Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AZ5554

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-12-2006
Datum publicatie
03-01-2007
Zaaknummer
2200004406
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gemotiveerde vrijspraak van het impliciet primair tenlastegelegde: moord.

Anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal is het hof van oordeel, dat de verdachte in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling het mes, dat hij bij zich droeg, heeft gepakt en daarmee het slachtoffer met opzet heeft gestoken. De verklaring van [betrokkene] sluit naar het oordeel van het hof niet uit dat de verklaring van de verdachte over het bij zich dragen van het mes op juistheid berust en dat niet zonder meer kan worden aangenomen dat dit was met het oog op een voornemen om dat jegens het slachtoffer te gebruiken. Hier komt nog bij dat de ontmoeting tussen de verdachte en het slachtoffer naar moet worden aangenomen ook voor de verdachte toevallig en onverwacht was. Het hof acht op verschillende gronden de overige door de advocaat-generaal aangevoerde feiten en omstandigheden, te weten eerder voorvallen van geweld of bedreiging met geweld richting het slachtoffer, de inhoud van de sms-berichten die de verdachte aan het slachtoffer heeft gestuurd en de verklaringen van met name [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5] met betrekking tot de overheersende rol van de verdachte in de relatie met het slachtoffer onvoldoende om te kunnen komen tot het oordeel dat de verdachte zich voorafgaand aan zijn ontmoeting met het slachtoffer al enige rekenschap had gegeven van zijn aanstaand handelen. Ook uit het feit dat de verdachte het mes na afloop van de steekpartij heeft weggestopt, kan het hof niet zonder meer afleiden dat de verdachte anders dan in een opwelling heeft gehandeld.

Strafmotivering: De verdachte en het slachtoffer - allebei adolescent - hebben alvorens het fatale misdrijf plaatsvond enige tijd een intensieve en intieme relatie met elkaar gehad onder de hiervoor vermelde omstandigheden. De verdachte heeft op brute wijze het leven van een jongeman ontnomen, en daardoor bij de nabestaanden onherstelbaar leed, verdriet en pijn teweeggebracht. Dit delict, gepleegd op een openbaar terrein in een woonwijk, draagt een voor de rechtsorde schokkend karakter en brengt doorgaans gevoelens van angst en onveiligheid bij burgers teweeg. Op een dergelijk feit kan in beginsel slechts worden gereageerd met de oplegging van een gevangenisstraf van lange duur. Het hof houdt daarbij rekening met de eerdere veroordelingen die hij als minderjarige heeft gehad voor het plegen van strafbare feiten. Bij de strafoplegging heeft het hof mede achtgeslagen op de omstandigheid dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde feit lijdende was aan een zodanig gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens dat dit feit hem slechts in enigszins verminderde mate kan worden toegerekend, alsmede op de nog jeugdige leeftijd van de verdachte. In enigszins matigende zin heeft het hof voorts in aanmerking genomen dat ook de verdachte - tot wie kennelijk de tragische ernst van zijn daad is doorgedrongen - moet leren leven met het besef dat hij zijn beste vriend heeft gedood.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-000044-06

Parketnummer: 09-901247-04

Datum uitspraak: 28 december 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te 's-Gravenhage van 16 december 2005 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

thans gedetineerd in [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzittingen in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 26 juni 2006, 16 oktober 2006 en 18 december 2006.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie gewijzigd.

Van de dagvaarding en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het impliciet primair tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren, met aftrek van voorarrest. Omtrent de vorderingen van de benadeelde partijen en ten aanzien van het in beslag genomen voorwerp is beslist als nader in het vonnis omschreven.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

De advocaat-generaal heeft zich - in het verlengde van het oordeel van de rechtbank - op het uitdrukkelijke standpunt gesteld dat de verdachte met voorbedachten rade heeft gehandeld en zich aldus schuldig heeft gemaakt aan moord.

Dit heeft de advocaat-generaal - kort en zakelijk weergegeven - onderbouwd door onder meer te wijzen op diverse door de rechtbank aangehaalde getuigenverklaringen, waarin het gedrag van de verdachte binnen zijn relatie met het slachtoffer gekenmerkt zou worden als bedreigend, intimiderend en mishandelend. Bovendien acht de advocaat-generaal het van belang dat het slachtoffer samen met zijn moeder een dag voor het fatale gebeuren ten overstaan van een verbalisant van politie melding heeft gemaakt van dit gedrag alsmede, in een telefoongesprek met een medewerker van bureau Slachtofferhulp.

Voorts heeft de advocaat-generaal gewezen op de zich in het dossier bevindende weergaven van verschillende sms-berichten afkomstig van de mobiele telefoon van de verdachte, waaruit de advocaat-generaal heeft afgeleid dat de verdachte tevoren, althans voordat de confrontatie op het basketbalveldje tussen de verdachte en het slachtoffer plaatsvond, op de hoogte was van het voornemen van het slachtoffer om de relatie te beëindigen, terwijl de verdachte hierover een andere verklaring heeft afgelegd.

Hiernaast heeft de advocaat-generaal opgemerkt dat de verdachte op 30 november 2004 een groot mes bij zich droeg en dat hij de hiervoor gegeven verklaring van de verdachte - namelijk dat hij dit deed uit angst voor [betrokkene] - niet aannemelijk acht.

Ten slotte heeft de advocaat-generaal op de omstandigheid gewezen dat de verdachte het mes - nadat hij hiermee het slachtoffer had neergestoken - heeft weggegooid.

Uit het onderzoek ter terechtzitting heeft het hof het navolgende kunnen reconstrueren.

De verdachte en het slachtoffer hebben met elkaar een homoseksuele relatie gehad. Deze relatie hebben zij in hun omgeving niet bekend gemaakt, maar sommigen hadden hierover wel hun vermoedens. Op de door het slachtoffer gehuurde kamer in Honselersdijk hebben zij enige tijd samengewoond. In de ochtend van 29 november 2004 is het slachtoffer van deze kamer weggegaan om naar zijn moeder te gaan met wie de familierelatie tot dan toe enige tijd verbroken was geweest. De verdachte was in de veronderstelling dat het slachtoffer naar zijn werk was gegaan, maar dit werk was de week ervoor beëindigd, waarvan het slachtoffer de verdachte niets had gezegd. Het slachtoffer heeft aan zijn moeder gevraagd of hij weer bij haar mocht wonen omdat hij bedreigd werd door de verdachte. Het slachtoffer is die dag bij zijn moeder gebleven en 's middags zijn hij en zijn moeder naar de politie geweest. Daar is een mutatie opgenomen waarin wordt gesproken over intimiderend gedrag van de verdachte. Het slachtoffer gaf aan bang te zijn van de verdachte. Ook zou de verdachte het slachtoffer mishandeld hebben. Het slachtoffer wenste geen aangifte te doen. De verbalisante die de mutatie heeft opgenomen heeft bij de rechter-commissaris verklaard niet boven water te hebben kunnen krijgen wat zich precies binnen de relatie afspeelde. Het slachtoffer sprak globaal over erge dingen, dat hij werd geslagen met een riem en dat de verdachte gevoelens voor hem had, maar dat dat omgekeerd niet het geval was. De verbalisante had het gevoel dat er sprake was van een homofiele relatie maar kreeg daar geen bevestiging van. Een dag later heeft het slachtoffer ook aan een medewerker van het bureau slachtofferhulp aldus verklaard.

's Avonds heeft de familie van het slachtoffer de kamer leeggehaald. De verdachte, die zich op de kamer bevond is te kennen gegeven dat hij weg moest gaan en zijn spullen mee moest nemen.

Die dag en ook de dag erop heeft de verdachte veelvuldig telefooncontact gezocht met en sms-berichten gestuurd aan het slachtoffer, waar deze niet op heeft gereageerd.

Op 30 november 2004 is de verdachte van zijn ouderlijk huis, waar hij naar toe was gegaan, naar het arbeidsbureau te Naaldwijk geweest. Op de terugweg naar huis is hij [betrokkene] tegengekomen. Tussen 16.00 en 16.30 uur is hij bij hem thuis vertrokken. Hij heeft in de gangkast een mes gepakt, dit mes van binnenuit in de bovenzijde van de mouw van zijn jas gestoken en zo meegenomen. Op de fiets is hij naar Honselersdijk gereden om daar bij de videotheek een dvd terug te brengen. Vervolgens is hij naar de kamer gegaan om daar nog wat spullen op te halen. Bij de kamer trof hij het slachtoffer en zijn moeder. Het slachtoffer is op de verdachte afgelopen en er volgde een kort gesprek. De verdachte heeft spullen van de kamer gehaald. Het slachtoffer heeft nog gesproken met de verhuurder van de kamer over de borg. Daarna zijn het slachtoffer en de verdachte samen op de fiets naar Naaldwijk gereden. De moeder van het slachtoffer is met de auto teruggekeerd. De verdachte heeft zijn spullen thuis gebracht en is kort bij zijn moeder in de keuken geweest die het avondeten aan het klaarmaken was. De verdachte is naar buiten gegaan en met het slachtoffer naar het nabijgelegen basketbalveldje gegaan. Hun fietsen hebben zij daar neergezet. Het slachtoffer heeft zijn jas uitgedaan en opgehangen aan het hek. De verdachte heeft volgens zijn verklaring de rits van de trui van het slachtoffer dicht gedaan en het slachtoffer nog gezoend. Zij hebben wat gerookt en met elkaar gesproken. Volgens de verdachte heeft het slachtoffer toen tegen hem gezegd dat hij naar België wilde om daar te gaan wonen. Daarover is ruzie ontstaan. De verdachte heeft het mes vanuit de binnenkant van zijn jas getrokken. Het slachtoffer heeft nog gepoogd de verdachte van zich af te duwen. De verdachte heeft het slachtoffer daarop, naar zijn zeggen en in zoverre passend bij de bevindingen bij de sectie, onderhands - en niet bovenhands zoals de rechtbank heeft geconcludeerd - met het mes in de borst gestoken. Het slachtoffer is het basketbalveldje afgelopen naar een woning in de omgeving en is aldaar aan de gevolgen van de messteek overleden. De verdachte is langs een andere zijde van het basketbalveldje weggefietst, heeft zich van het mes ontdaan en heeft zich aan het politiebureau gemeld, volgens hem nog zonder te weten wat de afloop was van zijn daad. De verdachte heeft ten enenmale ontkend het voornemen te hebben gehad het slachtoffer met het mes te steken.

Het hof leidt uit het voorgaande af, met de raadsman en anders dan de rechtbank en de advocaat-generaal, dat de verdachte in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling het mes, dat hij bij zich droeg heeft gepakt en daarmee het slachtoffer met opzet heeft gestoken. Hierbij tekent het hof nog aan dat, gelet op de verklaring van de deskundige [naam] ter terechtzitting, uit de bij het slachtoffer aangetroffen verwonding niets met zekerheid kan worden afgeleid over de kracht waarmee is gestoken.

Als verklaring voor het feit dat de verdachte dit mes bij zich droeg heeft hij gezegd dat dit was om zich te beveiligen tegen [betrokkene] met wie hij en het slachtoffer onenigheid hadden, en die hij voor hij van huis wegging nog op straat had gezien. [betrokkene] is ook vervolgd in verband met een aangifte die het slachtoffer jegens haar heeft gedaan. [betrokkene] heeft bij de politie verklaard dat zij de verdachte op de bewuste middag lopend in de richting van zijn eigen huis heeft gezien. Zij heeft kwaad naar de verdachte gekeken zonder dreigende taal te spreken. Zij heeft verklaard dat zij een mes bij zich heeft als zij op straat gaat om het gevoel iets bij zich te hebben. Volgens haar wisten de verdachte en het slachtoffer dit ook. De verklaring van [betrokkene] sluit naar het oordeel van het hof niet uit dat de verklaring van de verdachte over het bij zich dragen van het mes op juistheid berust en dat niet zonder meer kan worden aangenomen, dat dit was met het oog op een voornemen om dat jegens het slachtoffer te gebruiken. Hier komt nog bij dat de ontmoeting tussen de verdachte en het slachtoffer op 30 november 2004 bij de kamer in Honselersdijk naar moet worden aangenomen ook voor de verdachte toevallig en onverwacht was.

Wat betreft mogelijk eerder geweld of bedreiging met geweld richting het slachtoffer heeft de verdachte telkens ontkend dat hiervan anders dan een enkele klap met de vlakke hand sprake is geweest, waarvoor hij later bij het slachtoffer nog zijn spijt zou hebben betuigd. Aan de hand van de verklaringen van getuigen en van de verdachte leidt het hof af dat het slachtoffer doende was zijn relatie met de verdachte, welke zich in een zeker isolement op de kamer in Honselersdijk had afgespeeld, te beëindigen en dat hij daarmee niet goed raad wist. Aan hetgeen het slachtoffer hieromtrent, alsmede over geweld of bedreiging met geweld, aan anderen heeft verklaard kan het hof niet zonder meer geloof hechten. Immers ook het hof moet vaststellen dat de verschillende door het slachtoffer afgelegde verklaringen niet geheel met elkaar stroken en dat bovendien slechts globaal is verklaard, over een langdurige periode zonder specifieke tijdsaanduiding, terwijl de verdachte en het slachtoffer nog samen op vakantie zijn geweest en de periode van samenwoning op de kamer in Honselersdijk nadien nog is gevolgd of heeft voortgeduurd. Het hof kan slechts vaststellen dat het slachtoffer op de door hem gekozen manier van de kamer in Honselersdijk is vertrokken en zijn toevlucht bij zijn moeder heeft gezocht. Uit de inhoud van de sms-berichten die de verdachte aan het slachtoffer heeft gestuurd leidt het hof af dat hij tenminste met het slachtoffer nog een gesprek wenste, dat hij zich wel realiseerde dat zij niet langer samen zouden wonen en dat het slachtoffer waarschijnlijk naar Delft zou gaan. Deze berichten eindigen met onder meer: "Nou, ik hoop je nog een keer te spreken" en "Het had ook anders gekund dat wist je toch wel? Als je dit zou willen doen voor mij, graag.". Anders dan de advocaat-generaal is het hof van oordeel dat hieruit niet enig concreet voornemen van de verdachte kan worden afgeleid, om al dan niet met een mes het slachtoffer te belagen.

Zowel de rechtbank als de advocaat-generaal hebben betekenis toegekend aan de verklaringen van met name [getuige 1], [getuige 2], [getuige 3], [getuige 4] en [getuige 5]. In deze verklaringen valt inderdaad wel te lezen dat verdachte het slachtoffer tijdens de relatie overheerste en dat zij altijd samen waren zonder andere vrienden. Het hof acht het echter te speculatief om hieruit af te leiden dat daaruit - op voorhand - kan worden verklaard hoe de verdachte zou handelen als gevolg van het tot hem doordringende besef dat het slachtoffer bij hem was weggegaan en het contact (mogelijk zelfs geheel) met hem wilde verbreken, althans dat de verdachte zich daar al enige rekenschap van had gegeven.

Ook uit het feit dat de verdachte het mes na afloop van de steekpartij heeft weggestopt, kan het hof na het vorenoverwogene niet zonder meer afleiden dat de verdachte anders dan in een opwelling heeft gehandeld.

De feiten en omstandigheden die door rechtbank in haar bewijsoverweging en door advocaat-generaal in zijn requisitoir zijn aangehaald, kunnen naar het oordeel van het hof - gelet op het hiervoor overwogene - niet in overtuigende mate en buiten gerede twijfel tot de conclusie leiden dat de verdachte het slachtoffer met voorbedachten rade heeft neergestoken, zodat de verdachte van de impliciet primair tenlastegelegde moord dient te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het impliciet subsidiair tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Doodslag.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot veroordeling van de verdachte terzake van het impliciet primair tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur elf jaren, met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte en het slachtoffer - allebei adolescent - hebben alvorens het fatale misdrijf plaatsvond enige tijd een intensieve en intieme relatie met elkaar gehad onder de hiervoor vermelde omstandigheden.

De verdachte heeft op brute wijze het leven van een jongeman ontnomen, en daardoor bij de nabestaanden onherstelbaar leed, verdriet en pijn teweeggebracht. Dit delict, gepleegd op een openbaar terrein in een woonwijk, draagt een voor de rechtsorde schokkend karakter en brengt doorgaans gevoelens van angst en onveiligheid bij burgers teweeg.

Op een dergelijk feit kan in beginsel slechts worden gereageerd met de oplegging van een gevangenisstraf van lange duur. Het hof houdt daarbij rekening met de eerdere veroordelingen die hij als minderjarige heeft gehad voor het plegen van strafbare feiten, blijkende uit een hem betreffend uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 15 november 2006. Bij de strafoplegging heeft het hof mede achtgeslagen op de omstandigheid dat de verdachte - volgens het rapport van het Pieter Baan Centrum d.d. 9 november 2005 waarvan het hof in zoverre de conclusie overneemt - ten tijde van het bewezenverklaarde feit lijdende was aan een zodanig gebrekkige ontwikkeling van zijn geestvermogens dat dit feit hem slechts in enigszins verminderde mate kan worden toegerekend, alsmede op de nog jeugdige leeftijd van de verdachte.

In enigszins matigende zin heeft het hof voorts in aanmerking genomen dat ook de verdachte - tot wie kennelijk de tragische ernst van zijn daad is doorgedrongen - moet leren leven met het besef dat hij zijn beste vriend heeft gedood.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden is.

Beslag

Het in beslag genomen en nog niet teruggegeven mes (kleur zilver, van het merk Rosenbaum keuken) is vatbaar voor verbeurdverklaring, nu het een voorwerp is met behulp waarvan het bewezenverklaarde is begaan. Het hof zal daarom dit voorwerp - overeenkomstig de vordering van de advocaat-generaal - verbeurdverklaren.

Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 1]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 1] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde tot een bedrag van EUR 2.534,15.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg gevorderde en in hoger beroep gehandhaafde bedrag van EUR 2.534,15.

De advocaat-generaal heeft in dezen geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het ten laste van de verdachte bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met haar vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1]

Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde feit is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van EUR 2.534,15 ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 1].

Vordering tot schadevergoeding [benadeelde partij 2]

In het onderhavige strafproces heeft [benadeelde partij 2] zich als benadeelde partij gevoegd en een vordering ingediend tot vergoeding van geleden schade als gevolg van het aan de verdachte tenlastegelegde tot een bedrag van EUR 2.600,-.

In hoger beroep is deze vordering aan de orde tot dit in eerste aanleg volledig toegewezen bedrag EUR 2.600,-.

De advocaat-generaal heeft in dezen geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

De vordering van de benadeelde partij is door en namens de verdachte niet betwist.

Naar het oordeel van het hof heeft de benadeelde partij aangetoond dat de gestelde schade is geleden en dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het ten laste van de verdachte bewezenverklaarde. De vordering van de benadeelde partij zal derhalve worden toegewezen.

Dit brengt mee, dat de verdachte dient te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met zijn vordering heeft gemaakt, welke kosten het hof begroot op nihil, en in de kosten die de benadeelde partij ten behoeve van de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

Betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2]

Nu vaststaat dat de verdachte naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het bewezenverklaarde feit is toegebracht, zal het hof aan de verdachte de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van een bedrag van EUR 2.600,00 ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij 2].

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 24, 33, 33a, 36f en 287 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het impliciet primair tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het impliciet subsidiair tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 (acht) jaren.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart het in beslag genomen mes (kleur zilver, van het merk Rosenbaum keuken) verbeurd.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 1] tot het gevorderde bedrag van EUR 2.534,15 (tweeduizend vijfhonderdvierendertig euro en vijftien cent) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, [benadeelde partij 1], [adres], van een bedrag van EUR 2.534,15 (tweeduizend vijfhonderdvierendertig euro en vijftien cent) voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 50 (vijftig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Wijst toe de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [benadeelde partij 2] tot het gevorderde bedrag van EUR 2.600,00 (tweeduizend zeshonderd euro) en veroordeelt de verdachte om dit bedrag tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen aan de benadeelde partij.

Legt aan de verdachte voorts de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van het slachtoffer, [benadeelde partij 2], [adres], van een bedrag van EUR 2.600,00 (tweeduizend zeshonderd euro) voor welk bedrag in het geval volledige betaling noch volledig verhaal volgt vervangende hechtenis wordt toegepast voor de duur van 52 (tweeënvijftig) dagen, met dien verstande dat de toepassing van de vervangende hechtenis de verplichting ingevolge de maatregel tot schadevergoeding ten behoeve van het slachtoffer niet opheft.

Veroordeelt de verdachte in de kosten die de benadeelde partijen in verband met de vorderingen hebben gemaakt - welke kosten tot aan deze uitspraak zijn begroot op nihil - en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moeten maken.

Verstaat dat de betalingen aan de benadeelde partijen tevens gelden als betalingen aan de Staat ten behoeve van de slachtoffers en omgekeerd.

Dit arrest is gewezen door mr. J. Kramer, mr. S. van Dissel en mr. E.C.C. Punselie, in bijzijn van de griffier mr. W.S. Korteling.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 28 december 2006.

Mr. Punselie is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.