Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2007:AZ7093

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
03-01-2007
Datum publicatie
26-01-2007
Zaaknummer
370-R-07
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie. Vaststelling van de behoefte van kinderen die niet in gezinsverband met beide ouders hebben geleefd.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 392
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JPF 2007/44
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 3 januari 2007

Rekestnummer. : 370-R-06

Rekestnr. rechtbank : F2 RK 05-2189

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. E. Grabandt,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. P.J.L.J. Duijsens.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 21 maart 2006 in hoger beroep gekomen van een beschik-king van de rechtbank te Rotterdam van 23 december 2005.

De moeder heeft op 26 april 2006 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 2 november 2006 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 16 mei 2006 aanvullende stukken ingekomen.

Op 10 november 2006 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat mr. A.T. Bol, en de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. M.C. Houwing. Partijen en hun raadslieden hebben het woord gevoerd.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN DE VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking, waarin is bepaald dat de man aan de moeder als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen, telkens bij vooruitbetaling, zal uitkeren een bedrag van € 250,- per maand per kind.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep geen grief is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is ten aanzien van de kinderalimentatie voor [kind 1], geboren op [geboortedatum], en [kind 2], geboren op [geboortedatum]: een tussen partijen gemaakte afspraak, en voorts de behoefte van de kinderen, de draagkracht van de man en de wettelijke indexering.

2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek van de moeder tot vaststelling van kinderalimentatie af te wijzen, althans de bijdrage te bepalen op nihil, althans op een bedrag dat het hof juist acht. De moeder bestrijdt zijn beroep en verzoekt de man te veroordelen in de kosten van de procedure.

3. In zijn eerste grief stelt de man dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen, dat het verzoek van de moeder om kinderalimentatie als niet onrechtmatig of ongegrond kan worden toegewezen. De man heeft meegewerkt aan een ontkenningsprocedure onder de voorwaarde, dat daaruit voor hem geen financiële consequenties zouden voortvloeien. Met het voeren van onderhavige procedure heeft de moeder die afspraak geschonden, aldus de man.

4. De moeder heeft gemotiveerd verweer gevoerd.

5. Het hof is van oordeel dat, zelfs als partijen zouden hebben afgesproken hetgeen de man heeft gesteld, een dergelijke afspraak dan nog voor de moeder geen beletsel vormt om alsnog volgens de wet verschuldigde kinderalimentatie te vragen. De eerste grief van de man faalt.

6. In zijn tweede grief stelt de man dat de rechtbank ten onrechte geen inzicht heeft gekregen in de behoefte van de kinderen, dat hij niet heeft samengewoond met de moeder, dat hij behalve de kinderen bij de moeder nog twee kinderen bij een andere vrouw heeft die meedelen in de behoefte en dat, gelet op de leeftijd van de kinderen en het ontbreken van inkomen ten tijde van de relatie met de moeder, de behoefte op nihil, althans op maximaal € 30,- per kind per maand moet worden gesteld. In zijn derde grief heeft de man de vraag opgeworpen of de moeder zou kunnen bijdragen in de behoefte van de kinderen. Ter terechtzitting van het hof heeft de man gesteld dat kinderen altijd geld kosten en altijd een behoefte hebben, dat uitgegaan moet worden van zijn inkomen in 1998, dat rekening gehouden moet worden met vier kinderen, dat zijn twee kinderen bij een andere vrouw tijdelijk bij hem wonen en dat de totale behoefte € 120,- bedraagt.

7. De moeder heeft daar het volgende tegenover gesteld. Dat de kinderen geen behoefte zouden hebben omdat partijen niet hebben samengewoond, is volgens haar volstrekt onredelijk en rechtens onjuist. Ten tijde van de relatie heeft de man periodes via uitzendbureaus gewerkt, een WW-uitkering en een bijstandsuitkering ontvangen. De vrouw had een uitkering van de Sociale Dienst. De inkomsten van beide ouders dienen bij elkaar te worden opgeteld. Tegenwoordig hebben beide partijen inkomsten uit arbeid. De man verdient ongeveer € 1.900,- netto per maand en de moeder € 1.191,- netto per maand, zodat het eigen aandeel in de kosten van de kinderen volgens de tabel op € 655,- ligt. Daarbij komen dan nog extra kosten zoals de kosten van kinderopvang, die voor rekening van de moeder komen. De gevraagde bijdrage is dan ook redelijk, aldus de moeder.

8. Het hof overweegt het volgende.

Anders dan de man meent dient niet de behoefte van vier kinderen te worden bepaald, maar uitsluitend van de kinderen waarvoor de moeder alimentatie vraagt en met wie de man, zou hij met de moeder hebben samengeleefd, een gezin zou hebben gevormd, dus van [kind 1] en [kind 2]. De behoefte van een kind dat nooit in gezinsverband met beide ouders heeft geleefd, wordt medebepaald door het inkomen van de ouder bij wie het kind niet woont aldus, dat die ouder in beginsel moet bijdragen in de kosten van dit kind met het bedrag dat hij aan het kind zou besteden als het wel in zijn gezin zou opgroeien. Het hof zal dan ook de behoefte van [kind 1] en [kind 2] bepalen mede aan de hand van het inkomen van de man. Verhoging van het inkomen van een ouder voor zover dit hoger is dan het gezinsinkomen tijdens de relatie behoort in beginsel invloed uit te oefenen op de vaststelling van de behoefte. Gelet op de verklaringen van partijen, waaruit valt af te leiden dat hun inkomsten tijdens hun relatie vooral bestonden uit uitkeringen, acht het hof het aannemelijk dat het huidige inkomen van de man hoger is dan het netto inkomen van beide partijen tezamen ten tijde van hun relatie. Nu, als de relatie zou hebben voortgeduurd, de verhoging van het inkomen van de man ook een positieve invloed zou hebben uitgeoefend op het bedrag dat ten behoeve van de kinderen zou zijn uitgegeven, neemt het hof het huidige inkomen van de man als maatstaf voor het bepalen van de behoefte van de kinderen. Uit de overgelegde salarisstroken blijkt van een inkomen van ongeveer € 1.900,- netto per maand. Volgens de tabel ‘kosten van kinderen’ in het rapport van de werkgroep alimentatienormen behoort bij dit netto inkomen een eigen aandeel in de kosten van de kinderen van € 392,- voor beide kinderen tezamen. Het hof zal geen rekening houden met de door de moeder gestelde extra kosten van de kinderen, nu zij hierin geen inzicht heeft gegeven. Gelet op de geringe draagkracht van de moeder, zoals daarvan blijkt uit de door haar overgelegde financiële bescheiden, acht het hof het redelijk het eigen aandeel in de kosten van de kinderen volledig ten laste van de man te laten komen. De behoefte van [kind 1] en [kind 2] aan alimentatie van de vader bedraagt dan ook € 196,- per kind per maand.

9. In zijn derde grief stelt de man dat de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft kunnen houden met zijn draagkracht. Hij is van mening dat hij geen draagkracht heeft om kinderalimentatie te betalen. Hij heeft een draagkrachtberekening overgelegd, waaruit zulks blijkt.

10. De moeder heeft de stellingen van de man betwist. Volgens haar mag er geen rekening gehouden worden met de door de man in zijn draagkrachtberekening opgevoerde omgangskosten, aflossing van schulden en overige kosten.

11. Het hof zal geen rekening houden met omgangskosten, nu ter terechtzitting is gebleken dat de man geen omgang heeft met [kind 1] en [kind 2]. Het hof zal evenmin rekening houden met de aflossing van schulden, nu niet gebleken is dat deze schulden zijn aangegaan ten tijde van de relatie met de moeder of dat het aangaan ervan zo noodzakelijk was, dat betaling ervan prevaleert boven de verplichting tot kinderalimentatie. Het hof houdt ook geen rekening met de overige kosten, waarmee kennelijk de kosten voor de twee andere kinderen van de man zijn bedoeld, nu niet gebleken is dat de man deze kosten maakt. Nu voorts de man weliswaar heeft gesteld dat deze kinderen tijdelijk bij hem wonen, maar de moeder deze stelling heeft betwist en de man zijn stelling niet aannemelijk heeft gemaakt, zal het hof rekening houden met de bijstandsnorm voor een alleenstaande en een draagkrachtpercentage van 60. Voor het overige de draagkrachtberekening van de man volgend, bepaalt het hof de draagkracht van de man op

€ 653,- per maand. Aangezien beide partijen het redelijk vinden de beschikbare draagkracht te verdelen over vier kinderen, zal het hof hen hierin volgen. De man is dan in staat om voor [kind 1] en [kind 2] ieder € 163,- per maand te betalen.

12. Gelet op de hiervoor bepaalde behoefte van [kind 1] en [kind 2] en de draagkracht van de man, bepaalt het hof de kinderalimentatie op € 163,- per kind per maand. Nu geen der partijen heeft gegriefd tegen de door de rechtbank bepaalde ingangsdatum, zal het hof gelijk de rechtbank deze bepalen op 23 december 2005.

13. In zijn vierde grief stelt de man dat de rechtbank ten onrechte de indexering heeft vastgesteld met ingang van 1 januari 2006. Gelet op de datum van de bestreden beschikking en de bepaalde ingangsdatum van de alimentatieverplichting had de rechtbank, zoals te doen gebruikelijk, de indexering voor het eerste jaar dienen uit te sluiten, zo meent de man.

14. De moeder heeft de stelling van de man betwist, stellende dat de man al vanaf april 2005 wist van haar verzoek om alimentatie. De moeder heeft verzocht de man te veroordelen in de kosten van deze procedure.

15. Het hof ziet geen aanleiding de indexering voor het eerste jaar uit te sluiten, nu uit (de jurisprudentie bij) artikel 1:402a BW volgt, dat de bij deze beschikking vastgestelde alimentatie pas voor het eerst zal worden geïndexeerd per 1 januari 2008 en gesteld noch gebleken is, dat de vermoedelijke stijging van inkomsten waar de wettelijke regeling van uit gaat voor de man niet geldt. Evenmin ziet het hof aanleiding om de man te veroordelen in de kosten van de procedure, zoals door de moeder is verzocht. Het hof zal, zoals gebruikelijk is in familiezaken, de proceskosten compenseren in die zin, dat iedere partij zijn eigen kosten draagt.

16. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de man aan de moeder te betalen kinderalimentatie voor [kind 1] en [kind 2] met ingang van 23 december 2005 op € 163,- per maand per kind, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

compenseert de proceskosten in die zin, dat iedere partij zijn eigen kosten draagt;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van den Wildenberg, van Nievelt en Reinking, bijgestaan door mr. Martens als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 januari 2007.