesteld (bij resolutie van 1 december 1993 – protocol 1993-II-19) bestaat ook om die reden onvoldoende aanleiding om uit te gaan van exclusieve bevoegdheid van de Rijnvaartrechter voorbij de in dat reglement aangegeven grens (km-raai 952,500). Dat eertijds, bij de verdragsluiting, op aandringen van de Nederlandse regering is besloten om de Rijnvaartakte in beginsel niet te laten gelden op de riviergedeelten van Krimpen en Gorinchem naar de zee - waar de getijdenwisseling van de zee merkbaar was - maakt dit niet anders. Kennelijk is daarbij, wat de Gorcumse grens betreft, aan het einde van de Waal gedacht en is deze (nader) gelocaliseerd bij km-raai 952,500, waar Afgedamde Maas en Waal elkaar ontmoeten.

5. Omdat met betrekking tot het materiële geschil toch nog

geen eindbeslissing kan worden gegeven zal het hof [geïntimeerde] in staat stellen om te reageren op het voorgaande en om haar andersluidende standpunt aan de hand van bronnenonderzoek nader te onderbouwen. Daarbij dient dan tevens te worden ingegaan op de achtergrond van de keuze voor km-raai 952,500 als aanduiding voor het einde van het traject naar Gorinchem.

6. In de toelichting op grief 1 in het incidenteel appel heeft [geïntimeerde] haar bevoegdheidsverweer overigens nog uitgebreid met de stelling dat ook op grond van de EEX-Vo de Haagse rechter (relatief) onbevoegd is. Als Nederlandse rechter zou ex art. 5 lid 3 van de verordening slechts de rechter te Breda bevoegd zijn, te weten als rechter van de plaats waar het schadetoebrengende feit zich heeft voorgedaan. Dit verweer is echter tardief, aangezien in de eerste aanleg geen aan de jurisdictieregels van de EEX-Vo ontleend beroep op de onbevoegdheid is gedaan. Bovendien heeft [geïntimeerde] het verweer kennelijk weer laten varen, want in haar laatste processtuk, de akte van 18 augustus 2005, stelt zij dat niet de relatieve bevoegdheid van de Rechtbank ’s-Gravenhage of de Rechtbank Breda aan de orde is, doch uitsluitend de exclusieve bevoegdheid van de Rijnvaartrechter.

7. Een en ander betekent dat grief I in het incidenteel appel voorshands faalt en dat kan worden overgegaan tot de beantwoording van de materiële vraag of de Limes nu wel of niet tegen de boei gevaren.

8. In dat verband zij nog vermeld dat de boei een doorsnede heeft van ca 1,75 tot 2 meter, ca 2 ton weegt, 1,70 à 2 meter onder water steekt en er ongeveer 2 meter bovenuit komt; dat zij dient om de in-/uitvaart met de Afgedamde Maas vrij te houden en de doorgaande scheepvaart naar de Waal richting Duitsland te geleiden en dat het Duitse binnenvaartschip Limes 80 meter lang is, 9.56 meter breed, een diepgang heeft van 2,54 meter en een tonnage van 1229 ton.

9. De Limes, die op 25 augustus 1999 omstreeks 14.00 uur ledig in de opvaart richting Duitsland voer, is later die dag door de politie opgevangen te Beuningen, in de buurt van Nijmegen. [De schipper van de Limes], de echtgenoot van [geïntimeerde], is toen als verdachte gehoord door brigadier Bloemen, bij welke gelegenheid [de schipper van de Limes] heeft verklaard dat hij de bewuste solarboei eerder die dag krap was gepasseerd, op een afstand van 2 à 3 meter gerekend vanaf de bakboordzijde van zijn schip. Zijn verklaring is gevoegd in het door de KLPD opgemaakte proces-verbaal van aanvaring, waarin [e schipper van de Limes] is aangemerkt als verdachte van overtreding van de artikelen 1.04 en 1.13 lid 2 van het Binnenvaartpolitiereglement 1984 (beschadiging boei en het niet melden ervan). Door de officier van justitie is hem een transactie aangeboden (voor een bedrag van Fl. 500,--). Die is betaald, waarna de dagvaarding is ingetrokken.

10. Die betaling van dat transactievoorstel bewijst de aanvaring uiteraard niet, maar de verklaringen van beide echtparen [Familie A en B] doen dat naar ’s hofs oordeel wèl. Van die echtelieden hebben [getuige A] en diens schoonzus [getuige B] stellig verklaard dat zij de Limes tegen de boei hebben zien varen, terwijl allen de klap hebben gehoord en hebben gezien dat de boei achter de Limes, aan haar bakboordzijde, weer omhoog schoot. Van hetgeen zij aldus hebben waargenomen hebben zij terstond kond gedaan aan de politie. Verder zijn er (i) de verklaring van de [verbalisant X], in diens op ambtseed opgemaakte proces-verbaal, dat vanaf de plaats waar de getuigen zich op de camping “Mosterdpot” bevonden, te weten vóór een pal aan het water opgestelde stacaravan, de lichtboei goed zichtbaar was en (ii) de waarneming van het schadebeeld, dat verse verfschade aan de boei liet zien en ook overigens wees op een aanvaring door een varend object (vgl. de verklaring van [getuige C] en de niet bestreden rov.10 van het eindvonnis). Tegen deze achtergrond is de betaling van het transactievoorstel – hoewel geen erkenning van de aanvaring – niet een volstrekt neutraal signaal, maar doet die betaling (verder) afbreuk aan de geloofwaardigheid van het verweer van [geïntimeerde], temeer nu er op het moment van betaling al een civiele aansprakelijkstelling door de Staat lag.

11. Voor het antwoord op de vraag of wel of geen aanvaring heeft plaats-gehad maakt het geen verschil of de boei na de aanvaring onder het schip is doorgegaan, dan wel door de kracht van de aanvaring (schuin) opzij is geduwd / gestoten naar de voor de [getuigen] waarschijnlijk minder goed zichtbare bakboordzijde van de Limes. Het laatste lijkt overigens ook het hof waarschijnlijker.

12. Tegenover de stellige verklaringen van de [getuigen A en B] over de aanvaring leggen de ontkennende verklaringen van [de schipper van de Limes] en van de als matroos aan boord van de Limes meevarende [matroos] onvoldoende gewicht in de schaal. Weliswaar heeft [de schipper van de Limes] bij gelegenheid van diens verhoor door [brigadier B.] van de KLPD-groep Arnhem met nauwkeurigheid vermeld dat hij eerder die dag de bewuste boei krap, te weten op een afstand van 2 à 3 meter gerekend vanaf de bakboordzijde van het schip was gepasseerd, maar juist deze gedetailleerdheid doet vreemd aan, in aanmerking nemende dat [de schipper van de Limes] op zijn reis vele boeien was gepasseerd.

13. Anders dan de rechtbank ziet het hof ook in de door [brigadier B] als getuige afgelegde verklaring onvoldoende grond voor twijfel aan de geloofwaardigheid van hetgeen de echt[paren [familei A en B] hebben verklaard. Weliswaar zegt deze brigadier, onder verwijzing naar zijn langjarige ervaring, dat bij een aanvaring als die zich hier zou hebben voorgedaan zonder meer verf- en andere sporen op de met behoorlijke snelheid varende Limes gezien zouden zijn, doch tegenover zijn verklaring staat de verklaring van de [getuige C], in hoger beroep nog aangevuld met één van [getuige D], die het beiden voor mogelijk houden dat er ondanks een aanvaring van de boei (ter hoogte van Woudrichem) géén sprake is geweest van (in de buurt van Nijmegen nog zichtbare) verfsporen of andere (voor [brigadier B]) direct waarneembare schade, terwijl [geïntimeerde] niet duidelijk heeft gemaakt, dat de deskundigheid van [getuigen C en D] voornoemd op het hier van belang zijnde punt onderdoet voor die van [brigadier B]. Verder kan worden getwijfeld aan de grondigheid van de inspectie door [brigadier B], gelet op de verklaring van [de matroos] en op de omstandigheid dat [brigadier B] kennelijk eerst na het vertrek van de Limes op de hoogte is geraakt van wat de [getuigen A en B] hadden gezien en gehoord.

14. Gezien evenwel het uitdrukkelijke bewijsaanbod van [geïntimeerde] in hoger beroep zal zij worden toegelaten te bewijzen dat het onmogelijk is dat een aanvaring als de onderhavige geen zichtbare sporen achterlaat op een schip als de Limes. Uiteraard moet er dan ook duidelijkheid komen over de vraag of die sporen er direct na de aanvaring inderdaad niet waren.

Met het door haar in hoger beroep overgelegde rapport van Verschoor & Bras B.V. is [geïntimeerde] er nog niet. Dit rapport verwoordt slechts een aantal betrekkelijk algemene veronderstellingen, welke kennelijk mede zijn gebaseerd op de aanname dat de Limes over de boei is heengevaren, terwijl ook sprake kan zijn geweest van een (schuin) wegstoten van de boei. Ook omstandigheid dat er nog glas op de boei lag bewijst het gelijk van [geïntimeerde] niet; dat glas kan later toen de boei weer recht stond naar beneden zijn gevallen.

15. [Geïntimeerde] heeft in incidenteel appel nog aangevoerd dat de rechtbank in het tussenvonnis ten onrechte heeft geconcludeerd dat bij een aanraking van de boei automatisch de schuld van het schip vast staat. Die grief is ongegrond. Er is hier niet een wettelijk vermoeden gebezigd, maar een op feitelijke gegevens gebaseerde aanname van schuld. Ter toelichting: de rivier bood voldoende ruimte om - zoals dat hoort - de boei ruim te passeren, het zicht was goed en bijzondere omstandigheden die het onvermijdelijk dan wel nodig of verontschuldigbaar verklaarbaar maakten om op klaarlichte dag tegen de boei te varen zijn gesteld noch gebleken. De door de Staat geschetste toedracht was dan ook voldoende om voorshands bewezen te achten dat, zoals ook gesteld is, de Limes schuld heeft aan de aanvaring. Tegenbewijs op dit punt is niet aangeboden. Grief 2 in het incidenteel appel faalt derhalve.

16. Over de omvang van de schade kan worden gesproken bij gelegenheid van de bewijsvoering over de aanvaring. Wel wordt hier reeds overwogen dat de Staat de redelijkheid van de gemaakte kosten, de gerekende uren en van het ingezette materieel voldoende heeft toegelicht en wel in de aantekeningen ter gelegenheid van de comparitie van partijen in de eerste aanleg. In hetgeen [geïntimeerde] in de toelichting van de derde incidentele grief aanvoert leest het hof op deze punten geen gemotiveerde tegenspraak. Meer in het bijzonder is door [geïntimeerde] niet behoorlijk onderbouwd aangegeven dat en waarom bepaalde kosten in redelijkheid niet hadden mogen worden gemaakt. Ook heeft reeds een aftrek in verband met de ouderdom van de boei plaatsgevonden, maar met betrekking tot de volgens [geïntimeerde] - onder verwijzing naar het rapport van Verschoor & Bras B.V. - twee extra toegevoegde zonnepanelen mag zij nog reageren op wat de Staat hierover in het laatste processtuk heeft opgemerkt.

17. Mede gelet op het geringe financiële belang van de zaak - exclusief rente gaat het om zo’n € 13.000,-- aan hoofdsom - wordt partijen ernstig in overweging gegeven om aan de hand van de hiervoor beschreven uitgangspunten te trachten er verder zelf uit te komen.

Beslissing

Het hof:

- laat [geïntimeerde] toe tot het hiervoor in rov. 14 bedoelde bewijs;

- gelast een comparitie van partijen, zodat [geïntimeerde] zich kan uitlaten over de in rov. 5 en 16 bedoelde punten;

- bepaalt dat eventuele getuigen zullen worden gehoord en dat de comparitie zal worden gehouden op dinsdagmiddag 24 april 2007 om 14.00 uur in het Paleis van Justitie, Prins Clauslaan 60, ’s-Gravenhage;

- wijst mr. J.M. van der Klooster aan als raadsheer-commissaris.

Aldus gewezen door mrs. J.M. van der Klooster, M. Hooykaas, en P.J.J. Vonk en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 januari 2007 in aanwezigheid van de griffier.