Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:BZ4530

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-07-2006
Datum publicatie
18-03-2013
Zaaknummer
C97/1011
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Schadevergoeding na afgebroken onderhandelingen. Gerechtvaardigd vertrouwen in totstandkoming dealerovereenkomst. Bewijsopdracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 25 juli 2006

Rolnummer: C97/1011

Rolnr. rechtbank: 95.2655

HET GERECHTSHOF ´S-GRAVENHAGE, vierde civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[appellante],

gevestigd te [vestigingsplaats],

appellante,

hierna te noemen: [appellante],

procureur: mr. E.A.C. van Kempen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

GREENIB CAR B.V.,

gevestigd te Sassenheim,

geïntimeerde,

hierna te noemen: Greenib,

procureur: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt

Het geding

Bij exploot van 13 augustus 1997 is [appellante] in hoger beroep gekomen van het vonnis van de rechtbank ‘s-Gravenhage van 14 mei 1997, gewezen tussen [appellante] als eiseres en Greenib als gedaagde. Bij memorie van grieven heeft [appellante], onder overlegging van zeventien producties, drie grieven tegen het vonnis aangevoerd, die door Greenib bij memorie van antwoord zijn bestreden.

Partijen hebben hun zaak op 3 april 2001 doen bepleiten, [appellante] door mr. P.A.J.M. Lodestijn, advocaat te Apeldoorn (thans Roermond), aan de hand van pleitnotities, en Greenib door mr. W.B.J. van Overbeek, advocaat te ’s-Gravenhage (thans Amsterdam), aan de hand van een pleitnota.

Ten slotte heeft Greenib op 28 oktober 2004 de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

2. Het hof gaat uit van de volgende tussen partijen vaststaande feiten.

2.1 [appellante] is Rover-dealer te [plaats].

2.2 Greenib is de Nederlandse importeur en distributeur van auto’s van het merk Hyundai.

2.3 Vanaf eind 1992, althans begin 1993, hebben partijen onderhandelingen gevoerd aangaande een Hyundai-dealerovereenkomst.

2.4 In verband met deze onderhandelingen heeft [appellante] aan de directie van Rover Nederland B.V. gevraagd of zij het bezwaarlijk vond indien [appellante] als tweede merk Hyundai zou gaan voeren. Rover heeft aangegeven dit niet bezwaarlijk te vinden, op voorwaarde dat zowel in de showroom als in de werkplaats alles zodanig gescheiden zou worden dat de twee merken elkaar onderling niet zouden beïnvloeden.

2.5 Greenib achtte het in verband met het beoogde dealerschap noodzakelijk dat [appellante] aanzienlijk zou investeren in het verbeteren van het bedrijfspand. De showroom van [appellante] maakte een slordige indruk en bovendien moest in de werkplaats een vloeistofdichte vloer worden aangebracht. [appellante] toonde zich jegens Greenib bereid om te verbouwen en daartoe de nodige investeringen te doen.

2.6 Op 11 maart 1993 heeft Greenib aan [appellante] een exploitatiebegroting gezonden, inhoudende een winstprognose (met het dealerschap van Rover en Hyundai) die zodanig was dat de verbouwingskosten van circa f 750.000,-- vanuit de exploitatie konden worden voldaan.

2.7 Tijdens een daarop volgende bespreking vroeg de betrokken zone-manager van Greenib, [betrokkene 1], aan [appellante] om een exploitatiebegroting te laten opstellen door een accountant en om een offerte aan te vragen voor de financiering van de noodzakelijke verbouwing van haar bedrijfspand en het bedrijfskapitaal.

2.8 Op 15 juni 1993 heeft de accountant van [appellante], [naam accountant], de door Greenib gevraagde exploitatiebegroting opgesteld.

2.9 Op 13 juli 1993 heeft de Rabobank te Westland Zuid West aan [appellante] een financieringsaanbieding gedaan ten behoeve van een lening van f 530.000,--.

2.10 De exploitatiebegroting van de accountant en de financieringsaanbieding van de Rabobank zijn op 21 juli 1993 door [appellante] aan [betrokkene 1] overhandigd, die zich over de inhoud van een en ander enthousiast heeft getoond.

2.11 Na een tweetal besprekingen bij [appellante] in augustus 1993 aangaande de condities van een dealerovereenkomst, hebben partijen op 15 september, 22 oktober en 29 oktober 1993 ten kantore van Greenib contractbesprekingen gevoerd.

2.12 In verband met de lange duur van de onderhandelingen, heeft de Rabobank haar voormelde financieringsaanbieding op 11 oktober 1993 verlengd tot 25 oktober 1993, met verbetering van de condities.

2.13 Partijen hebben op 16 november 1993 een intentieverklaring ondertekend, met diverse door partijen geaccordeerde en ondertekende bijlagen, te weten:

- Bijlage 1: G.B.R./V.V.R.-contract;

- Bijlage 2: aanvraagformulier naamsvermelding Gouden Gids;

- Bijlage 3: machtigingsformulier bankgiro bedrijfsincasso;

- Bijlage 4: contract Hyundai buiten-identificatie.

2.14 In de bovengenoemde, door Greenib opgestelde, intentieverklaring is onder meer het volgende opgenomen:

“ INTENTIEVERKLARING HYUNDAI DEALERSCHAP

Naam dealer: [appellante]

(…)

Geplande startdatum: 1 februari 1994

Deze wederzijdse intentieverklaring loopt vooruit op het af te sluiten Hyundai dealercontract, dat binnen 4 weken na ondertekening van deze intentieverklaringen en in ieder geval voor aanvang van het dealerschap door u getekend dient te zijn. Dit houdt in dat deze intentie-verklaring tot de datum van ondertekening van het dealercontract geldig is. Deze intentieverklaring dient ter bevestiging van de diverse gesprekken tussen u en [betrokkene 1].

(…)

4.3. Exclusiviteit

Bij ondertekening van deze intentieverklaring wordt met toestemming van Greenib Car b.v. naast Hyundai het volgende automobielmerk gevoerd: Rover, mits er een separate showroom aanwezig is voor Hyundai.

(…)”

2.15 Na ondertekening van de intentieverklaring is [appellante] begonnen met de voorbereidingen van de verbouwing van de showroom en de werkplaats, waartoe zij onder andere een bouwbegeleider heeft ingeschakeld. Voor het uitvoeren van de benodigde bouwwerkzaamheden waren vergunningen van gemeentewege vereist.

2.16 Op 16 januari 1994 heeft [appellante] op uitnodiging van Greenib de landelijke Hyundai nieuwjaarsreceptie bezocht, waarbij [appellante] is gepresenteerd als de nieuwe Hyundai-dealer voor het Westland.

2.17 Vanaf januari 1994 heeft Greenib het dealernummer 2818 aan [appellante] toegekend, heeft zij [appellante] opgenomen in haar administratie, en heeft zij [appellante] geïntroduceerd bij verschillende toeleveranciers en relaties.

2.18 Bij aangetekende brief van 28 maart 1994 aan [appellante] heeft Greenib de intentieverklaring ontbonden. In deze brief is onder meer het volgende vermeld:

“(…)

Geachte heren [...],

Naar aanleiding van het onderhoud tussen [statutair directeur appellante] en onze [betrokkene 2] van 18 maart j.l. bevestigen wij u een en ander.

[betrokkene 2] heeft reeds meerdere malen zijn bezorgdheid geuit omtrent de vertraging bij de opstart van het Hyundai dealerschap voor de regio Westland. Na de ondertekening van de intentieverklaring in november heeft u aangegeven in februari 1994 te kunnen starten.

Inmiddels is ons duidelijk geworden dat u pas zeer recent een aanvraag voor een bouwvergunning heeft ingediend en dat daardoor de geplande opstartdatum minimaal naar september 1994 wordt vertraagd. Hierover wilde u echter nog geen garantie afgeven.

Deze gang van zaken is voor ons niet langer acceptabel en derhalve ontbinden wij de gesloten intentieverklaring. De door u afgegeven incassomachtiging zal door ons worden geretourneerd.

Hoogachtend Greenib Car

(ondertekeningen)

(…)”

2.19 Bij brief aan Greenib van 31 maart 1994 heeft [appellante] hierop als volgt gereageerd:

“(…)

Weled. Heer,

In antwoord op uw schrijven van 28 maart 1994 betreffende ontbinding intentieverklaring, en ons telefoongesprek van 29 maart 1994, kunnen wij U het volgende mededelen.

Bij nadere informatie bij de Gemeente [gemeente], is ons medegedeeld dat wij de vergunning betreffende de nieuw te bouwen Showroom aankomende week kunnen verwachten.

Met de verbouwing kan dan direct worden begonnen, wat inhoud dat wij rond 1 juni 1994 hiermede klaar kunnen zijn, en zouden kunnen starten met de verkoop van Hyundai producten.

De vergunning voor de nieuw te bouwen werkplaats zal iets langer duren, iv.m. milieueisen en afhandeling Hinderwet nieuwe stijl. Dit is overigens ook al in een ver gevorderd stadium. Zodra wij hierover definitieve berichten hebben, zullen wij U dit per omgaande mededelen.

Wij nemen aan dat wij met deze berichten uw twijfel over onze plannen kunnen wegnemen, en dat U een nieuwe intentieverklaring zult verstrekken.

Van onze zijde zouden wij gaarne van u de bevestiging willen ontvangen dat na realisatie van de showroom voor Hyundai producten wij officieel dealer zullen worden. Zoals u zult begrijpen in (bedoeld zal zijn: “is”, hof) onze investering mede gebaseerd op het Hyundai dealerschap.

Om verdere vertraging te voorkomen, zien wij Uw berichten gaarne z.s.m. tegemoet. Mocht U nog nadere informatie nodig hebben, dan vernemen wij dat gaarne van U.

Hoogachtend,

[appellante]

(ondertekening)

(…)”

2.20 Bij aangetekende brief van 21 april 1994 heeft Greenib aan [appellante] bericht dat zij geen nieuwe intentieverklaring voor het Hyundai dealerschap zal aanbieden.

2.21 In juni 1994 is de nieuwe showroom van [appellante] gereed gekomen.

3. [appellante] heeft een verklaring voor recht gevorderd, inhoudend dat Greenib aan [appellante] dient te vergoeden alle in verband met het Hyundai dealerschap tevergeefs gemaakte kosten, alsmede de door [appellante] sedert 28 maart 1994 gederfde winst voor de duur van 5 jaar, althans voor een termijn die de rechter in goede justitie vermeent te behoren, te vermeerderen met rente en kosten. [appellante] heeft hiertoe primair gesteld dat zij met Greenib een perfecte dealerovereenkomst, althans een rompovereenkomst heeft gesloten die door Greenib niet zonder ingebrekestelling had mogen worden beëindigd. Subsidiair heeft [appellante] aangevoerd dat partijen reeds in een zodanig ver stadium van onderhandelingen waren gekomen dat [appellante] er in redelijkheid op mocht vertrouwen dat de dealerovereenkomst tot stand zou komen. Volgens [appellante] is het dan ook onaanvaardbaar dat Greenib de onderhandelingen heeft afgebroken, en is Greenib gehouden aan [appellante] alle schade te vergoeden, te weten zowel de vergeefs gemaakte kosten als de gederfde winst (het positief contractsbelang).

4. Greenib heeft de vordering gemotiveerd betwist. Volgens Greenib is er tussen partijen geen (definitieve) dealerovereenkomst of rompovereenkomst tot stand gekomen. Voorts is Greenib van mening dat het haar vrij stond de onderhandelingen af te breken (dan wel de door [appellante] gestelde overeenkomst met onmiddellijke ingang te beëindigen) vanwege de vertraging van de bouw en vooral omdat [appellante] haar bewust onjuist heeft geïnformeerd omtrent de voortgang van het bouwproces en de daarvoor benodigde vergunningen. Greenib stelt bovendien dat [appellante] haar rechten heeft verwerkt, gelet op de inhoud van haar brief van 31 maart 1994 en haar stilzwijgen op de weigering van Greenib om de relatie alsnog te continueren. Ten slotte betwist Greenib dat [appellante] enige schade heeft geleden.

5. Bij het bestreden vonnis heeft de rechtbank de vordering van Greenib afgewezen op de grond dat het Greenib in de gegeven omstandigheden vrij stond uit de onderhandelingen terug te treden. Bovendien is de rechtbank van oordeel dat [appellante] in de ontbinding van de intentieverklaring heeft berust, althans dat Greenib heeft mogen concluderen tot een dergelijke berusting.

6. Het hof zal eerst grief 3 behandelen, aangezien deze het meest verstrekkend is. Grief 3 houdt in dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat [appellante] heeft berust in de ontbinding van de intentieverklaring. Deze grief treft doel. Uit de brief van [appellante] van 31 maart 1994 valt naar het oordeel van het hof in redelijkheid niet af te leiden dat [appellante] zou hebben berust in de beëindiging van de relatie. Integendeel, uit het feit dat [appellante] in die brief expliciet om een nieuwe intentieverklaring vraagt, blijkt dat [appellante] de relatie juist wenste te continueren. Het feit dat [appellante], nadat Greenib bij brief van 21 april 1994 had geweigerd aan dit verzoek te voldoen, pas op 24 januari 1995 aanspraak op schadevergoeding heeft gemaakt, rechtvaardigt - anders dan Greenib meent - niet de conclusie dat [appellante] haar rechten zou hebben verwerkt. Enkel tijdsverloop is onvoldoende om rechtsverwerking aan te nemen. Vereist is de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden als gevolg waarvan hetzij bij de schuldenaar het gerechtvaardigd vertrouwen is gewekt dat de schuldeiser zijn aanspraak niet (meer) geldend zal maken, hetzij de positie van de schuldenaar onredelijk zou worden benadeeld of verzwaard in geval de schuldenaar zijn aanspraak alsnog geldend zou maken. Dergelijke bijzondere omstandigheden zijn in dit geval gesteld noch gebleken.

7. Thans komt grief 1 aan de orde. Grief 1 strekt ten betoge dat de rechtbank ten onrechte niet heeft aangenomen dat tussen partijen een perfecte dealerovereenkomst, althans een rompovereenkomst tot stand is gekomen. Deze grief faalt. Het hof is van oordeel dat [appellante] er in redelijkheid niet van uit kon gaan dat reeds een perfecte dealerovereenkomst of een rompovereenkomst (met een voldoende bepaalbare inhoud) tot stand was gekomen. In de aanhef van de intentieverklaring is namelijk duidelijk vermeld dat er nog een dealerovereenkomst moest worden gesloten, binnen 4 weken na ondertekening van de intentieverklaring, althans voor aanvang van het dealerschap met geplande startdatum 1 februari 2004. In artikel 4 van de intentieverklaring is voorts tot uitdrukking gebracht dat als voorwaarde voor het dealerschap van [appellante] gold dat er een separate showroom aanwezig zou zijn voor Hyundai, hetgeen impliceert dat de verbouwing van de showroom eerst gereed moest zijn. Voorts heeft [appellante], blijkens haar bovengeciteerde brief van 31 maart 1994, na de ontbinding van de intentieverklaring gevraagd om een tweede intentieverklaring, hetgeen er niet op wijst dat [appellante] er toen van uitging dat er al een perfecte, bindende overeenkomst tot stand was gekomen. Integendeel, blijkens deze brief ging [appellante] er zelf van uit dat zij pas officieel dealer van Hyundai kon worden na realisering van de showroom. Ten slotte staat - als onbetwist - vast dat [appellante] van Greenib zelfs nog geen concept voor een dealerovereenkomst had ontvangen. Al hetgeen in het kader van grief 1 nog is aangevoerd, stuit af op het voorgaande.

8. [appellante] stelt in grief 2 dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat Greenib gerechtigd was de onderhandelingen, door middel van het “ontbinden” van de intentieverklaring, af te breken. Te dien aanzien geldt het navolgende.

9. Als maatstaf voor de beoordeling van de schadevergoedingsverplichting bij afgebroken onderhandelingen heeft te gelden dat ieder van de onderhandelende partijen - die verplicht zijn elkaars gedrag mede door elkaars belangen te laten bepalen - vrij is de onderhandelingen af te breken, tenzij dit op grond van het gerechtvaardigd vertrouwen van de wederpartij in het totstandkomen van de overeenkomst of in verband met de andere omstandigheden van het geval onaanvaardbaar zou zijn. Daarbij dient rekening te worden gehouden met de mate waarin en de wijze waarop de partij die de onderhandelingen afbreekt tot het ontstaan van dat vertrouwen heeft bijgedragen en met de gerechtvaardigde belangen van deze partij. Hierbij kan ook van belang zijn of zich in de loop van de onderhandelingen onvoorziene omstandigheden hebben voorgedaan, terwijl, in het geval dat onderhandelingen ondanks gewijzigde omstandigheden over een lange tijd worden voortgezet, wat betreft dit vertrouwen doorslaggevend is hoe daaromtrent ten slotte op het moment van afbreken van de onderhandelingen moet worden geoordeeld tegen de achtergrond van het gehele verloop van de onderhandelingen (HR 12 augustus 2005, NJ 2006, 467).

10. Gezien het hierboven sub 2.3 tot en met 2.12 weergegeven verloop van het (lange) onderhandelingsproces en de inhoud van de intentieverklaring met bijlagen, waarin gedetailleerde bepalingen zijn opgenomen omtrent onder andere het rayon, de verkoopprognose, dealermarges en betalingscondities, is het hof van oordeel dat de onderhandelingen zich ten tijde van het afbreken daarvan reeds in een vergevorderd stadium bevonden. Daarnaast is niet in geschil dat [appellante] zich jegens Greenib al had gecommitteerd om ten behoeve van het beoogde dealerschap een kostbare verbouwing van haar bedrijf te gaan uitvoeren, waartoe zij externe financiering had aangevraagd en verkregen. Voorts had [appellante] al diverse voorbereidingen doen treffen voor de verbouwing, waartoe zij onder meer een bouwbegeleider had ingeschakeld. Daarbij heeft [appellante] er (niet dan wel onvoldoende gemotiveerd betwist) op gewezen dat aan een intentieverklaring als de onderhavige binnen de autobranche een zwaarwegende betekenis toekomt, in die zin dat deze een bestendig en noodzakelijk gebruik is geworden en dat deze pleegt uit te monden in een volwaardige dealerovereenkomst. Bovendien had Greenib [appellante] (feitelijk) al een dealernummer verstrekt, [appellante] bij derden geïntroduceerd als de nieuwe Hyundai-dealer in het Westland, en de gegevens van [appellante] in haar administratie verwerkt.

11. Op grond van de in de vorige rechtsoverweging vermelde omstandigheden, is het hof van oordeel dat [appellante] er in beginsel gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat de met Greenib gesloten intentieverklaring na de gereedkoming van de verbouwing van zijn showroom zou worden omgezet in een volwaardige dealerovereenkomst. Aan dit vertrouwen heeft Greenib bijgedragen door het sluiten van de intentieverklaring, waarin gedetailleerde afspraken zijn gemaakt gericht op het dealerschap en waarvan Greenib wist (althans moest weten) welke zwaarwegende betekenis hieraan binnen de autobranche wordt toegekend, de hoge investeringen die zij als voorbereiding op het dealerschap van [appellante] heeft verlangd en de wijze waarop zij [appellante] reeds als Hyundai-dealer heeft geïntroduceerd en behandeld. Gelet op de hoge investeringen in de verbouwing van zijn showroom had [appellante] ook een groot financieel belang bij het uiteindelijke dealerschap, van welk belang Greenib op de hoogte was. Het voorgaande leidt ertoe dat het hof van oordeel is dat het afbreken van de onderhandelingen door Greenib, gezien de wederzijds betrokken belangen, in beginsel onaanvaardbaar moet worden geacht.

12. Het bovenstaande lijdt echter uitzondering, indien komt vast te staan – zoals Greenib stelt en [appellante] betwist – dat [appellante] gedurende de onderhandelingen aan Greenib bewust onjuiste informatie heeft verstrekt omtrent de voortgang van het bouwproces en de aanvraag van de hiervoor benodigde vergunningen. In dat geval is het hof van oordeel dat het sluiten van een volwaardige dealerovereenkomst redelijkerwijs niet van Greenib mag worden verlangd, nu Greenib terecht stelt dat een dealerovereenkomst als de onderhavige berust op een nauwe samenwerking tussen de importeur en de dealer, waarbij volledig vertrouwen van essentieel belang is. Indien komt vast te staan dat [appellante] Greenib bewust onjuist heeft geïnformeerd, brengt dit tevens mee dat van een gerechtvaardigd vertrouwen van [appellante] in de totstandkoming van de uiteindelijke dealerovereenkomst geen sprake is.

13. Het hof zal Greenib daarom toelaten tot het bewijs van haar stelling dat [appellante] haar bewust onjuist heeft geïnformeerd omtrent de voortgang van het bouwproces en de daarvoor benodigde vergunningen.

14. Het verweer van Greenib dat [appellante] in het geheel geen schade heeft geleden, ten slotte, wordt als onvoldoende onderbouwd verworpen. Vast staat namelijk dat [appellante] met het oog op het dealerschap en de daarvoor benodigde de verbouwing diverse externe adviseurs, zoals een accountant en een bouwbegeleider, heeft ingeschakeld. Voldoende aannemelijk is dat [appellante] hierdoor kosten heeft gemaakt, die (geheel of ten dele) voor vergoeding in aanmerking kunnen komen. Nu [appellante] in deze procedure slechts een verklaring voor recht heeft gevorderd, behoeft op het beloop van deze kosten verder niet te worden ingegaan.

15. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden tot na de bewijsvoering.

Beslissing

Het hof, alvorens verder te beslissen:

- laat Greenib toe, door alle middelen rechtens, te bewijzen dat [appellante] haar bewust onjuist heeft geïnformeerd omtrent de voortgang van het bouwproces en de daarvoor benodigde vergunningen;

- bepaalt dat eventuele getuigenverhoren zullen plaatsvinden in het Paleis van Justitie aan de Prins Clauslaan 60 te ’s-Gravenhage voor de raadsheer-commissaris mr. P.M. Verbeek op vrijdag 20 oktober 2006 te 10.00 uur.

Dit arrest is gewezen door mrs. J.M.Th. van der Hoeven-Oud, P.M. Verbeek en J.J. Roos en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 juli 2006 in bijzijn van de griffier.

Bij afwezigheid van de voorzitter is dit arrest ondertekend door de oudste raadsheer.