Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AZ6551

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
22-12-2006
Datum publicatie
19-01-2007
Zaaknummer
C05/397, C05/398 en 05/399
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Afwijking door werkgever van advies CAO-beroepsinstantie onvoldoende gemotiveerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Uitspraak: 22 december 2006

Rolnummers: 05/397, 05/398 en 05/399

Rolnummers rechtbank: 04/893, 03-2533 en 04/253

HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE, negende civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak met rolnummer 05/397 van

STICHTING ZORGSAAM ZEEUWS-VLAANDEREN,

gevestigd te Terneuzen,

appellante,

procureur: voorheen mr. H.C. Grootveld, thans mr. W. Heemskerk,

tegen:

1. [GEINTIMEERDE 1],

wonende te X,

2. […],

wonende te X,

3. […],

wonende te X,

4. […],

wonende te X,

5. […],

wonende te X,

geïntimeerden,

procureur: mr. A. van Deuzen

en in de zaak met rolnummer 05/398 van

STICHTING ZORGSAAM ZEEUWS-VLAANDEREN,

gevestigd te Terneuzen,

appellante,

procureur: voorheen mr. H.C. Grootveld, thans mr. W. Heemskerk,

tegen:

[GEINTIMEERDE A],

wonende te X,

geïntimeerde,

procureur: mr. A. van Deuzen

en in de zaak met rolnummer 05/399 van

STICHTING ZORGSAAM ZEEUWS-VLAANDEREN,

gevestigd te Terneuzen,

appellante,

hierna te noemen: Zorgsaam,

procureur: voorheen mr. H.C. Grootveld, thans mr. W. Heemskerk,

tegen:

1. [GEINTIMEERDE I],

wonende te X,

2. […]

wonende te x,

3. […],

wonende te X,

4. […],

wonende te X,

5. […],

wonende te X,

geïntimeerden,

procureur: mr. A. van Deuzen.

De gedingen

1. Zorgsaam is in alle zaken bij exploten van 27 oktober 2004 in hoger beroep gekomen van de vonnissen van 25 februari 2004 respectievelijk 26 mei 2004 en 28 juli 2004 van de rechtbank Middelburg, sector kanton, locatie Terneuzen, gewezen tussen Zorgsaam enerzijds en de respectieve partijen anderzijds. Bij memories van grieven heeft Zorgsaam in alle zaken vijf grieven opgeworpen, die door geïntimeerden bij memories van antwoord zijn bestreden.

Ter zitting van 3 november 2006 hebben de raadslieden van partijen hun zaak bepleit, waartoe door mr. R.M.A. Lensen, advocaat te Terneuzen en raadsman van Zorgsaam, en mr. A. van Deuzen, advocaat te Zoetermeer en raadsman van geïntimeerden, pleitnota’s aan het hof zijn overgelegd. Tot slot hebben partijen arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep in alle zaken

2. In de bestreden vonnissen heeft de rechtbank de volgende feiten vastgesteld. Voorzover daartegen in hoger beroep geen grieven zijn gericht, gaat ook het hof van die feiten uit. Het gaat in deze zaak om het volgende.

2.1 Geïntimeerden zijn ieder op grond van een arbeidsovereenkomst in dienst bij Zorgsaam als ambulanceverpleegkundige. Van toepassing is de CAO Zieken-huizen die voorziet in een functiewaardering per 1 januari 2000 verder te noemen FWG 3.0.

2.2 Uitgangspunt bij FWG 3.0 is de door de werkgever op te stellen functie-beschrijving. Vervolgens moet de beschreven functie worden gewaardeerd en ingedeeld in een functiegroep.

2.3 Bij de indeling wordt rekening gehouden met zogeheten ijkfuncties. Dit zijn functies uit de praktijk die door deskundigen nauwkeurig zijn gewaardeerd. De ijkfuncties waarvan het functie-eisenpatroon het dichtst ligt bij dat van de in te delen functie, bieden voor de functie-indeler vergelijkingsmateriaal. In de praktijk zal een ijkfunctie niet exact overeenstemmen met de in te delen functie.

2.4 De beschrijving van de functie ambulanceverpleegkundige dateert van 10 januari 2002. Zorgsaam heeft aan ieder van de geïntimeerden een indelings-voorstel gedaan, inhoudende dat de functie werd ingedeeld in functiegroep 55. Bij dit voorstel zijn de gezichtspunten sociale vaardigheden en uitdrukkings-vaardigheid gewaardeerd op respectievelijk G en B.

2.5 Geïntimeerden waren het hiermee niet eens. Overeenkomstig de voor FWG 3.0 geldende procedure zijn namens hen bezwaren voorgelegd aan de Interne bezwarencommissie. Zij hebben aangevoerd dat de genoemde gezichtspunten een H en een C scoren en dat de functie moet worden ingedeeld in functiegroep 60. De commissie heeft Zorgsaam geadviseerd de scores G en B voor de gezichtspunten sociale vaardigheden en uitdrukkingsvaardigheid te handhaven. Zorgsaam heeft op grond van dit advies haar indelingsvoorstel niet gewijzigd en de functie formeel ingedeeld in functiegroep 55.

2.6 Namens geïntimeerden is een oordeel gevraagd over hun bezwaren tegen deze indeling aan de Landelijke commissie functiewaardering (verder te noemen LCF). Ingevolge FWG 3.0 heeft de LCF tot taak een oordeel te geven over de indeling van een functie indien tussen werkgever en werknemer een geschil bestaat over de vraag of FWG 3.0 goed is toegepast. De commissie geeft haar oordeel in de vorm van een zwaarwegend advies, waarvan de werkgever

gemotiveerd kan afwijken. De LCF heeft geadviseerd dat voor het gezichtspunt sociale vaardigheden normtekst H van toepassing is en voor het gezichtspunt uitdrukkingsvaardigheid de normtekst B. Zij is van oordeel dat de functie moet worden ingedeeld in functiegroep 60. Bij brief van 11 juni 2003 heeft Zorgsaam aan geïntimeerden meegedeeld het advies van de LCF deels niet over te nemen. Zij handhaaft de G voor het gezichtspunt sociale vaardigheden en de B voor het gezichtspunt uitdrukkingsvaardigheid. De indeling blijft in functiegroep 55.

2.7 De normtekst B voor het gezichtspunt uitdrukkingsvaardigheid luidt:

“Het geven van mondelinge toelichting ten aanzien van onderwerpen van zorginhoude-lijke, technische, zakelijk of procedurele aard met een in- of externe bestemming. Daarnaast wordt voornamelijk intern gerichte, eenvoudige of standaard-correspondentie verzorgd. Eventueel aangevuld met een andere algemeen gebruikelijke uitdrukkingswijze zoals zelf ontworpen grafieken, eenvoudige technische schetsen of natuurlijke gebarentaal/mimiek in zorgverlenende situaties.”

2.8 De normtekst C voor het gezichtspunt uitdrukkingsvaardigheid luidt:

“Gespreksvoering en schriftelijke informatieoverdracht ten aanzien van onderwerpen van zorginhoudelijke, technische, zakelijk of procedurele aard met een in- of externe bestemming. Eventueel aangevuld met een andere algemeen gebruikelijke uitdrukkings-wijze zoals zelf ontworpen grafieken, eenvoudige technische schetsen of natuurlijke gebarentaal/mimiek in zorgverlenende situaties.”

2.9 De normtekst G voor het gezichtspunt sociale vaardigheden luidt, voor zover van belang:

“De functie wordt gekenmerkt door redelijk intensieve contacten met patiënten, waarbij naast somatische zorg een belangrijk deel van de zorg bestaat uit het - eventueel gedurende langere tijd - psychosociaal begeleiden en/of stimuleren van patiënten tot optimale prestaties of een zekere veranderingsbereidheid;

of:

het onderhouden van redelijk intensieve contacten waarbij tegengestelde belangen moeten worden overbrugd door middel van overleg niet en/of advisering van anderen.”

2.10 De normtekst H voor het gezichtspunt sociale vaardigheden luidt, voor zover van belang:

“De functie wordt gekenmerkt door intensieve en langdurige contacten met patiënten tijdens verpleging en/of begeleiding, waarbij regelmatig in crisissituaties moet worden gehandeld,

of

complexe in- en externe overleg-, onderhandelsituaties of beleidsadvisering in situaties met tegengestelde, uiteenlopende belangen, waarbij weerstanden moeten worden overwonnen.”

2.11 De functiebeschrijving volgens FWG 3.0 van de in te delen functie houdt in:

“sociale vaardigheden zijn van belang tijdens het vaak intensieve contact niet (getraumatiseerde) patiënten en hun begeleiders (diversiteit patiëntenpopulatie). Hierbij worden eisen gesteld aan klantgerichte houding, het goed kunnen luisteren, invoelend vermogen, gespreksvoering, het wekken van belangstelling, het overbruggen van tegenstellingen en overtuigingskracht. De functionaris dient overwicht te hebben in crisissituaties.”

2.12 De functiebeschrijving van de ijkfunctie ambulanceverpleegkundige houdt in:

“de frequent zeer intensieve contacten met patiënten en anderen in crisissituaties, de samenwerking niet collega's, artsen en andere hulpverleners en het instrueren van ambulancepersoneel stellen hoge eisen aan met name tact, hulpvaardigheid, intermense-lijke zorg en aandacht, overredingskracht en het bepalen en bewaren van de eigen houding.”

2.13 De LCF heeft in haar uitspraken van maart 2003, verzonden op 1 april 2003, onder meer overwogen:

“Wat betreft het gezichtspunt Sociale vaardigheden is de LCF van oordeel dat normtekst H van toepassing is, gelet op de interne en externe contacten die worden onderhouden en gelet op de diversiteit, aard en het karakter van deze contacten. Tijdens de ambulancehulpverlening is sprake van frequente, intensieve contacten waarbij veelal in crisissituaties moet worden gehandeld. Daarbij worden hoge eisen gesteld aan tact, hulpvaardigheid, intermenselijke zorg en aandacht, overredingskracht en het bepalen en bewaren, van de eigen houding. Het geheel van de activiteiten tilt de functie ten opzichte van dit gezichtspunt naar niveau H, ook al is in deze functie niet sprake van langdurige contacten. Naar het oordeel van de LCF is het karakter van de functie Ambulance Verpleegkundige bij Stichting ZorgSaam Zeeuws Vlaanderen op dit gezichtspunt vergelijkbaar met de in het FWG 3.0 systeem opgenomen ijkfunctie Ambulance-verpleegkundige.

Wat betreft het gezichtspunt Uitdrukkingsvaardigheid is de LCF van oordeel dat normtekst B voldoet. Alle in de functiebeschrijving opgenomen voorbeelden passen binnen de normtekst B. Ook de bij deze normtekst gegeven voorbeelden worden passend geacht waardoor de LCF geen aanleiding ziet om een andere waardering op dit gezichtspunt te adviseren.

(…)

“Het systeemadvies is functiegroep 60. Een vergelijking met de functie-eisenpatronen en de inhoud van de getoonde ijkfuncties laat zien dat de functie balanceert op de grens van de groepen 55 en 60. Inhoudelijk komt de functie in veel opzichten overeen met de ijkfunctie Ambulanceverpleegkundige, doch de hogere waardering op het gezichtspunt

Overige Functie-eisen tilt naar het oordeel van de LCF het niveau juist over de groepsgrens. De LCF komt dan ook, mede gelet op het hele functie-eisenpatroon, tot het oordeel dat de functie dient te worden ingedeeld in functiegroep 60.”

2.14 Zorgsaam heeft besloten tot handhaving van de indeling in functiegroep 55. Zorgsaam heeft daarbij over het gezichtspunt Sociale vaardigheden opgemerkt dat dat wordt gehandhaafd (blijft G) met als motivering:

“In de normtekst is de crisissituatie gekoppeld aan de langdurige contacten. Bij de functie van Ambulanceverpleegkundige is hier geen sprake van. Hier zou wel sprake van zijn indien er een dubbelfunctie was (Spoedeisende Hulp/Ambulanceverpleegkundige).”

Voorts heeft Zorgsaam medegedeeld het gezichtspunt Uitdrukkingsvaardigheid over te nemen van de LCF (blijft B).

3.1 Geïntimeerden vorderden in eerste aanleg de veroordeling van Zorgsaam tot indeling van hun functie in functiegroep 60 met ingang van 1 januari 2000 op straffe van een dwangsom en tot betaling van achterstallig salaris voortvloeiend uit het verschil tussen de functiegroepen 55 en 60 vermeerderd met de wettelijke verhoging wegens vertraagde betaling, de wettelijke rente en een vergoeding wegens buitengerechtelijke kosten, met veroordeling van Zorgsaam in de proceskosten.

3.2 De rechtbank heeft bij de bestreden vonnissen voor recht verklaard dat de door geïntimeerden vervulde functie van ambulanceverpleegkundige volgens FWG 3.0 met ingang van 1 januari 2000 behoort te worden ingedeeld in functie-groep 60 en de vordering tot betaling van achterstallig salaris vermeerderd met wettelijke rente toegewezen. Voorts is Zorgsaam veroordeeld in de proces-kosten. De vorderingen tot betaling van de wettelijke verhoging en de buiten-gerechtelijke kosten zijn afgewezen.

De ontvankelijkheid in de zaak met rolnummer 05/397:

4.1 Zorgsaam heeft blijkens haar appelexploot geappelleerd tegen het vonnis van “25 februari 2004 (…) onder rolnummer 04/893.” Evenwel is op die datum onder dat rolnummer geen tussenvonnis gewezen. Voorzover Zorgsaam bedoeld heeft te appelleren tegen het verstekvonnis van die datum onder rolnummer 04/429 herinnert het hof eraan dat Zorgsaam van dat vonnis reeds in verzet was gekomen. Voor beide gevallen leidt dit tot niet-ontvankelijkheid van Zorgsaam in haar appel tegen het vonnis van 25 februari 2004.

Voorts over de ontvankelijkheid in de zaak met rolnummer 05/397 en over de ontvankelijkheid in de zaak met rolnummer 05/399:

4.2 De geïntimeerden 2 t/m 5 in beide zaken hebben aangevoerd van mening te zijn dat Zorgsaam niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in haar appel nu de memorie van grieven zich niet specifiek tegen hen richt, maar zij in de kop daarvan als “c.s.” worden samengevat. Zulks is in strijd met de wet en deze deformalisering van het procesrecht kan niet worden geaccepteerd.

Het hof verwerpt dit beroep op niet-ontvankelijkheid. Het appelexploot vermeldt de namen van alle geïntimeerden en zij geven in de memories van antwoord aan dat zij zich als in de memories van grieven met “c.s.” samengevat beschouwen. Aldus bestaat er kennelijk geen misverstand over dat het appel en de memories van grieven ook tegen hen zijn gericht. Fraai staat het niet, maar consequenties zijn er niet verbonden aan de gewraakte wijze van aanduiden van geïntimeerden.

In alle zaken:

5. Zorgsaam heeft vijf grieven opgeworpen tegen de vonnissen van de kantonrechter.

6.1 Grief 1 klaagt erover dat de kantonrechter het verweer van Zorgsaam dat geïntimeerden niet aan hun stelplicht hebben voldaan heeft gepasseerd. Geïntimeerden hebben, aldus Zorgsaam, uitdrukkelijk niet gesteld dat zij, alle in aanmerking te nemen feiten en omstandigheden gewogen hebbend, in redelijkheid niet tot haar indelingsbeslissing is kunnen komen. De vorderingen hadden daarom afgewezen moeten worden.

Deze grief faalt. Geïntimeerden hebben bij de inleidende dagvaardingen de feitelijke gronden van hun vordering voldoende gemotiveerd gesteld en aan-gevoerd dat door Zorgsaam onvoldoende argumenten zijn aangevoerd om een afwijking van het oordeel van de LCF te rechtvaardigen. Geïntimeerden hebben daarmee voldaan aan hun stelplicht.

6.2 De grieven 2 en 3 strekken ertoe het materiële geschil in volle omvang aan de beoordeling door het hof voor te leggen. Het hof overweegt dienaangaande als volgt.

Zorgsaam klaagt er ten eerste over dat in - naar de hof begrijpt: de eerste - rov. 3 van de tussenvonnissen van 25 februari 2004 respectievelijk 26 mei 2004 een te beperkte benadering van de waardering en indeling van een functie is weergegeven.

Dit onderdeel van de grief faalt. In de zaak met rolnummer 05/397 is Zorgsaam niet-ontvankelijk in haar appel tegen het verstekvonnis van 25 februari 2004 en op 26 mei 2004 is in die zaak geen tussenvonnis gewezen. Nu in het in die zaak gewezen vonnis in verzet van 28 juli 2004 in rov. 3 geen overweging als bedoeld is terug te vinden, beschouwt het hof de grief als (tevens) gericht tegen rov. 2.3 in dat vonnis en de rov. 3.3 in de twee andere eindvonnissen van die datum. De kantonrechter heeft met de betreffende overweging in de vonnissen slechts een aantal karakteristieken van de zaak geschetst waaraan in de procedure geen verdere betekenis is toegekend. Daarmee ontbreekt een belang bij dit onderdeel van deze grief.

6.3 Voor de verdere beoordeling dient tot uitgangpunt

a. dat tussen partijen niet in geschil is (rov. 2.2) dat het op voet van de CAO aan Zorgsaam als werkgever is om de functiebeschrijving op te stellen en dat het (vervolgens) aan de werkgever is om de functies te waarderen en deze in functiegroepen in te delen;

b. dat Zorgsaam bij de indeling van zijn werknemers in functiegroepen aan de maatstaven van de FWG is gebonden;

c. dat de aard van deze maatstaven, zoals deze in het onderhavige geding naar voren komt, meebrengt dat indeling in de regel slechts mogelijk zal zijn aan de hand van een weging van een veelheid van factoren;

d. dat de rechtspraak aan de werkgever bij de waardering een zekere beoor-delingsvrijheid toekent.

6.4 Voor zover Zorgsaam het door de rechter toe te passen toetsingskader aan de orde heeft gesteld, samengevat: een volle toetsing of een marginale, is inmiddels vaste rechtspraak dat de rechter slechts heeft te beoordelen of de werkgever in redelijkheid tot zijn besluit heeft kunnen komen, blijkens onder meer de ook door kantonrechter genoemde HR-arresten van 14 maart 2003, NJ 2003, 312 en 2 mei 2003, NJ 2003, 442.

6.5 Waar Zorgsaam zich voorts beroept op de door AG Koopmans in zijn conclusie voor HR 13 september 1996, NJ 1997, 38 genoemde, uit de recht-spraak af te leiden, toetsingsmaatstaven, wenst zij daaruit kennelijk af te leiden dat uit die maatstaven volgt dat marginale toetsing door de rechter niet kan mee-

brengen dat wanneer de werkgever zonder deugdelijke motivering afwijkt van het LCF-advies, er reeds sprake is van een besluit waartoe de werkgever in redelijkheid niet heeft kunnen komen. Dat nu volgt uit de rechtspraak niet.

6.6 In verband met het voorgaande is tevens van belang dat Zorgsaam, die aanvoert dat afwijking van het LCF-advies “een motivering” behoeft en het LCF-advies “nog steeds slechts één van de in overweging te nemen elementen vormt”, daarmee geen recht doet aan de kennelijke bedoeling van de CAO met betrekking tot de rol van het LCF en haar advies in het kader van de beslechting van een geschil tussen werkgever en werknemer over de indeling van de functie.

Immers, het LCF-advies wordt volgens artikel 4.1 lid 5 van het Protocol Functie-waardering Gezondheidszorg geacht een zwaarwegend advies te zijn waarvan gemotiveerd kan worden afgeweken. In aanmerking genomen deze aard en strekking van het advies schiet de door Zorgsaam (rov 2.14) ter afwijking van het LCF-advies gegeven motivering (rov. 2.13) ten enenmale tekort. Immers, de LCF overweegt: “Tijdens ambulancehulpverlening is sprake van frequente, intensieve contacten waarbij veelal in crisissituaties moet worden gehandeld. Daarbij worden hoge eisen gesteld aan tact, hulpvaardigheid, intermenselijke zorg en aandacht, overredingskracht en het bepalen en bewaren, van de eigen houding. Het geheel van de activiteiten tilt de functie ten opzichte van dit gezichtspunt naar niveau H, ook al is in deze functie niet sprake van langdurige contacten.” De verwijzing door Zorgsaam naar de normtekst (rov. 2.10) waarin de crisissituatie gekoppeld is aan langdurige contacten, volstaat daarvoor niet. De LCF is nu juist van deze normtekst H uitgegaan. Voor zover Zorgsaam heeft betoogd dat zulks anders is, is zulks onbegrijpelijk. De LCF heeft onmiskenbaar het oog gehad op wat door Zorgsaam als het “eerste alternatief” in de normtekst H wordt aangeduid.

6.7 Het hof stelt met betrekking tot de klacht van Zorgsaam dat het systeem-advies van FWG 3.0 voor indeling in functiegroep 60 niet dwingt tot indeling in die functiegroep vast dat de door Zorgsaam gebezigde argumenten niet raken aan de overweging van de kantonrechter dat Zorgsaam nagelaten heeft voldoende concreet toe te lichten hoe – en aannemelijk te maken dat – de door Zorgsaam voorgestane fijnmazige beoordeling bij juiste toepassing van FWG 3.0 tot een indeling in functiegroep 55 leidt. Ook in hoger beroep heeft Zorgsaam haar stellingen op dit punt onvoldoende geconcretiseerd.

6.8 Grief 4 houdt in dat de kantonrechter de vordering van geïntimeerden ten onrechte aldus verstaan heeft dat deze mede omvat een verklaring voor recht dat hun functies met ingang van 1 januari 2000 behoren te worden ingedeeld in functiegroep 60. Volgens geïntimeerden is de kantonrechter hiermee ultra petita gegaan.

Het hof stelt vast dat deze grief niet raakt aan de inhoudelijke beslissing dat Zorgsaam gehouden is tot indeling van de functies van geïntimeerden met ingang van 1 januari 2000 in functiegroep 60. Aan Zorgsaam kan toegegeven worden dat geïntimeerden geen verklaring voor recht hebben gevorderd. In zoverre slaagt de grief.

6.9 Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat grief 5, die geen zelfstandige betekenis heeft, faalt.

6.10 Het voorgaande leidt ertoe dat het hof de vonnissen van 28 juli 2004 van de kantonrechter zal bekrachtigen, met dien verstande dat de uitgesproken verklaring voor recht overeenkomstig hetgeen werd gevorderd zal worden gecorrigeerd. Bij een beslissing over de tussenvonnissen 26 mei 2004 hebben partijen geen belang omdat in het dictum van die vonnissen geen te executeren beslissingen voorkomen. Het hof neemt daarom dienaangaande in het dictum geen beslissing op.

Als in het ongelijk te stellen partij wordt Zorgsaam veroordeeld in de kosten aan de zijde van geïntimeerden in hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

in de zaak met rolnummer 05/397:

- verklaart Zorgsaam niet-ontvankelijk in haar appel tegen de in rov. 4.1 bedoelde vonnissen van 25 februari 2004 van de rechtbank Middelburg, sector kanton, locatie Terneuzen;

- bekrachtigt het vonnis van 28 juli 2004 van de rechtbank Middelburg, sector kanton, locatie Terneuzen, gewezen tussen partijen, met dien verstande dat voor “verklaart voor recht dat de door [geintimeerde 1] cs vervulde functie van ambulanceverpleegkundige volgens FWG 3.0 met ingang van 1 januari 2000 behoort te worden ingedeeld in functiegroep 60” wordt gelezen:

veroordeelt Zorgsaam de door [geintimeerde 1] cs vervulde functie van ambulance-verpleegkundige volgens FWG 3.0 met ingang van 1 januari 2000 in te delen in functiegroep 60;

- veroordeelt Zorgsaam in de kosten van het hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van geïntimeerden begroot op € 2.926,- (waarvan € 244,- voor griffierecht en € 2.682,- voor salaris procureur);

in de zaak met rolnummer 05/398:

- bekrachtigt het vonnis van 28 juli 2004 van de rechtbank Middelburg, sector kanton, locatie Terneuzen, gewezen tussen partijen, met dien verstande dat voor “verklaart voor recht dat de door [geintimeerde A] vervulde functie van ambulanceverpleegkundige volgens FWG 3.0 met ingang van 1 januari 2000 behoort te worden ingedeeld in functiegroep 60” wordt gelezen:

veroordeelt Zorgsaam de door [geintimeerde A] vervulde functie van ambulance-verpleegkundige volgens FWG 3.0 met ingang van 1 januari 2000 in te delen in functiegroep 60;

- veroordeelt Zorgsaam in de kosten van het hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van geïntimeerde begroot op € 2.926,- (waarvan € 244,- voor griffierecht en € 2.682,- voor salaris procureur);

in de zaak met rolnummer 05/399:

- bekrachtigt het vonnis van 28 juli 2004 van de rechtbank Middelburg, sector kanton, locatie Terneuzen, gewezen tussen partijen, met dien verstande dat voor “verklaart voor recht dat de door [geintimeerde I] cs vervulde functie van ambulanceverpleegkundige volgens FWG 3.0 met ingang van 1 januari 2000 behoort te worden ingedeeld in functiegroep 60” wordt gelezen:

veroordeelt Zorgsaam de door [geintimeerde I] cs vervulde functie van ambulance-verpleegkundige volgens FWG 3.0 met ingang van 1 januari 2000 in te delen in functiegroep 60;

- veroordeelt Zorgsaam in de kosten van het hoger beroep, tot op deze uitspraak aan de zijde van geïntimeerden begroot op € 2.926,- (waarvan € 244,- voor griffierecht en € 2.682,- voor salaris procureur).

Dit arrest is gewezen door mrs. A.A. Schuering, J.W. van Rijkom en N.M. van der Horst en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 22 december 2006 in bijzijn van de griffier.