Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:AZ7302

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-01-2007
Datum publicatie
30-01-2007
Zaaknummer
04/282
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Koop onroerend goed. Matiging boetebeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 25 januari 2007

Rolnummer: 04/282

Rolnr. rechtbank: 139453 HA ZA 00-1335

HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE, eerste civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

[KOPERS],

beiden wonende te [plaatsnaam],

appellanten,

hierna te noemen: [koper],

procureur: mr. S.F. van der Valk,

tegen

[VERKOPER 1],

wonende te [plaatsnaam],

[VERKOPER 2],

wonende te [plaatsnaam],

[VERKOPER 3],

wonende te [plaatsnaam],

[VERKOPER 4],

wonende te [plaatsnaam],

geïntimeerden,

hierna te noemen: [verkopers],

procureur: mr. G.J. Schuurman.

Het geding

Bij exploot van 30 december 2003 is koper in hoger beroep gekomen van het vonnis van 3 december 2003, door de rechtbank te Rotterdam gewezen tussen partijen. Bij memorie van grieven heeft koper twee grieven tegen het vonnis aangevoerd, die door verkopers bij memorie van antwoord (met producties) zijn bestreden.

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De rechtbank heeft onder het kopje “2. De vaststaande feiten” een aantal feiten vastgesteld. Tegen die vaststelling is niet opgekomen, zodat die feiten ook voor het hof als uitgangspunt gelden.

2. Met inachtneming van die feiten gaat het in deze zaak in het kort om het volgende.

Koper heeft op 25 februari 2000 de voormalige ouderlijke woning van de verkopers (broers) gekocht. De koopsom bedroeg ƒ 645.000. Als leveringsdatum werd 7 april 2000 overeengekomen. De koopakte bevat een beding dat bij niet-tijdige nakoming een boete van 3 pro mille van de koopprijs per dag verschuldigd is. De woning is op 12 mei 2000 geleverd en koper maakt aanspraak op een boete van ƒ 52.245 (27 dagen x ƒ 1.935), zijnde € 23.707,75, en een schadevergoeding van ƒ 5.287,50, alles te vermeerderen met buitengerechtelijke kosten ad ƒ 500, proceskosten en rente.

3. De rechtbank heeft na verweer de vordering toegewezen tot een bedrag van € 7.500. Zij acht de vertraging in de levering volledig toe te rekenen aan verkopers en de boete in zoverre voor toewijzing vatbaar. Vervolgens is de rechtbank van oordeel dat op grond van de gebleken omstandigheden de boete buitensporig hoog uitpakt en dat matiging op grond van de billijkheid noodzakelijk is. Voorts heeft de rechtbank vastgesteld dat het boetebeding tevens als schadevergoedingsbeding dient te worden aangemerkt en zij heeft de schadevergoedingsvordering afgewezen. Hiertegen is (terecht) geen grief gericht, zodat dit ook voor het hof als uitgangspunt geldt. Ditzelfde geldt voor de afwijzing van de buitengerechtelijke kosten.

4. De beide grieven, die zich lenen voor gezamenlijke behandeling, richten zich tegen de matiging van de boete. Koper wijst erop, dat de rechter de bevoegdheid tot matiging slechts terughoudend mag hanteren en alleen maar als de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. De rechtbank heeft de omstandigheden van het geval besproken, daarbij, aldus koper, op elk punt terecht overwogen dat die omstandigheid voor rekening van verkopers dient te komen, zodat koper het onbegrijpelijk en onterecht vindt dat de rechtbank geconcludeerd heeft dat de matiging op grond van de billijkheid noodzakelijk is. Het enkele uiteenlopen van de geleden schade en de overeengekomen boete is geen grond voor matiging, de (geringe) ernst van de tekortkoming van verkopers kan niet aan toewijzing van de boete in de weg staan en voorts had de rechtbank er rekening mee moeten houden dat verkopers werden bijgestaan door een professionele adviseur en dat koper naast materiële ook immateriële schade heeft geleden.

5. Het hof overweegt als volgt.

Partijen zijn het boetebeding in alle vrijheid overeengekomen en voor hun verhouding is in de eerste plaats bepalend wat zij zijn overeengekomen. Dit betekent echter niet dat nadat vastgesteld is welke boete is overeengekomen, deze boete niet moet worden gematigd als de billijkheid dit klaarblijkelijk eist. Juist is wel dat de rechter zijn bevoegdheid om de boete te matigen voorzichtig moet hanteren en dat het enkele uiteenlopen van de geleden schade en de overeengekomen boete onvoldoende grond tot matiging is. Voor de vraag of in casu aan het verzoek om de verbeurde boete te matigen kan worden voldaan, zijn de concrete omstandigheden van het geval van belang, met name die waaronder de tekortkoming tot stand is gekomen.

6. In dit geval is de vertraging in de levering ontstaan, doordat de advocaat van één van de broers bij diens echtscheiding begin jaren 90 de toedeling van zijn onverdeelde aandeel in de ouderlijke woning weliswaar in het echtscheidingsconvenant heeft opgenomen, maar dat vervolgens niet goederenrechtelijk heeft geëffectueerd. Dit laatste was op grond van de bepalingen van het per 1 januari 1992 ingevoerde B.W. vereist. Deze nalatigheid van de advocaat die kennelijk onvoldoende op de wetswijziging bedacht is geweest, bracht mee, dat voor de levering van de woning aan koper de medewerking van de Zwitserse ex-echtgenote van de betreffende broer nodig was. Haar verblijfplaats was echter niet snel genoeg bekend. De betreffende broer heeft via een kort geding bereikt dat zijn onverdeelde aandeel in de woning uitsluitend op zijn naam kwam te staan.

7. Het risico van de nalatigheid van de advocaat komt weliswaar voor rekening van verkopers, maar zij. waren in het geheel niet bedacht op deze nalatigheid, die een groot aantal jaren voor de overeenkomst heeft plaatsgevonden en een louter formeel-juridisch punt betrof. Zij behoefden daarop ook niet bedacht te zijn en een verwijt is hen hierover niet te maken. Het hof is met de rechtbank, die dit kennelijk ook zo heeft gezien, van oordeel dat dit een zwaarwegende omstandigheid in het voordeel van verkopers is. Voorts is weliswaar het enkele feit dat verkopers onmiddellijk in actie zijn gekomen om de gevolgen van het verzuim zo snel mogelijk te herstellen op zichzelf geen reden om de boete te matigen, maar in de totale weging van de omstandigheden in het kader van de billijkheid speelt dit naar het oordeel van het hof wel een rol, eveneens in het voordeel van verkopers Het hof houdt er verder rekening mee, dat de boetebepaling een vaste clausule in een standaardcontract is, waarover bij het sluiten van de overeenkomst niet snel discussie zal worden geopend en dat de contractuele boete voor de vertraging in de levering van de woning van ongeveer één maand bijna net zo hoog is als de boete die verbeurd zou zijn geweest bij helemaal niet meer nakomen van de overeenkomst. Ook weegt mee dat de verbeurde boete ongeveer het tienvoudige van de geleden schade beloopt.

8. Dat verkopers werden bijgestaan door een makelaar en (daarom) als professionele kopers moeten worden aangemerkt, is geen omstandigheid die in dit verband een rol speelt. Geen van de betrokkenen in deze zaak was op de nalatigheid van de advocaat bedacht of behoefde dat te zijn.

9. Koper heeft nog naar voren gebracht dat hij immateriële schade heeft geleden tengevolge van de vertraging, maar hij heeft deze in elk geval naar omvang in het geheel niet gespecificeerd of onderbouwd, zodat het hof daarmee geen rekening houdt.

10. In de omstandigheden van dit geval eist ook naar het oordeel van het hof de billijkheid matiging van de gevorderde boete. De boete die de rechtbank heeft toegekend komt neer op ongeveer een drievoud van de geleden schade en dit bedrag komt ook het hof alleszins redelijk voor.

11. De slotsom is dat de grieven falen en het vonnis zal worden bekrachtigd. Bij deze uitslag past een kostenveroordeling ten laste van koper.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het bestreden vonnis;

- veroordeelt koper in de kosten van de procedure in hoger beroep, tot op heden aan de zijde van verkopers bepaald op € 860,- aan griffierecht en op € 1.158,- aan salaris voor de gemachtigde.

Dit arrest is gewezen door mrs. A. Dupain, A.H. de Wild en G. Dulek-Schermers en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 januari 2007 in aanwezigheid van de griffier.