Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:BA0157

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-01-2006
Datum publicatie
08-03-2007
Zaaknummer
755-H-05
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Omgang tussen de vader en de minderjargen: Niet gebleken is dat omgang tussen de vader en de kinderen schadelijk is, mits de communicatie tussen de ouders wordt verbeterd. Er is sprake van enige toenadering tussen partijen en de kinderen zijn het meest gebaat bij een gedragsverandering van de ouders, welke door middel van forensische mediation bewerkstelligd zou kunnen worden. Om die reden heeft het hof een deskundige benoemd teneinde te bemiddelen en is de behandeling van de zaak aangehouden. (Zie ook voor de eindbeslissing:LJN BA 0160)

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak : 25 januari 2006

Rekestnummer : 755-H-05

Rekestnr. rechtbank : 00-8226

GERECHTSHOF TE 'S-GRAVENHAGE

FAMILIEKAMER

B e s c h i k k i n g

in de zaak van

[De vader],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. E.M.H. Alkemade,

tegen

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep

hierna te noemen: de moeder.

Als belanghebbende is aangemerkt:

de raad voor de kinderbescherming,

vestiging 's-Gravenhage,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 27 juni 2005 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 25 maart 2005.

De moeder heeft geen verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vader is op verzoek van het hof op 20 december 2005 het volledige raadsrapport van 2 juli 2002 ingekomen.

Op 20 december 2005 is een brief ingekomen van mr. J. Tobing, waarin werd meegedeeld dat de moeder wegens ziekte verhinderd is om te verschijnen op de zitting van 21 december 2005.

Op 21 december 2005 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn procureur en namens de raad de heer H. Drost en mevrouw A. Willems. De vader werd voorts bijgestaan door een tolk in de Engelse taal, de heer Martin J. Koeman, geboren [in] 1961, wonende te [woonplaats], die de volgens de wet vereiste belofte heeft afgelegd. De moeder is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De vader en de raad hebben het woord gevoerd, mr. Alkemade onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de vader en de moeder, hierna ook gezamenlijk te noemen: de ouders, het volgende vast.

De vader en de moeder zijn op 20 december 1991 te Miami Beach, Florida, Verenigde Staten van Amerika, met elkaar gehuwd. Uit hun huwelijk zijn de volgende nog minderjarige kinderen geboren:

[de minderjarige sub 1], geboren [in] 1994, verder: [de minderjarige sub 1], en

[de minderjarige sub 2], geboren [in] 1995, verder: [de minderjarige sub 2],

hierna ook te noemen: de kinderen.

De ouders hebben gezamenlijk het gezag over de kinderen. De kinderen verblijven sinds het uiteengaan van de ouders bij de moeder.

Bij vonnis van 24 juni 1998 heeft het Tribunal de Grande Instance te Versailles te Frankrijk tussen de vader en de moeder de echtscheiding uitgesproken en daarbij gehomologeerd de door partijen op 4 mei ondertekende convention définitive, waarbij onder meer is bepaald dat de vader vrij recht heeft op omgang met de kinderen, en in geval van onenigheid daarover tussen partijen gedurende twee dagen per maand en de helft van de schoolvakanties.

Op 13 december 2000 heeft de moeder de rechtbank te ‘s-Gravenhage verzocht – met vernietiging van de uitspraak van 24 juni 1998 van het Tribunal de Grande Instance te Versailles te Frankrijk – primair te bepalen aan de vader (voorlopig) de omgang met de kinderen zal worden ontzegd, c.q. opgeschort tot een nader vast te stellen datum, subsidiair, indien de rechtbank van mening mocht zijn dat er onvoldoende gronden aanwezig zijn om de omgang (voorlopig) stop te zetten, te bepalen dat de vader twee dagen per maand gedurende enkele uren per dag, zonder overnachting en onder begeleiding, omgang met de kinderen mag hebben.

De vader heeft tegen dit inleidende verzoek verweer gevoerd en daarbij zelfstandig verzocht dat de moeder wordt bevolen tot nakoming van het door partijen ondertekende convention définitive, zoals opgenomen in het vonnis van 24 juni 1998 van het Tribunal de Grande Instance te Versailles en voorts de moeder te veroordelen in de kosten van de procedure.

Bij tussenbeschikking van 1 juni 2001 heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage de raad verzocht een onderzoek te verrichten naar de vraag of de overeengekomen omgangsregeling, zoals daaraan invulling werd gegeven, in het belang van de minderjarigen is, en zo niet, welke omgangsregeling tussen de vader en de kinderen in het belang is van de kinderen en de rechtbank hieromtrent te rapporteren en te adviseren. Voorts is in afwachting van voormeld rapport en advies als voorlopige omgangsregeling vastgesteld dat de vader de kinderen bij zich mag hebben:

- gedurende de eerstkomende drie maanden één keer per maand een zaterdag en de daarop volgende zondag van 10.00 uur tot 17.00 uur, zonder overnachting, met dien verstande dat de omgang op zaterdag zal plaatsvinden in aanwezigheid van de moeder;

- gedurende de daarop volgende drie maanden één keer per maand een zaterdag en de daarop volgende zondag van 10.00 uur tot 17.00 uur, zonder overnachting en zonder aanwezigheid van de moeder.

Iedere verdere beslissing is aangehouden.

Bij vonnis in kort geding van 22 december 2000 heeft de president de vordering van de vader tot nakoming van de omgangsregeling afgewezen, welk vonnis is bekrachtigd bij arrest van 18 juli 2001 van dit hof.

De raad heeft in zijn raadsrapport van 2 juli 2002 de rechtbank geadviseerd een extern onderzoek te laten verrichten door het FORA.

Bij de opvolgende tussenbeschikking van 18 oktober 2002 heeft de rechtbank de raad verzocht, door tussenkomst van het FORA, het onderzoek te vervolgen en terzake te rapporteren en te adviseren. Iedere verdere behandeling is aangehouden.

Op 4 februari 2002 heeft het FORA een rapport uitgebracht. De raad heeft op 1 juli 2004 een nader rapport uitgebracht.

Bij de opvolgende - bestreden - beschikking is de vader het recht op omgang met de kinderen voor een periode van twee jaar met ingang van de datum van deze beschikking, ontzegd. Voorts is bepaald dat de moeder driemaal per jaar, te weten met Kerstmis, Pasen en de zomervakantie, schriftelijk informatie zal verschaffen over de ontwikkeling en het welzijn van de kinderen, en daarbij zal voegen een kopie van het laatste schoolrapport en een goed lijkende recente kleurenfoto van elk van de kinderen. Het meer of anders verzochte is afgewezen.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de omgang tussen de vader en [de minderjarige sub 1] en [de minderjarige sub 2].

2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, het inleidend verzoek van de moeder alsnog af te wijzen en partijen te veroordelen hun medewerking te verlenen aan bemiddeling door een door het hof te benoemen bemiddelaar met het verzoek aan deze te bemiddelen tussen partijen ten einde de communicatie tussen hen te verbeteren en te leiden tot afspraken over de verblijfplaats van en de omgang met de kinderen, onder verbeurte van een dwangsom van € 5000,- voor iedere keer dat de moeder weigert haar medewerking te verlenen. Voorts verzoekt de vader een nieuw deskundigenonderzoek te gelasten naar het welzijn van de kinderen, alle (familie) omstandigheden in aanmerking nemend. De moeder heeft geen verweer gevoerd.

3. Het hof heeft de zaak ondanks de afwezigheid van de moeder behandeld, om de volgende redenen. De moeder heeft geen verweerschrift ingediend, ondanks het feit dat zij hiervoor ruimschoots de tijd heeft gehad. Niemand heeft zich namens haar als procureur gesteld. Weliswaar heeft zij een volmacht verleend aan mr. J. Tobing, maar deze was op grond van het bepaalde in artikel 279 lid 3 Rv niet bevoegd haar ter zitting te vertegenwoordigen, waarop hij van te voren telefonisch door het Gerechtshof is geattendeerd. Tenslotte is geen medische verklaring overgelegd, zodat niet is komen vast te staan dat zij daadwerkelijk wegens ziekte was verhinderd.

4. Hoewel de vader in zijn appelschrift naast de omgang ook de bemiddeling omtrent de verblijfplaats noemt, gaat het hof ervan uit dat de vader in dit appel slechts de omgangsregeling ter discussie stelt. De vader stelt dit ook uitdrukkelijk in zijn pleitnotities.

5. De vader heeft aangevoerd, dat de rechtbank het verzoek van de vader tot verplichte bemiddeling ten onrechte heeft afgewezen. Ter toelichting heeft hij het volgende aangevoerd. Na de nodige aandrang door de rechtbank was de moeder bereid bemiddeling te accepteren van de heer Feenstra; bemiddeling door een ander was voor haar onbespreekbaar. Deze bleek echter, zonder opgave van redenen, niet tot bemiddeling bereid. Vervolgens is volgens de vader ten onrechte geen andere bemiddelaar benoemd, en is de vader het recht op omgang voor twee jaar ontzegd. Op deze wijze wordt het gebrek aan medewerking van de moeder gehonoreerd.

Voorts heeft de vader aangevoerd, dat de rechtbank ten onrechte het recht op omgang voor de periode voor twee jaar heeft ontzegd. Een ontzegging gedurende een bepaalde periode is alleen zinvol als gedurende die periode gewerkt wordt aan herstel van de omgang. Daarvan is geen sprake, nu het verzoek tot verplichte bemiddeling is afgewezen en de moeder niet bereid is op vrijwillige basis haar medewerking te verlenen aan bemiddeling, zodat niet te verwachten valt, dat de situatie na twee jaar zal zijn veranderd. Daarom verzoekt hij het hof een aanvullend deskundigenonderzoek te gelasten.

6. Namens de raad is ter zitting aangevoerd, dat uit het onderzoek van de raad niet is gebleken, dat omgang met hun vader schadelijk is voor de kinderen. Wel is gevonden, dat de ernstig verstoorde relatie tussen de ouders schadelijk is voor de kinderen en de meest belemmerende factor is bij de totstandkoming van een omgangsregeling. Voor de moeder en de kinderen is hierbij professionele begeleiding gewenst. De moeder heeft tegenover de raad aangegeven, dat zij professionele hulp zou zoeken, maar het is de raad niet bekend in hoeverre de moeder hieraan gevolg heeft gegeven. Bij het uitblijven van professionele hulp zou de situatie voor de kinderen kunnen verergeren. De raad heeft daarom ter zitting geadviseerd tot verplichte mediation tussen de ouders om hun communicatie te verbeteren en voorts aangeboden een nader onderzoek te verrichten met betrekking tot de situatie van de kinderen en de eventueel gewenste hulpverlening.

7. Uit de stukken is gebleken, dat de Franse strafrechter de moeder op 30 maart 2005 schuldig heeft verklaard aan het zonder reden weigeren van contacten tussen de vader en de kinderen. Daarbij is de moeder veroordeeld tot twee maanden voorwaardelijke gevangenisstraf en een boete van € 1.500,- wegens morele schade van de vader, alsmede tot € 1.200,- wegens proceskosten. De vader heeft ter zitting verklaard, dat hij dit vonnis opvat als een signaal voor de moeder, dat zij inzake de omgangsregeling verkeerd handelt. Hij heeft voorts verklaard dat het vonnis niet ten uitvoer zal worden gelegd, zolang hij zich niet opnieuw met een klacht tot de rechter zal hebben gewend. Zulks is de vader echter niet van plan, en hij zal de opgelegde boete niet laten incasseren, omdat het hem niet te doen is om het geld, maar om een daadwerkelijk herstel van het contact met zijn kinderen. Voorts heeft de advocaat van de vader ter zitting meegedeeld dat de moeder haar hoger beroep van voormelde Franse uitspraak heeft ingetrokken, en dat zij van mr. Tobing heeft gehoord dat de moeder wederom bereid zou zijn tot overleg.

8. Het hof constateert op grond van het voorgaande dat niet gebleken is dat omgang met hun vader schadelijk is voor de kinderen, mits de communicatie tussen de ouders wordt verbeterd. Voorts constateert het hof op grond van het intrekken van het hoger beroep van de moeder van het Franse vonnis en de verklaring van de vader, dat het strafvonnis niet ten uitvoer zal worden gelegd, dat er sprake is van enige toenadering tussen partijen en dat een constructieve oplossing in het onderhavige geval niet uitgesloten is, mits partijen beter met elkaar zouden communiceren en over en weer meer vertrouwen in elkaar zouden hebben. Het hof is van oordeel dat de kinderen het meest gebaat zouden zijn bij een gedragsverandering van de ouders en meent dat deze gedragsverandering door middel van forensische mediation bewerkstelligd zou kunnen worden. Alvorens te beslissen zal het hof derhalve de behandeling van de zaak aanhouden tot pro forma zaterdag 26 augustus 2006, teneinde de bemiddeling te laten plaatsvinden door drs. J.A.M. Hendriks, hierna te benoemen: de deskundige.

9. De deskundige krijgt de opdracht bemiddelingsgesprekken met partijen te voeren, met het doel de communicatie tussen partijen op gang te brengen c.q. te verbeteren, en het vertrouwen over en weer in zodanige mate te herstellen dat tot afspraken kan worden gekomen omtrent een omgangsregeling tussen de vader en de kinderen. Het hof gaat er daarbij vanuit dat de deskundige de kinderen bij één en ander betrekt. Het staat de deskundige voorts vrij om in overleg met de ouders tijdens het onderzoek contact tussen de vader en de kinderen te laten plaatsvinden. De deskundige heeft zich bereid verklaard de bemiddeling op zich te nemen.

10. De deskundige dient het hof te rapporteren over het verloop en de resultaten van het onderzoek. Tevens dient de deskundige het hof - bij gebreke van overeenstemming tussen de ouders - te adviseren omtrent de concrete invulling van een omgangsregeling binnen het door de ouders verzochte.

11. Het hof bepaalt dat de kosten van de forensische bemiddeling voorlopig bij helfte voor rekening van ieder van de ouders zullen komen. Ieder van hen zal de helft van het voorschot op de bemiddelingskosten van € 4000,-, inclusief omzetbelasting, dienen te voldoen. De vader heeft ter zitting zich reeds bereid verklaard de helft van die kosten voor zijn rekening te nemen.

12. Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING

Het hof:

houdt de verdere behandeling van de zaak aan tot zaterdag 26 augustus 2006 pro forma ter fine als vermeld onder rechtsoverwegingen 8 en 9;

benoemt tot deskundige drs. J.A.M. Hendriks, Javastraat 1, 2585 AA ’s-Gravenhage;

bepaalt dat de deskundige haar werkzaamheden niet behoeft aan te vangen voordat ieder der ouders de helft van het bedrag van € 4.000,- inclusief BTW (derhalve € 2.000,- per ouder) heeft gestort op bankrekeningnummer 19.23.03.449 ten name van het Gerechtshof Den Haag (onder vermelding van: "voorschot deskundige, rekestnummer 647-M-02" en de naam van de ouder van wie de betaling afkomstig is), als voorschot op de nader te bepalen kosten van het deskundigenonderzoek en dat de deskundige vervolgens, na bericht van het hof, haar werkzaamheden zal aanvangen;

bepaalt dat de griffier van dit hof een afschrift van deze beschikking aan de deskundige zal zenden;

bepaalt dat de ouders binnen één week na de datum van deze beschikking een afschrift van de processtukken ter beschikking van de deskundige zullen stellen en alle door deze gewenste inlichtingen zullen verstrekken;

bepaalt dat de deskundige tijdig vóór de hierboven vermelde datum het hof schriftelijk zal rapporteren over het verloop en de resultaten van de mediation;

bepaalt dat uit het deskundigenbericht moet blijken dat de ouders door de deskundige in de gelegenheid zijn gesteld opmerkingen te maken en verzoeken te doen, met vermelding van de inhoud van de eventuele opmerkingen en verzoeken;

houdt iedere verdere beslissing aan.

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Reinking, Pannekoek-Dubois en Fockema Andreae-Hartsuiker, bijgestaan door mr. Arnbak-d'Aulnis de Bourouill als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 januari 2006.