Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:BB8834

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-12-2006
Datum publicatie
27-11-2007
Zaaknummer
05/1021
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Zorgplicht van garage op grond van bewaarneming; diefstal van auto; geen matiging van schadevergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 28 december 2006

Rolnummer: 05/1021

Zaak-/rolnummer rechtbank: 55888/04-2609

HET GERECHTSHOF 'S-GRAVENHAGE, vierde civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AUTOMOBIELBEDRIJF DUBBELSTEYN B.V.,

gevestigd te Dordrecht,

appellante,

hierna te noemen: Dubbelsteyn,

procureur: mr. H.J.A. Knijff,

tegen

de naamloze vennootschap

DELTA LLOYD SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: DL,

procureur: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.

Het geding

Bij exploot van 4 juli 2005 is Dubbelsteyn in hoger beroep gekomen van het vonnis dat de rechtbank Dordrecht op 27 april 2005 tussen DL als eisende partij en Dubbelsteyn als gedaagde partij heeft gewezen (hierna: het bestreden vonnis). Bij memorie van grieven heeft Dubbelsteyn vijf grieven tegen het bestreden vonnis aangevoerd, welke grieven DL bij memorie van antwoord heeft bestreden. Ter zitting van 18 juli 2006 hebben partijen hun zaak doen bepleiten, Dubbelsteyn door mr. P.C. Knijp, advocaat te Rotterdam, en DL door mr. W.H. Bouman, advocaat te Amsterdam. De raadslieden van beide partijen hebben zich daarbij bediend van pleitnotities, welke aan het hof zijn overgelegd. Ter gelegenheid van het pleidooi heeft Dubbelsteyn twee nadere producties en DL één nadere productie in het geding gebracht. Deze nadere producties zijn aan de respectieve pleitnota’s gehecht. Tenslotte hebben partijen hun procesdossiers overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling

1. Voor de inhoud van de grieven verwijst het hof naar de memorie van grieven.

2. Het hof gaat uit van de in het bestreden vonnis onder 2 tot en met 4 vastgestelde feiten, aangezien daartegen geen grieven of anderszins bezwaren zijn gericht.

3. Het gaat in deze zaak - kort gezegd - om het volgende. Op 9 oktober 2003 heeft [verzekerde] (hierna: [verzekerde]) zijn auto, een BMW X5 (hierna: de BMW), rond 17.00 uur bij het garagebedrijf van Dubbelsteyn gebracht voor een onderhoudsbeurt en een reparatie van de automatische versnellingsbak. Op dezelfde dag is de BMW rond 18.00 uur uit de werkplaats van Dubbelsteyn gestolen. De contactsleutels bevonden zich in de BMW. Door bewakingscamera’s is geregistreerd dat de dief de werkplaats is binnengelopen en dat de BMW de werkplaats kort daarna heeft verlaten. De BMW was tegen diefstal verzekerd bij DL en DL heeft in verband met de diefstal een bedrag van € 75.365,- aan haar verzekerde [verzekerde] uitgekeerd. DL is daardoor gesubrogeerd in de rechten van [verzekerde] en heeft Dubbelsteyn in rechte aangesproken tot vergoeding van het door haar aan [verzekerde] uitgekeerde bedrag, vermeerderd met nevenvorderingen. De rechtbank heeft de vorderingen van DL toegewezen. Dubbelsteyn is van dat vonnis in hoger beroep gekomen.

4. De grieven 1 en 2 lenen zich voor gezamenlijke behandeling. Zij betogen dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat Dubbelsteyn onzorgvuldig heeft gehandeld door de overheaddeur (door de rechtbank als hellingdeur aangeduid) die toegang geeft tot de werkplaats – hoe kort ook – open te laten staan zonder toezicht, terwijl de BMW in de werkplaats stond, de BMW zeer waardevol en diefstalgevoelig was, de contactsleutel in de BMW zat en het alarm van de BMW niet was geactiveerd. Verder heeft de rechtbank volgens Dubbelsteyn ten onrechte overwogen dat alle maatregelen die Dubbelsteyn had genomen ter beveiliging van haar bedrijf niet afdoen aan genoemd onzorgvuldig handelen van Dubbelsteyn.

5. In haar toelichting op de grieven 1 en 2 heeft Dubbelsteyn aangevoerd dat geen causaal verband bestaat tussen de door de rechtbank in aanmerking genomen omstandigheden (als hierboven weergegeven in rov. 4) en het beweerdelijk onzorgvuldig handelen van Dubbelsteyn. Volgens Dubbelsteyn gaat de rechtbank er ten onrechte aan voorbij dat de BMW noch van buiten de werkplaats, noch vanaf de positie waar de dief de werkplaats binnenrende, zichtbaar was. Dit betekent dat de dief door een derde op de hoogte moet zijn gehouden van de situatie, waartegen Dubbelsteyn niets kan beginnen. De hiervoor in rov. 4 genoemde omstandigheden zijn daardoor irrelevant bij de beantwoording van de vraag of Dubbelsteyn onzorgvuldig heeft gehandeld. Verder realiseert de rechtbank zich volgens Dubbelsteyn niet dat in een autogaragebedrijf de hele dag door auto’s de werkplaats in- en uitgereden worden en dat het daarvoor noodzakelijk is dat de overheaddeur naar de werkplaats soms (even) geopend is. Dubbelsteyn stelt aan haar zorgplicht ter voorkoming van diefstal van auto’s te hebben voldaan door de vergaande diefstal- en veiligheidsmaatregelen die zij heeft genomen, alsmede doordat zij de BMW op een verscholen werkplaats heeft neergezet. Deze zorgplicht is geen resultaatverplichting, maar een inspannings¬verplichting om het potentiële dieven zo lastig mogelijk te maken auto’s te ontvreemden. Dubbelsteyn is niet bij machte om iedere soort diefstal te allen tijde te voorkomen. In verband daarmee wijst Dubbelsteyn er op dat de dief in het onderhavige geval uiterst brutaal en zeer gewaagd te werk is gegaan. Dubbelsteyn is van mening dat zij aan de voormelde inspanningsverplichting heeft voldaan.

6. Het hof stelt voorop dat een bewaarnemer bij de bewaring van een zaak de zorg van een goed bewaarder in acht dient te nemen (artikel 7:602 BW). Hoever die zorg moet gaan, hangt af van de concrete omstandigheden van het geval, zoals de inhoud van de overeenkomst, de persoon van de bewaarnemer, de aard van de zaak die in bewaring wordt gegeven, het gebruik, en de redelijkheid en billijkheid.

7. In het onderhavige geval gaat het om de bewaring van een waardevolle en zeer diefstalgevoelige auto. Tussen partijen is niet in het geding dat Dubbelsteyn gehouden was om het voor potentiële dieven zo moeilijk mogelijk te maken auto’s uit haar garagebedrijf te ontvreemden. Tevens zijn partijen het er over eens dat Dubbelsteyn daartoe een groot aantal maatregelen ter beveiliging heeft genomen. De vraag die moet worden beantwoord is of Dubbelsteyn desondanks is tekortgeschoten in haar zorgplicht door de overheaddeur van de werkplaats ten tijde van de diefstal gedurende enige tijd zonder toezicht open te laten staan.

8. Tijdens het pleidooi in hoger beroep heeft de directeur van Dubbelsteyn, de heer [directeur], verklaard dat de monteurs werken tot 17.00 uur en dat auto’s die niet door klanten zijn opgehaald normaal gesproken vanaf ongeveer 18.00 uur door de verkopers binnen worden gezet. Deze verklaring wordt ondersteund door de tijdens het pleidooi in hoger beroep getoonde beelden van de bewakingscamera’s van Dubbelsteyn, toegelicht door de heer [directeur], waaruit blijkt dat kort voor en na het tijdstip van de diefstal van de BMW (om 18:04 uur) auto’s naar de werkplaats zijn gebracht (om 17:58, 18:00, 18:04, 18:06, 18:10 en 18:14 uur). In verband daarmee heeft de overheaddeur van de werkplaats tussen 17:58 uur en 18:14 uur voortdurend dan wel met korte tussenpozen opengestaan. Niet gesteld of gebleken is dat Dubbelsteyn daarbij toezicht op de open toegang tot de werkplaats (de overheaddeur) heeft laten houden.

9. Het hof is in verband met het voorgaande van oordeel dat het ontbreken van toezicht bij de open overheaddeur van de werkplaats tijdens het binnenzetten van auto’s, gelet op het feit dat de sleutel van de BMW in het contact was gelaten en het alarmsysteem van de BMW niet was ingeschakeld, met zich brengt dat Dubbelsteyn niet aan de op haar rustende zorgplicht heeft voldaan. Volgens Dubbelsteyn zelf waren diefstallen van zeer diefstalgevoelige auto’s als de onderhavige in de tijd steeds brutaler, gewaagder en gewelddadiger geworden. Daaruit volgt dat bij de bewaring van dergelijke auto’s een grote mate van zorgvuldigheid in acht moet worden genomen. Het hof is van oordeel dat er redelijkerwijs van uit moet worden gegaan dat toezicht van een medewerker bij de overheaddeur (na het vertrek van de monteurs uit de werkplaats om 17.00 uur) de kans op een diefstal als de onderhavige aanmerkelijk zou hebben verkleind, zeker als die medewerker de overheaddeur steeds direct voor en direct na het naar binnen rijden van een auto zou hebben geopend respectievelijk gesloten. Het verweer van Dubbelsteyn, dat toezicht door een medewerker niet zou hebben uitgemaakt en dat de onderhavige dief zich daardoor niet zou hebben laten tegenhouden, wordt derhalve verworpen. Dat de dief daadwerkelijk een vuurwapen bij zich zou hebben gehad is niet gesteld of gebleken en ook de overige omstandigheden van het onderhavige geval geven geen aanleiding tot een andere conclusie dan dat Dubbelsteyn is tekortgeschoten in haar zorgplicht bij de bewaring van de BMW. Dit leidt er toe dat de grieven 1 en 2 falen.

10. Grief III is gericht tegen de overweging van de rechtbank dat van eigen schuld aan de zijde van DL ter zake van een zogeheten ‘trace- and tracking’ systeem slechts sprake zou kunnen zijn indien haar verzekerde [verzekerde] ten onrechte had nagelaten de BMW van een dergelijk systeem te voorzien. Dubbelsteyn stelt daartoe dat het feit dat DL gesubrogeerd verzekeraar is niet met zich brengt dat DL geen verwijt zou kunnen worden gemaakt van eigen nalatigheid. Volgens Dubbelsteyn valt DL te verwijten dat zij heeft nagelaten om in de verzekeringsovereenkomst met [verzekerde] te bedingen dat uitkering alleen zou plaatsvinden indien de BMW was voorzien van een 'trace- and tracking' systeem. De aanwezigheid van een dergelijk systeem zou er waarschijnlijk toe hebben geleid dat de diefstal van de BMW niet zou zijn doorgezet en dat [verzekerde] als verzekerde geen schade zou hebben geleden. Verder betwist Dubbelsteyn dat het in 2003 nog niet gebruikelijk was dat verzekeringsmaatschappijen een ‘trace- and tracking’ systeem verplicht stelden en zij biedt in verband daarmee bewijs aan. Ten slotte heeft Dubbelsteyn ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep een

e-mailbericht van 29 juni 2006 van de heer [tussenpersoon] de Jong van Korenhof & Partners Verzekeren overgelegd, waarin het volgende staat:

"Betreffende bovenvermeld schadegeval, heb ik bij enige maatschappijen navraag gedaan over het toepassen van beveiligingssysteem SCM klasse 4 en/of 5. Dit betreft een voertuigvolgsysteem.

Voor auto’s met een cataloguswaarde van E. 75.000,- of meer is dit volgsysteem verplicht gesteld sinds de introductie hiervan in 2002. Voor diefstalgevoelige auto’s zoals: B.M.W. (alle typen) is dit ook verplicht gesteld vanaf E. 50.000,-. Incidenteel kan hiervan door de Mij. worden afgeweken.

In alle gevallen is in 2003 dit door alle Mijen ingevoerd.

Ik heb navraag gedaan bij o.a.: Reaal Verzekeringen / Allianz Nederland / Delta Lloyd."

11. Het hof overweegt dat Dubbelsteyn op zichzelf terecht stelt dat een aansprakelijk gestelde persoon aan een gesubrogeerd verzekeraar onzorgvuldig handelen kan verwijten, indien sprake is van eigen nalatigheid van de betreffende verzekeraar met betrekking tot het ontstaan van de schade. Hoewel grief 3 in zoverre gegrond is, leidt dat echter op grond van het navolgende niet tot vernietiging van het bestreden vonnis. Volgens het door Dubbelsteyn overgelegde e-mailbericht van 29 juni 2006 is de verplichting voor verzekerden tot het aanbrengen van een volgsysteem ('trace and tracking' systeem) in alle gevallen in 2003 door alle verzekeringsmaatschappijen ingevoerd (naar het hof begrijpt: voor zover navraag is gedaan). DL heeft in verband daarmee ter gelegenheid van het pleidooi in hoger beroep een voorbeeld van de brief overgelegd die zij in 2003 aan assurantietussenpersonen heeft gezonden. In deze brief kondigde DL een extra acceptatieregel aan waarbij voor auto’s als de BMW X5 een voertuigvolgsysteem verplicht werd gesteld per 1 november 2003 (voor nieuwe posten) en per 1 januari 2004 (voor de bestaande portefeuille). Dubbelsteyn heeft de inhoud van deze brief van DL niet gemotiveerd weersproken. Het hof is van oordeel dat uit voormeld e-mailbericht en voormelde brief van DL, in onderling verband beschouwd, kan worden opgemaakt dat DL in vergelijking met andere verzekeraars of anderszins niet nalatig is geweest inzake het (tijdstip van) verplichtstellen van een voertuigvolgsysteem voor auto’s zoals de onderhavige BMW. In het licht daarvan heeft Dubbelsteyn haar stelling dat sprake is van eigen onzorgvuldig handelen van DL onvoldoende onderbouwd. Het door Dubbelsteyn gedane bewijsaanbod verwerpt het hof als niet ter zake doende, althans te vaag en ongespecificeerd. Hieruit volgt dat ook de derde grief faalt.

12. Grief 4 betoogt dat de rechtbank ten onrechte het beroep op matiging van Dubbelsteyn heeft verworpen. In verband daarmee stelt Dubbelsteyn dat sprake was van een uiterst brutale en gewaagde diefstal, en zij meent dat de hoedanigheid van partijen van belang is bij de beantwoording van de vraag of, en zo ja in welke mate, zij gehouden is tot vergoeding van de als gevolg van de diefstal ontstane schade. DL heeft haar bedrijf gemaakt van het verlenen van dekking voor risico’s als de onderhavige. Daartegenover staat Dubbelsteyn die als garagehouder financiële opofferingen heeft moeten doen voor diefstalpreventie- en veiligheidsmaatregelen en die desondanks niet heeft kunnen voorkomen dat vanuit haar werkplaats een auto is gestolen vanaf een voor derden verscholen werkplek. Daarbij komt nog dat Dubbelsteyn geen dekking heeft onder haar eigen verzekering. Onder die omstandigheden is naar de mening van Dubbelsteyn wel degelijk plaats voor matiging van een eventuele schadevergoedingsplicht.

13. Het hof verwerpt het beroep van Dubbelsteyn op matiging. Toekenning van de volledige door DL gevorderde schadevergoeding betekent voor Dubbelsteyn bij gebreke van verzekeringsdekking ongetwijfeld een hoge kostenpost, maar Dubbelsteyn heeft onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld die kunnen leiden tot de conclusie dat in het onderhavige geval sprake is van kennelijk onaanvaardbare gevolgen. Dubbelsteyn moet vanwege haar bedrijfsuitoefening worden beschouwd als een professionele bewaarnemer van zeer diefstalgevoelige auto’s, waarmee samenhangt dat zij vergaande, adequate maatregelen ter voorkoming van diefstal diende te nemen. Dat de BMW desondanks op een brutale en gewaagde wijze is gestolen, leidt er in de gegeven omstandigheden niet toe dat Dubbelsteyn jegens DL, in verband met haar hoedanigheid van schadeverzekeraar, een beroep toekomt op matiging van de aan DL (als gesubrogeerd verzekeraar) verschuldigde schadevergoeding. Ook grief 4 faalt derhalve.

14. Grief 5 is een algemene grief. Niet duidelijk is waartegen DL zich in verband daarmee zou dienen te verweren, zodat deze grief reeds daarom faalt.

15. Uit het voorgaande volgt dat alle grieven falen en dat het bestreden vonnis zal worden bekrachtigd. Dubbelsteyn zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure in hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het tussen partijen gewezen vonnis van de rechtbank Dordrecht van 27 april 2005, waarvan beroep;

- veroordeelt Dubbelsteyn in de kosten van het geding in hoger beroep aan de zijde van DL, tot aan deze uitspraak begroot op € 2.295,- aan verschotten en € 4.893,- aan salaris voor de procureur;

- verklaart dit arrest voor wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit arrest is gewezen door mrs. P.M. Verbeek, J.J. Roos en A.G. Beets en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 28 december 2006 in het bijzijn van de griffier.