Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:BA9731

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
29-12-2006
Datum publicatie
20-07-2007
Zaaknummer
BK-03/01419
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak betreffende WOZ-waardering van 3929 woningen uit het bestand van stichting Delftwonen (Delft).

Met het oog op een behoorlijke afdoening wordt de zaak gesplitst in een nader te bepalen aantal zaken. Deze uitspraak bevat een aantal oordelen die voor alle gesplitste zaken gelden.

De heffingsambtenaar heeft zijn uitspraken op bezwaar vervat in een zestal geschriften die hij 'deeluitspraken' heeft genoemd en die hij als één geheel beschouwde. Het beroep ziet op uitspraken, vervat in deeluitspraak 4 en deeluitspraak 5. De dagtekening van deze geschriften is niet gelijk. Het beroep betreffende de in deeluitspraak 4 vervatte uitspraken op bezwaar is niet tijdig ingediend, maar het hof laat niet-ontvankelijkverklaring achterwege omdat de heffingsambtenaar, hoewel ten onrechte, had meegedeeld dat de dagtekening van de laatste deeluitspraak als de dagtekening van 'de uitspraak' zou gelden.

De WOZ-beschikkingen zijn in elektronische vorm bekendgemaakt. Hoewel artikel 1:3 Awb niet volledig is nageleefd, was de bekendmaking in overeenstemming met artikel 3:41, lid 2, Awb ('op andere geschikte wijze').

Er is geen gebrek geconstateerd in de kenbaarheid van de beschikkingen of van de rechtsmiddelen daartegen. Het is niet aannemelijk dat belanghebbende is benadeeld door de wijze waarop de beschikkingen zijn vastgelegd of bekend zijn gemaakt.

Belanghebbende heeft, door gebruik te maken van de rechtsmiddelen van bezwaar en beroep en de wijze waarop dat is gebeurd, geen onredelijk gebruik gemaakt van het procesrecht.

Nadat de zaken zijn gesplitst, wordt alleen bij gegrondbevinding van het beroep een proceskostenvergoeding voor de behandeling van het beroep en een schadevergoeding voor de behandeling van het bezwaar toegekend, en wel naar gelang het aantal onroerende zaken waarop de gesplitste zaak betrekking heeft.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2007/916
FutD 2007-1391
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

derde meervoudige belastingkamer

29 december 2006

nummer BK-03/01419

TUSSENUITSPRAAK

op het beroep van de stichting Stichting Delftwonen, statutair gevestigd te Delft, tegen de uitspraken van de Inspecteur, het Hoofd Belastingen van de gemeente Delft, betreffende na te noemen beschikkingen.

1. Beschikkingen en bezwaar

1.1 Bij 9609 beschikkingen als bedoeld in artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken heeft de Inspecteur van in totaal 9557 onroerende zaken, gelegen in de gemeente Delft, de waarde in het economische verkeer op 1 januari 1999 (de waardepeildatum) vastgesteld. De beschikkingen zijn aan belanghebbende gericht in haar hoedanigheid van eigenares (9505 onroerende zaken) of eigenares-gebruikster (52 onroerende zaken) en gelden voor het tijdvak van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004.

1.2 Van de onder 1.1 bedoelde beschikkingen zijn er 9524 als volgt aan belanghebbende bekend gemaakt:

- 9029 door toezending van een diskette met een begeleidende schriftelijke kennisgeving met het nummer 142187, gedagtekend 28 februari 2001, waarin naar die diskette is verwezen,

- 495 door toezending van een diskette met een begeleidende schriftelijke kennisgeving met het nummer 142191, gedagtekend 28 februari 2001, waarin naar die diskette is verwezen.

1.3 Van de onder 1.1 bedoelde beschikkingen zijn er 85, vermeld op de na te noemen kennisgevingen, niet in het beroep betrokken:

- 3 beschikkingen, vermeld op één biljet met het kennisgevingnummer 188288, gedagtekend 31 juli 2001,

- 15 beschikkingen, vermeld op één biljet met het kennisgevingnummer 189144, gedagtekend 30 september 2001,

- 63 beschikkingen, vermeld op één biljet met het kennisgevingnummer 189387, gedagtekend 30 september 2001,

- 1 beschikking, vermeld op een biljet met het kennisgevingnummer 190563, gedagtekend 31 oktober 2001,

- 3 beschikkingen, vermeld op één biljet met het kennisgevingnummer 192218, gedagtekend 30 november 2001.

1.4 Bij brief van 6 april 2001 heeft belanghebbende tegen 6625 van de met de kennisgevingen van 28 februari 2001 bekendgemaakte beschikkingen, betrekking hebbend op 6584 onroerende zaken, bezwaar gemaakt. Het bezwaarschrift strekt tevens tot vermindering van een aantal aanslagen, doch hierop heeft het beroep geen betrekking.

Belanghebbende heeft nadien het bezwaar tegen 1874 beschikkingen, door alsnog akkoord te gaan met de vastgestelde waarde of met een door de Inspecteur nader vastgestelde lagere waarde, ingetrokken. Tegen 4751 beschikkingen, betrekking hebbend op 4710 onroerende zaken, bleef belanghebbende bezwaren houden.

1.5 De Inspecteur heeft bij wege van uitspraak op de bezwaren beslist. De uitspraken zijn, naar gelang van de aard van het bezwaar, verenigd in als 'deeluitspraken' aangeduide geschriften, welke onderscheidenlijk zijn gedagtekend 31 maart 2003, 1 april 2003, 3 april 2003, 7 april 2003 en 8 april 2003. Deze geschriften zijn respectievelijk aangeduid als deeluitspraak 2, 3, 4, 5 en 6 en hebben onderscheidenlijk betrekking op in bezwaar aangevoerde grieven betreffende belastingplicht, sloop- en renovatieobjecten, factor inhoud, waarde en overige grieven.

1.6 In 'deeluitspraak 2' zijn uitspraken vervat op het bezwaar tegen 23 op kennisgevingnummer 142187 voorkomende beschikkingen en op het bezwaar tegen 4 op kennisgevingnummer 142191 voorkomende beschikkingen. Bij die 27 uitspraken zijn 2 beschikkingen, voorkomend op kennisgevingnummer 147187 en betrekking hebbend op evenzoveel onroerende zaken, vernietigd en is het bezwaar tegen de overige 25 beschikkingen (betreffende 23 onroerende zaken) ongegrond verklaard. Deze uitspraken worden in beroep niet bestreden.

1.7 In 'deeluitspraak 3' zijn uitspraken vervat op het bezwaar tegen 155 op kennisgeving 142187 voorkomende beschikkingen (betreffende evenzoveel onroerende zaken). Bij die uitspraken zijn 92 beschikkingen vernietigd, terwijl het bezwaar tegen de overige 63 beschikkingen gegrond is verklaard met vermindering van de waarde. Deze 155 uitspraken worden in beroep niet bestreden.

1.8 In 'deeluitspraak 4' zijn - voor zover te dezen van belang - uitspraken vervat op het bezwaar tegen 1444 op kennisgevingnummer 142187 voorkomende beschikkingen en op het bezwaar tegen 20 op kennisgevingnummer 142191 voorkomende beschikkingen. De hier bedoelde 1464 uitspraken zien op 1463 onroerende zaken.

1.9 In 'deeluitspraak 5' zijn uitspraken vervat op het bezwaar tegen 2796 op kennisgevingnummer 142187 voorkomende beschikkingen en op het bezwaar tegen 319 op kennisgevingnummer 142191 voorkomende beschikkingen. De hier bedoelde 3115 uitspraken zien op 3076 onroerende zaken. In 10 gevallen (die zien op 9 onroerende zaken) betreft het een gegrondverklaring van het bezwaar, nadat de Inspecteur eerder het bezwaar bij deeluitspraak 4 al ongegrond had verklaard. Het Hof beschouwt deze gegrondverklaringen als ambtshalve verminderingen.

1.10 In 'deeluitspraak 6' heeft de Inspecteur grieven verworpen die niet in de eerdere deeluitspraken aan de orde zijn gekomen. Uitspraken op bezwaar zijn hier echter niet in vervat.

2. Loop van het geding

2.1 Bij brief van maandag 19 mei 2003 is belanghebbende van de uitspraken inzake de kennisgevingnummers 142187 en 142191 pro forma in beroep gekomen bij het Hof. Deze brief is op dezelfde dag per fax ter griffie van het Hof ingekomen.

In verband met het beroep is door de griffier een griffierecht geheven van € 232. Het beroepschrift is bij brief van 31 oktober 2003 voorzien van gronden.

2.2 De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft vervolgens een conclusie van repliek ingediend, waarop de Inspecteur heeft gereageerd met een conclusie van dupliek.

2.3 De mondelinge behandeling van de zaak heeft plaatsgehad in drie gedeelten. Ter zitting van het Gerechtshof van 1 februari 2006, gehouden te Den Haag, is de zaak tegelijk behandeld met de zaken, bekend onder de nummers BK-03/01566 (Vestia), BK-03/01867 (Duwo) en BK-03/02226 (Vidomes). Aan het einde van deze zitting heeft het Hof het onderzoek ter zitting geschorst.

2.4 In de periode daarna hebben partijen eerst getracht een minnelijke regeling te bereiken, hetgeen niet is gelukt.

Vervolgens heeft tussen het Hof en partijen een briefwisseling plaatsgevonden. Partijen hebben er op 19 mei 2006 zorg voor gedragen dat het Hof kan beschikken over een CD-ROM met een Excel-bestand waarmee alle relevante gegevens omtrent de onderwerpelijke beschikkingen kunnen worden geraadpleegd.

2.5 Op 24 mei 2006 heeft een tweede zitting plaatsgevonden, waarbij de zaak inhoudelijk en individueel is behandeld. Op die zitting hebben partijen ermee ingestemd dat het Hof desgeraden uitgaat van de juistheid van de gegevens in het Excel-bestand indien en voor zover deze gegevens afwijken van de in het dossier op papier beschikbare gegevens.

Na een korte schorsing heeft vervolgens op 24 mei 2006 een derde mondelinge behandeling plaatsgevonden, tezamen met de voornoemde andere zaken, met het accent op het onderwerp proceskosten.

2.6 Op alle zittingen zijn steeds beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting zijn processen-verbaal opgemaakt.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1 In de aanvulling van 31 oktober 2003 op het beroepschrift is vermeld dat het beroep ziet op alle beschikkingen met de hiervoor onder 1.2 en 1.3 vermelde kennisgevingnummers. Voorts is in die aanvulling vermeld dat het gaat om 3931 woningen.

3.2 Uit het Excel-bestand dat het Hof op 19 mei 2006 heeft ontvangen, blijkt dat het beroep uitsluitend ziet op 3970 van de hiervoor onder 1.2 bedoelde beschikkingen en dat dit 3938 onroerende zaken betreft.

3.3 Ter zitting heeft de gemachtigde van belanghebbende het beroep betreffende de beschikkingen, waarbij de waarde van de onderscheidene onroerende zaken aan de Staalmeesterstraat 38 en aan de Pootstraat nrs. 153-I, 155-I, 157-I, 159-I, 161-I, 163-I, 171-I en 173-I zijn vastgesteld, ingetrokken.

Het gaat hier om 9 beschikkingen die zijn vermeld op kennisgevingnummer 142187 en die aan belanghebbende zijn gericht in haar hoedanigheid van eigenares.

Hiermee rekening houdend heeft het beroep uiteindelijk betrekking op 3961 beschikkingen (3929 onroerende zaken).

3.4 Na de tweede mondelinge behandeling en in afwijking van het toen besprokene, is gebleken dat de onroerende zaak aan de Sasboutstraat 14-I wel voorkomt in het voornoemde Excel-bestand, maar dat het beroep niet mede op deze onroerende zaak betrekking heeft.

3.5 Belanghebbende heeft destijds de Inspecteur verzocht om de gegevens van de beschikkingen, behorend bij de kennisgevingen, genummerd 142187 onderscheidenlijk 142191, als elektronisch bestand op diskette aan belanghebbende te zenden. De reden voor dit verzoek was dat belanghebbende, met het oog op het enorme aantal objecten, van mening was dat het uitwisselen van gegevens per geautomatiseerd systeem tussen partijen de enig werkbare manier was om de aanduiding van objecten en bepaalde WOZ-waarden te controleren.

3.6 De Inspecteur heeft op de hierna beschreven wijze aan het verzoek van belanghebbende voldaan.

3.7 De schriftelijke kennisgevingen waarbij de onderscheidene diskettes waren gevoegd, luiden:

"Waardebeschikking tijdvak 2001-2004

AAN: Stichting Delftwonen

[adres]

Dagtekening : 28-02-2001 Klantnummer: 384546

Kennisgevingsnummer: 142187 (c.q. 142191)

Geacht heer/mevrouw,

Op grond van de Wet Waardering onroerende zaken is de waarde in het economisch verkeer van de hieronder genoemde onroerende zaak/zaken, waarvan u bij de gemeente bekend staat als eigenaar en/of gebruiker, als volgt vastgesteld:

Beschikkingnr. WOZ-objectnr Object Belang Waarde in guldens Waarde in euro's

zie bijgeleverde diskette bestand KG142187

(c.q. KG142191)

De waarde is vastgesteld naar de waardepeildatum 1 januari 1999 en heeft betrekking op het tijdvak 1 januari 2001 tot en met 31 december 2004.

Tegen deze beschikking kan binnen zes weken na dagtekening schriftelijk bezwaar worden gemaakt bij het hoofd van de afdeling belastingen van de gemeente Delft, [adres].

Hoogachtend,

w.g.

R. Heuvelman

Hoofd afdeling Belastingen"

Bij deze kennisgevingen waren diskettes gevoegd met de bestanden waarnaar is verwezen.

In de kolommen van beide schriftelijke kennisgevingen zijn, afgezien van de verwijzing naar het bestand op de bijbehorende diskette, geen gegevens ingevuld.

3.8 De bestanden die op de diskettes waren opgeslagen, zijn door belanghebbende afgedrukt. Deze afdrukken zijn opgenomen in bijlage 4 bij de aanvulling op het beroepschrift.

3.9 De door belanghebbende gemaakte afdrukken van de bestanden die op diskettes staan, hebben een kolomindeling die in wezen gelijk is aan die op de schriftelijke kennisgevingen.

3.10 In de deeluitspraken 2, 3, 4 en 5 is de volgende mededeling opgenomen:

"Wijze van uitspraak doen

Omwille van de overzichtelijkheid van het bezwaar en de afhandeling ervan, zal ik de uitspraak op het bezwaarschift in delen geven en in verschillende brieven neerleggen. Aangezien het om één en hetzelfde bezwaarschrift gaat, dient u deze geschriften ook als één uitspraak te beschouwen. Derhalve zal de dagtekening van de laatste deeluitspraak hebben te gelden als dagtekening voor de gehele uitspraak; de laatste deeluitspraak zal uiteraard als zodanig gekenmerkt zijn."

3.11 In de deeluitspraak 6, gedagtekend 8 april 2003, is de volgende mededeling opgenomen:

"Wijze van uitspraak doen

(...) De dagtekening van deze laatste deeluitspraak heeft te gelden als dagtekening voor de gehele uitspraak!"

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1 Het geschil tussen partijen betreft het volgende.

4.1.1 Belanghebbende stelt zich primair op het standpunt dat de beschikkingen, doordat deze niet op schrift maar als elektronisch bestand aan haar zijn gezonden, niet op de bij of krachtens de wet voorgeschreven wijze zijn genomen en bekend zijn gemaakt. Zij verbindt aan dit standpunt de conclusie dat het Hof die beschikkingen dient te vernietigen.

4.1.2 Subsidiair heeft belanghebbende het standpunt ingenomen dat de waarde van de onroerende zaken waarop de onderwerpelijke beschikkingen zien en waarop het beroep betrekking heeft, te hoog is vastgesteld en moet worden verminderd tot de door haar genoemde waarden. In dit verband beroept zij zich op rapportages van door haar ingeschakelde deskundigen.

4.1.3 Het meer subsidiaire standpunt van belanghebbende, kortweg inhoudend dat de Inspecteur gebonden is aan een tussen partijen gesloten compromis, heeft belanghebbende ter zitting van 24 mei 2006 ingetrokken.

4.1.4 Ten slotte verzoekt belanghebbende het Hof de Inspecteur te veroordelen in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 Awb, en hem voorts, op grond van artikel 8:73 Awb, ter zake van de kosten van bezwaar te veroordelen tot een schadevergoeding. Voor beide bepleit zij vergoeding van de werkelijk gemaakte kosten.

4.2 De Inspecteur heeft de standpunten van belanghebbende gemotiveerd bestreden.

4.2.1 Met betrekking tot het primaire standpunt van belanghebbende heeft de Inspecteur gesteld dat de digitale aanlevering van de beschikkingen door belanghebbende is verzocht en dat daaromtrent tevoren overleg met haar heeft plaatsgevonden, dat de kenbaarheid van de beschikkingen niet is geschaad, dat er geen sprake is van onjuistheden of onduidelijkheden, dat reproductie mogelijk is en dat - zou sprake zijn van vormverzuim - belanghebbende hierdoor niet is benadeeld.

4.2.2 Met betrekking tot het subsidiaire standpunt van belanghebbende beroept de Inspecteur zich op rapportages van door hem ingeschakelde deskundigen.

4.2.3 Met betrekking tot de proceskosten plaatst de Inspecteur vraagtekens bij de door belanghebbende opgevoerde uren en tarieven. Hij is van mening dat aan belanghebbende een vergoeding wegens proceskosten niet toekomt. Voor zover het Hof daar anders over oordeelt, stelt de Inspecteur zich op het - ter zitting in zoverre gewijzigde - standpunt dat sprake is van onredelijk gebruik van procesrecht door belanghebbende, dat zij daarom zou kunnen worden veroordeeld in de proceskosten van de Inspecteur, en dat de Inspecteur daar aanspraak op maakt ter compensatie van enig aan belanghebbende toe te kennen bedrag. Per saldo hoeft aan de gemeente niet een bedrag aan proceskosten te worden toegekend.

4.3 Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen verwijst het Hof verder naar de gedingstukken.

5. Beoordeling van het beroep

Ontvankelijkheid

5.1 Er is sprake van één bezwaarschrift. Hierin waren bezwaren vervat tegen - uiteindelijk - 4751 beschikkingen (betreffende 4710 onroerende zaken). Op dit bezwaarschrift moest de Inspecteur evenzoveel beslissingen nemen (uitspraken doen). Hij heeft ervoor gekozen deze uitspraken te vervatten in meer geschriften en hij heeft deze geschriften 'deeluitspraken' genoemd. Anders dan uit deze aanduiding en de hiervoor onder 3.10 en 3.11 vermelde mededelingen van de Inspecteur kan worden begrepen, vormen deze deeluitspraken tezamen echter niet één uitspraak op het bezwaarschrift.

5.2 Het beroep ziet uitsluitend op uitspraken, vervat in de deeluitspraken 4 en 5. Voor de beoordeling of het beroep tegen de in elk van deze geschriften vervatte uitspraken op bezwaar tijdig is, moet de dagtekening van het desbetreffende geschrift tot uitgangspunt worden genomen. Partijen hebben met betrekking tot geen van die geschriften gesteld dat de verzending ervan aan belanghebbende op een andere datum heeft plaatsgevonden dan op die van de dagtekening ervan. Evenmin blijkt uit de gedingstukken van enige van de dagtekening van die geschriften afwijkende verzenddatum.

5.3 Dit betekent dat het beroepschrift, voor zover het is gericht tegen in deeluitspraak 4 vervatte uitspraken op bezwaar, gelet op de dagtekening ervan niet is ingediend binnen de termijn van 6 weken, genoemd in artikel 6:7 van de Algemene wet bestuursrecht.

5.4 Niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan moet echter achterwege blijven omdat redelijkerwijs niet geoordeeld kan worden dat de indiener van het beroepschrift in verzuim is, aangezien door de Inspecteur in de deeluitspraken is meegedeeld - zij het ten onrechte - dat de dagtekening van de laatste deeluitspraak, zijnde 8 april 2003, als dagtekening voor alle deeluitspraken zou hebben te gelden en belanghebbende op de juistheid van deze mededeling mocht vertrouwen.

Vorm en wijze van bekendmaking van de beschikkingen

5.5 De Inspecteur heeft de onderwerpelijke beschikkingen op de hiervoor onder 1.2 en 3.7 beschreven wijze aan belanghebbende doen toekomen. Belanghebbende kan worden toegegeven dat daarmee artikel 1:3 Awb niet volledig is nageleefd. Zou dit meebrengen dat de bekendmaking van de beschikkingen niet is geschied op een wijze als bedoeld in artikel 3:41, eerste lid, Awb, dan is het Hof van oordeel dat de bekendmaking - in overeenstemming met het tweede lid van het laatstgenoemde artikel - op andere geschikte wijze is geschied.

5.6 Van concrete aanwijzingen voor een gebrek in de kenbaarheid van de beschikkingen of van de rechtsmiddelen daartegen, of voor het bestaan van een onzekere rechtstoestand, is in dit geding niets gebleken. Ook heeft belanghebbende, voor zover al gesteld, tegenover de bestrijding door de Inspecteur niet aannemelijk gemaakt dat zij door de wijze waarop de beschikkingen zijn vastgelegd of deze bekend zijn gemaakt, is benadeeld. Mitsdien verwerpt het Hof belanghebbendes primaire standpunt.

Splitsing

5.7 Hoewel het Hof, met de griffier, het onderhavige beroepschrift beschouwt als betrekking hebbend op samenhangende besluiten als bedoeld in artikel 8:41, eerste lid, van de Awb, is het Hof van oordeel dat een behoorlijke afdoening van deze zaak gediend is met splitsing (in de zin van artikel 8:14 Awb) ervan in meer zaken, zodat het daartoe zal besluiten. De griffier heeft te kennen gegeven dat, gelet op de hiervoor bedoelde samenhang, die door de splitsing niet wordt verbroken, geen reden bestaat om ter zake van de na de splitsing ontstane zaaknummers griffierechten te heffen.

6. Proceskosten en schadevergoeding

Onredelijk gebruik van procesrecht

6.1 Bij de derde mondelinge behandeling, betreffende de proceskosten, heeft de Inspecteur te kennen gegeven dat zijn standpunt dat belanghebbende - wegens kennelijk onredelijk gebruik van procesrecht - in de proceskosten van de Inspecteur moet worden veroordeeld, nader aldus moet worden verstaan dat het slechts strekt tot beperking van het bedrag dat de gemeente Delft als vergoeding van proceskosten aan belanghebbende zou moeten betalen. Belanghebbende heeft ontkend dat zij onredelijk gebruik heeft gemaakt van procesrecht.

6.2 Hieromtrent overweegt het Hof dat de Inspecteur - op wie te dezen de bewijslast rust - niet aannemelijk heeft gemaakt dat belanghebbende, door gebruik te maken van de rechtsmiddelen van bezwaar en beroep en de wijze waarop zulks is gebeurd, onredelijk gebruik heeft gemaakt van procesrecht. Mitsdien zal het Hof belanghebbende in geen van de gesplitste zaken veroordelen in de proceskosten van de Inspecteur of op die grond overgaan tot matiging of compensatie van het beloop van de eventueel aan belanghebbende toe te kennen schade- of proceskostenvergoeding.

Uitgangspunten voor vergoeding van proceskosten en schade

6.3 Of belanghebbende aanspraak kan maken op een schadevergoeding en/of een proceskostenvergoeding en tot welk beloop, moet worden bepaald in elke gesplitste zaak afzonderlijk. Hierbij zal het Hof de volgende uitgangspunten hanteren.

a. Het Hof zal alleen bij gegrondbevinding van het beroep de Inspecteur veroordelen in de proceskosten in verband met de behandeling van het beroep;

b. Het Hof zal alleen bij gegrondbevinding van het beroep de Inspecteur veroordelen tot vergoeding van door belanghebbende geleden schade wegens kosten in verband met de behandeling van het bezwaar;

c. Het Hof zal de kosten die belanghebbende heeft gemaakt naar evenredigheid van het aantal onroerende zaken waarvoor het beroep gegrond wordt verklaard, toekennen en wel als volgt:

1. Het beroep ziet op in totaal 3929 onroerende zaken;

2. Wat betreft de beroepsmatig aan belanghebbende verleende rechtsbijstand in de beroepsfase zal het Hof uitgaan van een vergoeding op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht, neerkomend op {6 punten à € 322 maal 2 (gewicht van de zaak) maal 1,5 (samenhang) gedeeld door 3929 is afgerond} € 1,50 per onroerende zaak;

3. Belanghebbende heeft voor taxatietechnische werkzaamheden in de beroepsfase 59 uren à € 175 en 61,75 uren à € 285 geclaimd. Wat betreft het aantal uren heeft het Hof geen aanleiding aan die opgaaf te twijfelen. Voor de toekenning van een vergoeding geldt echter de normering van het Besluit tarieven in strafzaken 2003, onder meer inhoudend dat het uurtarief voor werkzaamheden van deskundigen als in dit geval maximaal € 81,23 exclusief omzetbelasting bedraagt. Het Hof zal derhalve uitgaan van een vergoeding, gebaseerd op {121 uren maal € 81,23 gedeeld door 3929 is afgerond} € 2,50 per onroerende zaak;

4. Het bezwaar tegen de bij kennisgevingen 142187 en 142191 bekendgemaakte beschikkingen had aanvankelijk betrekking op 6584 onroerende zaken. Na het deskundigenonderzoek bij belanghebbende is het bezwaar betreffende 1874 onroerende zaken ingetrokken. Gehandhaafd is het bezwaar betreffende 4710 onroerende zaken;

5. Belanghebbende heeft voor kosten van rechtsbijstand in de bezwaarfase 72 uren à € 220 en 21 uren à € 120 geclaimd tot een totaalbedrag van € 18.360 exclusief omzetbelasting. Hierbij heeft belanghebbende ervan afgezien alle bestede uren voor vergoeding in aanmerking te brengen. Het Hof heeft geen aanleiding aan de opgaaf of de redelijkheid ervan te twijfelen. Per onroerende zaak die in het bezwaar was betrokken, komt dit neer op een bedrag van {€ 18.360 gedeeld door 6584 is afgerond} € 2,80 per onroerende zaak. Bij een gegrond beroep zal het Hof dit bedrag bij de bepaling van het beloop van een schadevergoeding in aanmerking nemen;

6. Belanghebbende heeft voor taxatietechnische werkzaamheden in de bezwaarfase 104,25 uren à € 95 en 119,75 uren à € 200 geclaimd tot een totaalbedrag van € 33.854 exclusief omzetbelasting. Het Hof ziet aanleiding een bedrag van € 4.970 (post 9) buiten aanmerking te laten. Verder ziet het Hof aanleiding het uurtarief van € 200 te matigen tot € 150. Alsdan komt bij een gegrond beroep een bedrag van {(98,25 maal € 95) plus (97,75 maal € 150) gedeeld door 6584 is afgerond} € 3,65 per onroerende zaak voor vergoeding in aanmerking.

d. Het vorenstaande resulteert erin dat een vergoeding wegens proceskosten (beroep) een beloop heeft van € 4,00 per onroerende zaak ten aanzien waarvan het beroep gegrond wordt verklaard, en dat een schadevergoeding (bezwaar) in zo'n geval een beloop heeft van € 6,45 per onroerende zaak.

7. Griffierecht

Indien in één van de gesplitste zaken de uitspraak inhoudt dat het beroep gegrond is, zal het voor deze zaak gestorte griffierecht aan belanghebbende dienen te worden vergoed. Hieromtrent zal het Hof beslissen in zijn einduitspraak.

8. Beslissing

Het Gerechtshof

- splitst de zaak in een nader te bepalen aantal zaken, en

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. Schuurman, Vierhout en Visser. De beslissing is op 29 december 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de griffier.

(Otto) (Schuurman)

aangetekend aan

partijen verzonden: