Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AZ6571

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-12-2006
Datum publicatie
19-01-2007
Zaaknummer
C05/705
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Werkgever liet werknemer die stelde weer arbeidsgeschikt te zijn niet toe tot het werk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 22 december 2006

Rolnummer: 05/705

Rolnummer rechtbank: 438173/04-2090

HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE, negende civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

HYVA HOLDING B.V.,

gevestigd te Alphen aan den Rijn,

appellante,

hierna te noemen: Hyva

procureur: mr. R.Th.R.F. Carli,

tegen

[WERKNEMER],

wonende te X,

geïntimeerde,

hierna te noemen: [werknemer],

procureur: mr. H.C. Grootveld.

Het geding

Bij exploot van 8 april 2005 is Hyva in hoger beroep gekomen van het vonnis van 1 februari 2005 door de rechtbank 's-Gravenhage, sector kanton, locatie Alphen aan den Rijn, gewezen tussen partijen. Hyva heeft bij memorie van grieven (met producties) één grief opgeworpen, die door [werknemer] bij memorie van antwoord is bestreden. Tot slot hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

In het dossier van Hyva ontbreken de producties bij de inleidende dagvaarding.

Beoordeling van het hoger beroep

1. In het bestreden vonnis heeft de rechtbank onder 2.1 een aantal feiten als in deze zaak vaststaand aangemerkt. Daartegen is in hoger beroep niet opgekomen, zodat het hof ook van die feiten zal uitgaan.

2. Het gaat in deze zaak, samengevat, om het volgende.

2.1 [werknemer] is op 30 september 1985 bij Hyva te Alphen aan den Rijn in dienst getreden. Per 1 januari 2000 is hij gaan werken voor een zustervennootschap van Hyva, te weten Technamics te Hoogeveen. In verband hiermee is [werknemer] verhuisd naar […].

2.2 Nadat problemen ontstonden tussen [werknemer] (de directeur van) Technamics is [werknemer] (uiteindelijk) per 1 juni 2002 teruggekeerd naar Alphen aan den Rijn. [werknemer] heeft er om hem moverende redenen voor gekozen niet opnieuw te verhuizen.

2.3 [werknemer] heeft zich per 3 maart 2003 ziek gemeld.

2.4 [werknemer] heeft in januari 2004 verzocht om ontbinding van de arbeidsovereenkomst. Bij beschikking van 23 maart 2004 heeft de rechtbank partijen in kennis gesteld van haar voornemen de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst met ingang van 1 mei 2004 te ontbinden wegens verandering in de omstandigheden, onder toekenning van een vergoeding aan [werknemer] ten laste van Hyva van € 18.000,-- bruto.

2.5 [werknemer] heeft naar aanleiding van deze beschikking zijn verzoek ingetrokken en heeft – stellende dat hij weer arbeidsgeschikt was – Hyva verzocht hem weer tot het werk toe te laten, hetgeen Hyva heeft geweigerd.

2.6 Hyva heeft op haar beurt een verzoek tot ontbinding van de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst ingediend.

2.7 Bedrijfsarts Bakhtali heeft [werknemer] op 22 april 2004 gezien en daarover het volgende aan Hyva gerapporteerd:

"(…) belanghebbende is heel in het algemeen arbeidsgeschikt te achten. Bij terugkeer in deze arbeidssituatie valt evenwel spoedig verzuim te verwachten.

Advies over het aanpassen van het werk (gebaseerd op de mogelijkheden en beperkingen):oplossing dient buiten medische hoek om gezocht te worden (zie eerdere adviezen van collega Ferrier)

2.8 Bedrijfsarts Ferrier heeft [werknemer] op 10 mei 2005 gezien en daarover het volgende aan Hyva gerapporteerd:

"Advies over de mate van arbeidsgeschiktheid: Conform eerdere uitspraken (o.a. in het reïntegratieverslag): geen medische beperkingen mits betrokkene niet geacht wordt te werken in de eigen functie te Alphen a/d Rijn. Ik ben nog steeds van mening dat dit een te grote psychische belasting met zich meebrengt voor betrokkene. NB Indien werknemer en/of werkgever het hier niet mee eens zijn is het dringende advies om een deskundigenoordeel bij het UWV aan te vragen".

2.9 Op 14 mei 2004 heeft [werknemer] – kort gezegd – verzocht om bij wijze van voorlopige voorziening Hyva te gelasten hem op straffe van een dwangsom weer toe te laten de bedongen arbeid te verrichten, alsmede te veroordelen tot betaling aan hem van het vanaf 20 april 2004 verschuldigde loon, wettelijke rente, wettelijke verhoging en proceskosten.

2.10 Bij brief van 24 mei 2005 heeft F. Wiersma, de behandelend psycholoog – psychotherapeut van [werknemer] onder meer het volgende verklaard:

"Zoals vermeld, bleken de depressieve gevoelens van de heer [werknemer] in het beloop van de behandeling beduidend verminderd. Het beroepsprobleem, het conflict of de impasse met de werkgever, dat hieraan ten grondslag lag, had zich tot dan weliswaar niet gewijzigd, maar de attitude van cliënt ten opzichte van de situatie als zodanig was wel positiever geworden, in die zin dat zijn competentiebelang leek te zijn toegenomen.

Het gevoel onheus door de werkgever te zijn behandeld deed cliënt begrijpelijkerwijs twijfelen aan de bereidheid van de werkgever zich in de toekomst als goed werkgever jegens hem op te stellen. Vandaar zijn wens aan de ontstane impasse een einde te maken door ontbinding van het contract, zij het met een redelijke schadeloosstelling.

De gerechtelijke procedure heeft duidelijk gemaakt dat de arbeidsovereenkomst op verzoek van de heer [werknemer] kan worden ontbonden. De in het vooruitzicht gestelde vergoeding is mede gelet op de uitkeringssituatie van cliënt echter onvoldoende, zodat hij gebruik heeft gemaakt van het recht het verzoek in te trekken. Cliënt rekende erop dat zijn werkgever zich zo zou opstellen dat hij weer aan de slag zou kunnen in Alphen aan den Rijn.

De stemming, het zelfvertrouwen en de competentiebeleving van cliënt zijn als zodanig voldoende hersteld of toegenomen om een succesvolle werkhervatting te kunnen garanderen. In principe maakt het niet uit waar hij dit gaat of wenst te doen. Of het beschadigde vertrouwen in de werkgever voldoende zal herstellen hangt vanzelfsprekend vooral van de inzet en houding van de werkgever af.

Gevraagd naar mijn mening in deze, zie ik persoonlijk geen contraïndicatie voor eventuele werkhervatting van cliënt bij zijn huidige werkgever."

2.11 Bij brief van 7 juni 2004 heeft S.W. Hofman, de behandelend psychiater van [werknemer], het volgende verkaard:

"Op verzoek van dhr. [werknemer], (…) deel ik u hierbij mede dat de situatie voor hem inmiddels zodanig is verbeterd dat hij weer arbeidsgeschikt is geen belemmering van medische aard werkhervatting in de weg staat. Bovendien is het gunstig dat hij in het verleden gebruikte medicatie heeft kunnen discontinueren."

2.12 Bij uitspraak van 29 juni 2004 heeft de kantonrechter de gevraagde voorziening afgewezen. Bij beschikking van dezelfde datum is op verzoek van Hyva de tussen partijen bestaande arbeidsovereenkomst per 20 juli 2004 ontbonden onder toekenning aan [werknemer] ten laste van Hyva van een bedrag van € 18.000,--.

2.13 Op 17 augustus 2004 heeft [werknemer] Hyva gedagvaard en heeft hij de veroordeling van Hyva gevorderd aan hem te betalen een bedrag van € 10.854,-- aan achterstallig loon over de periode van 20 april 2004 tot en met 20 juli 2004, vermeerderd met de wettelijke verhoging, wettelijke rente, buitengerechtelijke- en proces kosten.

2.14 Bij het thans bestreden vonnis heeft de rechtbank het gevorderde – met uitzondering van de gevorderde buitengerechtelijke kosten – toegewezen, zij het dat zij de wettelijke verhoging heeft gematigd tot 10%.

3.1 In hoger beroep vordert Hyva de vernietiging van het bestreden vonnis, de afwijzing van de inleidende vorderingen en de veroordeling van [werknemer] tot terugbetaling aan Hyva van het op grond van het vonnis netto aan hem betaalde bedrag van € 8.772,73, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 11 februari 2005. De grief legt het geschil in volle omvang aan het oordeel van het hof voor.

3.2 Het hof overweegt als volgt.

In het algemeen geldt dat als een werknemer na een periode van arbeidsongeschiktheid van mening is weer voldoende hersteld te zijn om zijn werk te hervatten, van arbeidsgeschiktheid voor de bedongen arbeid moet worden uitgegaan. Als de werkgever niet op het oordeel van de werknemer wenst te vertrouwen, dan dient hij advies te vragen aan zijn bedrijfsarts, omdat het bij uitstek de taak van een bedrijfsarts is om de arbeidsongeschiktheid van werknemers te beoordelen. Indien een werkgever of werknemer het niet eens is met het oordeel van de bedrijfsarts, voorziet de wet in de mogelijkheid van het aanvragen van een second opinion van een door een door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen benoemde deskundige. Voor de omgekeerde situatie (werknemer stelt arbeidsongeschikt te zijn, hetgeen werkgever weerspreekt), is overlegging van een second opinion zelfs een ontvankelijkheidsvereiste (artikel 7:629a BW). Ook in een situatie als de onderhavige ligt het vragen van een second opinion in de rede. Bedrijfsarts Ferrier heeft in zijn advies, partijen dan ook terecht nadrukkelijk gewezen op de mogelijkheid van een second opinion. Een rechter zal immers in het algemeen zo'n deskundigenbericht – mits het daaraan ten grondslag liggende onderzoek in overeenstemming is met de daaraan te stellen eisen is uitgevoerd – als uitgangspunt nemen voor zijn beslissing, maar niets belet hem ook op andere medische rapportages acht te slaan.

3.3 In de onderhavige situatie heeft Hyva dan ook terecht het advies gevraagd van haar bedrijfsarts. Naar het oordeel van het hof volgt – anders dan Hyva kennelijk meent – uit het advies van bedrijfsarts Bakhtali echter niet zonneklaar dat [werknemer] nog steeds arbeidsongeschikt was te achten voor de bedongen arbeid. De enkele opmerking van Bakhtali dat bij terugkeer in "deze arbeidssituatie" spoedig verzuim is te verwachten is daartoe onvoldoende, te meer nu – zoals door de rechtbank terecht is overwogen – de persoonlijke wil en wens van de werknemer om weer aan de slag te gaan, in een geval als het onderhavige zwaar weegt en de bedrijfsarts er in zijn advies geen blijk van geeft dat hij dit aspect heeft meegewogen. Evenmin blijkt uit dit advies dat hervatting op therapeutische basis dan wel (aanvankelijk) op deeltijd basis is overwogen, hetgeen – gelet op de veranderde instelling van [werknemer] – wel had mogen worden verwacht. Dit geldt evenzeer voor het advies van bedrijfsarts Ferrier. Ten aanzien van het advies van Ferrier geldt voorts dat dit verwijst naar eerdere uitspraken (o.a. in het re-integratieverslag), die geen deel uit maken van het dossier.

3.4 Nu [werknemer] voorts het advies van de bedrijfsartsen weersproken heeft onder overlegging van een tweetal verklaringen van zijn behandelaars, is het hof van oordeel van Hyva haar stelling dat [werknemer] ondanks zijn andersluidende verklaring nog steeds arbeidsongeschikt is, onvoldoende heeft onderbouwd.

3.5 Het vorenstaande betekent dat het bestreden vonnis dient te worden bekrachtigd en de vordering tot terugbetaling van hetgeen Hyva reeds ter uitvoering van het bestreden vonnis heeft voldaan dient te worden afgewezen. Hyva zal als de in het ongelijk te stellen partij worden veroordeeld in de proceskosten.

Beslissing

Het hof:

- bekrachtigt het vonnis van 1 februari 2005 door de rechtbank 's-Gravenhage, sector kanton, locatie Alphen aan den Rijn, gewezen tussen partijen;

- wijst de vorderingen van Hyva af;

- veroordeelt Hyva in de kosten van het hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van [werknemer] begroot op € 1.138,- (waarvan € 244,- voor griffierecht en € 894,- voor salaris procureur).

Dit arrest is gewezen door mrs. A.A. Schuering, M.H. van Coeverden en M.J. van der Ven en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 december 2006 in bijzijn van de griffier.