Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AZ8379

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-12-2006
Datum publicatie
02-03-2007
Zaaknummer
592-H-06
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Behoefte in eerdere procedure vastgesteld. Onvoldoende gegevens van beide partijen. Verdeling draagkracht in gelijke verhouding (1/3) over vader, moeder en haar nieuwe echtgenoot.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 20 december 2006

Rekestnummer. : 502-H-06

Rekestnr. rechtbank : FA RK 05-5190

[appellante],

wonende te ‘s-Gravenhage,

verzoekster, tevens incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. A. Steutel,

tegen

[verweerder],

wonende te ‘s-Gravenhage,

verweerder, tevens incidenteel verzoeker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. B.F.F. Gosschalk-Davidson.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 14 april 2006 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 24 januari 2006.

De vader heeft op 31 mei 2006 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De moeder heeft op 20 juni 2006 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 26 april 2006 en 26 oktober 2006 aanvullende stukken ingekomen.

Op 3 november 2006 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar procureur, en de vader. De procureur van de vader is, hoewel daartoe behoorlijk opgeroepen, niet verschenen. De aanwezigen hebben het woord gevoerd, de procureur van de moeder onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotitie.

VASTSTAANDE FEITEN

Op grond van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting staat - voor zover in hoger beroep van belang - tussen de ouders het volgende vast.

Uit het op 26 juli 2005 door echtscheiding ontbonden huwelijk van de ouders is het volgende nog minderjarig kind, [geboren in ] 1999, verder: [het kind]. De ouders hebben gezamenlijk het gezag over [het kind], die bij de moeder verblijft.

Bij de echtscheidingsbeschikking van 5 september 2003 heeft de rechtbank te ’s-Gravenhage onder meer de zaak betreffende de kinderalimentatie en omgangsregeling aangehouden in afwachting van advies van de raad.

Bij de opvolgende beschikking van 15 september 2004 heeft de rechtbank de kinderalimentatie vastgesteld op € 500,- per maand, voor wat betreft de omgangsregeling is de zaak wederom aangehouden.

Bij de opvolgende beschikking van 26 augustus 2005 is een omgangsregeling bepaald, inhoudende dat de [het kind] bij de vader zal zijn gedurende:

- één weekend per veertien dagen van vrijdag uit school tot maandag aanvang school;

- iedere woensdag van 08.00 uur tot donderdag aanvang school;

- de helft van de vakanties;

- de verjaardag van de vader en vaderdag.

Op 9 september 2005 heeft de vader de rechtbank te ‘s-Gravenhage verzocht – met wijziging van de beschikking van 15 september 2004 – de aan de moeder te betalen kinderalimentatie ten laste van de vader, met ingang van 26 augustus 2005, te bepalen op nihil.

Bij de bestreden beschikking is – met wijziging van de beschikking van 15 september 2004 – de kinderalimentatie met ingang van 26 augustus 2005 bepaald op nihil.

Hieronder zal het hof zonodig op hele bedragen afronden.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is de kinderalimentatie en de uitbreiding van de omgangsregeling.

2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen, waarmee de beslissing dat de vader een bijdrage van € 500,- per maand dient te voldoen, telkens bij vooruitbetaling, aan [het kind] in stand wordt gelaten.

3. De vader bestrijdt haar beroep en verzoekt incidenteel om de omgangsregeling te laten ingaan op dinsdag aansluitend op de schooltijd (in plaats van woensdag).

4. De moeder verzet zich daartegen en verzoekt het hof tot niet-ontvankelijk verklaring, dan wel afwijzing, dan wel ontzegging, van het incidenteel appel van de man om de omgang uit te breiden.

Appel van de moeder

5. De moeder stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de door de vader te betalen kinderalimentatie met ingang van 26 augustus 2005 op nihil wordt gesteld. Zij voert hiertoe het volgende aan. Er is geen sprake van een wijziging van omstandigheden als door de vader in zijn inleidend verzoek gesteld, enerzijds omdat de rechter bij het vaststellen van de kinderalimentatie niet is toegekomen aan de vraag of de omgangskosten behoren te worden meegenomen, en anderzijds aangezien de door de vader gestelde wijziging geen feitelijke wijziging in de te maken kosten oplevert. Evenmin is volgens haar van onjuiste of onvolledige gegevens uitgegaan waardoor de beschikking van 15 september 2004 vanaf het begin niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord. Immers, gegevens waardoor de beschikking pas enige tijd nadien niet meer voldoet aan de wettelijke maatstaven, zijn niet relevant. Voorts heeft de vader zijn stelling dat de behoefte van [het kind] € 410,- per maand bedraagt, in plaats van (het hof begrijpt: een aanvullende behoefte van) € 500,- per maand, niet nader onderbouwd. Mocht dit relevant zijn dan stelt zij dat voor de behoefte aansluiting moet worden gezocht bij de tabel, waarbij de behoefte kan oplopen tot € 610,- per maand of meer. Daarnaast is lid 4 van artikel 1:401 BW niet bedoeld om een heroverweging mogelijk te maken van hetgeen reeds bij gewijsde is beslist. Dit geldt ook voor de stelling van de vader dat de moeder en haar partner moeten bijdragen in de kosten van [het kind]. Ten slotte wijst de moeder er nogmaals op dat de rechter in het geheel niet is toegekomen aan het maken van een draagkrachtberekening. De vader heeft een en ander gemotiveerd betwist.

6. Het hof overweegt het volgende. De vader heeft bij de rechtbank een verzoek ingediend tot nihilstelling met ingang van 26 augustus 2005 van de kinderalimentatie, bepaald bij beschikking van 15 september 2004. Dit verzoek is door de rechtbank bij de bestreden beschikking toegewezen. De moeder is tegen deze beschikking in appel gekomen; de vader is niet in incidenteel appel gekomen. Gelet hierop is thans in appel slechts de periode vanaf 26 augustus 2005 aan de orde en is de vraag of bij de beschikking van 15 september 2004 van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan derhalve in beroep niet relevant.

7. Voor wat betreft de behoefte van [het kind] overweegt het hof dat deze bij beschikking van 15 september 2004 door de rechtbank is bepaald op € 650,- per maand. De rechtbank heeft de beslissing gebaseerd op de hoge levensstandaard van partijen tijdens het huwelijk. De vader heeft tegen deze beschikking geen appel aangetekend. Evenmin heeft de vader thans aangetoond dat de rechtbank van een onjuist uitgangspunt zou zijn uitgegaan. De door de vader overgelegde stukken bieden daartoe geen uitsluitsel en geven onvoldoende inzicht in het leefpatroon van partijen tijdens hun huwelijk. Het voorgaande leidt ertoe dat de behoefte als door de rechtbank bepaald, vast staat.

8. Voorts overweegt het hof het volgende. Nu de vader in eerst aanleg heeft gesteld dat sprake is van een wijziging van omstandigheden, gelegen in het feit dat de omgang tussen hem en [het kind] is uitgebreid, is de vader ontvankelijk in zijn inleidend verzoek tot nihilstelling van de kinderalimentatie. De grief van de moeder faalt derhalve in zoverre.

9. Op grond hiervan dient de rechter de draagkracht en de verdeling van de kosten van het kind opnieuw vast te stel-len. Echter, de vader heeft naar het oordeel van het hof onvoldoende inzicht gegeven in zijn draagkracht. Hij heeft weliswaar enige bescheiden in het geding gebracht; echter deze zijn volstrekt onvoldoende om zijn draagkracht vast te kunnen stellen. Het had op de weg van de vader gelegen om, nu hij zich beroept op gebrek aan draagkracht sinds 26 augustus 2005, adequate bescheiden te produceren aan de hand waarvan de draagkracht op deugdelijke wijze kan worden vastgesteld. Zo had het op zijn weg gelegen om bijvoorbeeld zijn aangifte en aanslag IB 2005 over te leggen, alsmede de jaarstukken 2005. Nu dit niet is gebeurd, is niet gebleken dat de vader de eerder opgelegde bijdrage niet kan betalen. Daarenboven is het hof van oordeel dat het enkele feit dat [het kind] een nacht per week extra bij de vader doorbrengt, onvoldoende is voor een wijziging in de verdeling van de kosten tussen partijen.

10. Ter terechtzitting van het hof heeft de moeder verklaard dat zich een wijziging heeft voorgedaan in haar situatie, te weten dat zij op 22 augustus 2006 is hertrouwd. Voorts heeft zij verklaard dat haar echtgenoot bedrijfsarts is, maar dat werken in Nederland hem op grond van een beslissing van een medisch tuchtcollege niet mogelijk is. Zij heeft verklaard dat hij sinds drie jaar in Zwitserland een huisartsenopleiding volgt, waarvoor hij een vergoeding ontvangt.

11. Het hof overweegt daaromtrent als volgt. Voldoende aannemelijk is geworden dat de moeder is hertrouwd en dat derhalve sprake is van een wijziging van omstandigheden met ingang van 22 augustus 2006, zodat de rechter de verdeling van de kosten van [het kind] tussen partijen opnieuw dient vast te stel-len. De moeder heeft haar stellingen omtrent (het inkomen van) haar echtgenoot echter onvoldoende onderbouwd. Het hof gaat er daarom van uit dat hij in zijn eigen levensonderhoud kan voorzien. Ook overigens heeft de moeder onvoldoende financiële gegevens verstrekt. Dit geldt, zoals hiervoor onder 9. reeds overwogen, ook voor de vader. Gelet hierop gaat het hof er vanuit dat de vader, de moeder en haar echtgenoot ieder voor een derde deel kunnen bijdragen in de kosten van [het kind]. Het hof zal daarom de door de vader te betalen bijdrage – onder wijziging van de beschikking van 15 september 2004 – met ingang van 22 augustus 2006 vaststellen op € 221,- per maand, zijnde een derde deel van de (geïndexeerde) behoefte van [het kind] zoals vastgesteld bij beschikking 15 september 2004.

Zelfstandig verzoek van de vader

12. Het door de vader in zijn verweerschrift geformuleerde verzoek om uitbreiding van de omgangsregeling tussen hem en [het kind] dient te worden gekwalificeerd als een zelfstandig verzoek. Aangezien de wet niet toelaat dat een zodanig verzoek voor het eerst in appel wordt gedaan, zal het hof de vader hierin niet-ontvankelijk verklaren.

13. Dit alles leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn zelfstandig verzoek;

vernietigt de bestreden beschikking en, opnieuw beschikkende:

wijst het inleidende verzoek van de vader tot nihilstelling van de kinderalimentatie met ingang van 26 augustus 2005, voor de periode tot 22 augustus 2006 alsnog af;

bepaalt - met dienovereenkomstige wijziging van de beschik-king van 15 september 2004 van de rechtbank te ‘s-Gravenhage - de door de vader aan de moeder te betalen kin-derali-mentatie met ingang van 22 augustus 2006 op € 221,- per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Pannekoek-Dubois, Stille en Kamminga, bijgestaan door mr. Janssen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 20 december 2006.