Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:BD5738

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
10-05-2006
Datum publicatie
30-06-2008
Zaaknummer
BK-05/00633
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bij de door belanghebbende toegepaste bemalingstechniek bevond zich het punt van waaruit het gemeten water werd opgepompt, te weten het einde van de haalbuis, enkele meters diep in de grond in de filterbuis waarvan het einde, voorzien van filters, zich ongeveer acht meter diep in de grond bevond. Bij het aldus oppompen van water kan niet anders dan sprake zijn van onttrekking van grondwater. Dit leidt ertoe dat de totale door belanghebbende gemeten hoeveelheid opgepompt water als grondwater als bedoeld in artikel 3 van de Wet belastingen op milieugrondslag moet worden aangemerkt. Hierbij is niet van belang of een deel van dit water eventueel vanuit de defecte gresbuis - al dan niet via de bouwput - weer in de bodem is gezakt, nu water dat zich in de bodem bevindt per definitie grondwater is.

De Inspecteur heeft belanghebbendes standpunt met betrekking tot de meetfout gemotiveerd in zijn pleitnota weersproken. Belanghebbende heeft haar andersluidende stelling in haar conclusie na verwijzing hiertegenover niet aannemelijk gemaakt.

Op grond van het vorenoverwogene is het beroep ongegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2008-1463
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

derde meervoudige belastingkamer

10 mei 2006

nummer BK-05/00633

UITSPRAAK

op het beroep van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid X B.V., gevestigd te Z, tegen de uitspraak van de Inspecteur, de voorzitter van het managementteam van de Belastingdienst/Rivierenland, op het bezwaarschrift betreffende de na te noemen naheffingsaanslag in de grondwaterbelasting.

1. Naheffingsaanslag en bezwaar

1.1 Aan belanghebbende is over het tijdvak 1 maart 2001 tot en met 31 juli 2001 een naheffingsaanslag in de grondwaterbelas-ting opgelegd ten bedrage van € 44.319, alsmede een boete van € 11.079.

1.2 Na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar, heeft de Inspecteur bij in één geschrift vervatte uitspraken de naheffingsaanslag gehandhaafd en de boete verminderd tot € 4.400.

2. Loop van het geding

2.1 Belanghebbende is tegen die uitspraken in beroep gekomen bij het Gerechtshof te Amsterdam. Dat Hof heeft bij uitspraak van 15 juli 2004 het beroep ongegrond verklaard.

2.2 Op het daartegen door belanghebbende ingestelde beroep in cassatie heeft de Hoge Raad bij arrest van 14 oktober 2005,

nr. 41.226, de uitspraak van voornoemd Hof vernietigd en de zaak ter verdere behandeling en beslissing verwezen naar het Gerechtshof te 's-Gravenhage.

2.3 Partijen zijn in de gelegenheid gesteld zich schriftelijk uit te laten naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad, van welke gelegenheid beide partijen gebruik hebben gemaakt. Partijen hebben van elkanders schrifturen kunnen kennisnemen.

2.4 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 5 april 2006, gehouden te Den Haag. Beide partijen zijn verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

3. Vaststaande feiten

In het geding na verwijzing dient te worden uitgegaan van de door het Gerechtshof te Amsterdam onder 2 van zijn uitspraak vastgestelde, in cassatie niet bestreden, feiten. Voorts is op grond van de stukken van het geding, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, nog het volgende komen vast te staan:

3.1 De gresbuis waarmee het opgepompte grondwater werd afgevoerd op het hoofdriool bevond zich aan de rand van de bouwput. Die buis maakte onderdeel uit van de rioolaansluiting van een voormalig pand ter plaatse. De buis is kapotgegaan door de druk van een poot van de cementsilo die tijdens de bouwwerk-zaamheden op het trottoir was geplaatst. De buis bevond zich ongeveer een meter onder de oppervlakte in de grond. Het uit de kapotte gresbuis afkomstige water verdween aanvankelijk in de grond rondom de buis. Nadat het lek groter was geworden, vloeide het terug in de bouwput.

3.2 De bemaling van de bouwput vond plaats met behulp van zogenoemde zwaartekrachtbemaling, waarbij de opening van de buis waarmee het water wordt opgepompt (de haalbuis) enkele meters in de grond steekt in een buis met aan het uiteinde filters die zich op ongeveer acht meter diepte bevinden (de filterbuis).

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1 In geschil is in de eerste plaats of een deel van de door belanghebbende gemeten hoeveelheid opgepompt water door het defect aan de gresbuis moet worden aangemerkt als zich aan de oppervlakte in de bouwput bevindend water en mitsdien niet als grondwater in de zin van de Wet belastingen op milieugrondslag kan worden aangemerkt.

In de tweede plaats is nog in geschil of de Inspecteur in zijn meetrapport een rekenfout heeft gemaakt ten gevolge waarvan voor de berekening van de verschuldigde belasting een te groot aantal kubieke meters in aanmerking is genomen.

Belanghebbende beantwoordt beide vragen bevestigend, terwijl de Inspecteur deze ontkennend beantwoordt.

4.2 Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat een hoeveelheid van 52.676 kubieke meter niet als opgepompt grondwater kan worden aangemerkt en voorts dat zij door een rekenfout van de Inspecteur in het meetrapport voor een hoeveelheid van 12.600 kubieke meter te hoog is aangeslagen. Daarmee komt de onttrekking onder de vrijstellingsgrens te liggen en dient de aanslag te vervallen.

4.3 De Inspecteur heeft de standpunten van belanghebbende gemotiveerd weersproken.

5. Conclusies van partijen

5.1 Belanghebbende concludeert tot vernietiging van de aanslag.

5.2 De Inspecteur concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

6. Overwegingen omtrent het geschil

6.1 Bij de door belanghebbende toegepaste bemalingstechniek bevond zich het punt van waaruit het gemeten water werd opgepompt, te weten het einde van de haalbuis, enkele meters diep in de grond in de filterbuis waarvan het einde, voorzien van filters, zich ongeveer acht meter diep in de grond bevond. Bij het aldus oppompen van water kan niet anders dan sprake zijn van onttrekking van grondwater. Dit leidt ertoe dat de totale door belanghebbende gemeten hoeveelheid opgepompt water als grondwater als bedoeld in artikel 3 van de Wet belastingen op milieugrondslag moet worden aangemerkt. Hierbij is niet van belang of een deel van dit water eventueel vanuit de defecte gresbuis - al dan niet via de bouwput - weer in de bodem is gezakt, nu water dat zich in de bodem bevindt per definitie grondwater is.

6.2 De Inspecteur heeft belanghebbendes standpunt met betrekking tot de meetfout gemotiveerd in zijn pleitnota weersproken. Belanghebbende heeft haar andersluidende stelling in haar conclusie na verwijzing hiertegenover niet aannemelijk gemaakt.

6.3 Op grond van het vorenoverwogene is het beroep ongegrond.

7. Proceskosten

Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. Beslissing

Het Gerechtshof verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. Schuurman, Vierhout en Van Knobelsdorff. De beslissing is op 10 mei 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de griffier.

(Van den Bogerd)(Schuurman)

Aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.