Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AZ5430

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-12-2006
Datum publicatie
02-01-2007
Zaaknummer
06/00123
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Aanslagen OZB. Vaststelling van de tarieven is een zelfstandige bevoegdheid van de raad van de gemeente. De belastingrechter is niet bevoegd hierover te oordelen, tenzij deze tariefstelling leidt tot een willekeurige of onredelijke belastingheffing die de wetgever bij het toekennen van de bevoegdheid niet voor ogen kan hebben gehad. De gemeenteraad heeft de grenzen van zijn bevoegdheid niet overschreden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2007/24.1.4
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

derde meervoudige belastingkamer

20 december 2006

nummer BK-06/00123

UITSPRAAK

op het hoger beroep van [belanghebbende] te [woonplaats] tegen de hierna vermelde uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 17 maart 2006 betreffende de hierna vermelde aanslagen.

Het geding in eerste aanleg

1. Aan belanghebbende zijn voor het jaar 2005 aanslagen in de onroerende zaakbelastingen opgelegd aangaande de onroerende zaken (woningen) gelegen aan de [straat en nummers], alsmede aan de [straat en nummer] te Leiden.

2. Na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur, de heffingsambtenaar van de gemeente Leiden (hierna: de Gemeente), bij uitspraak op bezwaar van 15 juli 2005 het bezwaar afgewezen.

3. Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 17 maart 2006, kenmerk AWB 05/5723, ongegrond verklaard.

Het geding in hoger beroep

4. Belanghebbende is van voormelde uitspraak in hoger beroep gekomen bij het hof. In verband hiermee heeft de griffier een griffierecht van € 105 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

5. De mondelinge behandeling van de zaak heeft ter zitting van het hof van 15 november 2006 plaatsgevonden. Alleen de Inspecteur is ter zitting verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

Verordening

6. De raad van de Gemeente heeft in zijn openbare vergadering van 7 december 2004 vastgesteld de Verordening onroerendezaakbelastingen 2005 (hierna: de Verordening). Blijkens de inhoud van de gedingstukken zijn de Verordening en de wijziging daarvan op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt.

Geschil

7. In geschil is of aan belanghebbende terecht de betrokken aanslagen zijn opgelegd.

Standpunt belanghebbende

8. Belanghebbende heeft in hoger beroep, kort weergegeven, de volgende standpunten ingenomen:

a. De aan belanghebbende opgelegde aanslagen voor 2005 zijn bijna 25 procent hoger uitgevallen dan voor het jaar ervoor. Deze stijging, van € 1.800 tot € 2.230, is ongepast, onredelijk en buiten proportie.

b. Wethouder [naam] van de Gemeente heeft in het Leidsch Dagblad (LD) van 26 februari 2005, uitspraken gedaan die bij belanghebbende de verwachting hebben gewekt dat ter zake van de op te leggen aanslagen een redelijk beleid zou worden gevoerd: "Je betaalt 3,5 procent meer. Dat is het inflatiecijfer plus iets extra ...".

c. Belanghebbende begrijpt dat de wethouder hiermee een gemiddeld cijfer heeft bedoeld en dat daarop afwijkingen mogelijk zijn, maar een stijging van 25% is buiten proportie en onredelijk.

d. Ook begrijpt belanghebbende dat de waarde van zijn woningen omhoog is gegaan, mogelijk meer dan gemiddeld, en daarmee de hoogte van de aanslagen. Een stijging van 25% verdraagt zich echter niet met een redelijk beleid dat de wethouder zegt te voeren.

e. De stelling van de Inspecteur dat de uitspraken van de wethouder van algemene aard zijn en dat burgers hieraan geen rechten kunnen ontlenen, is formeel juridisch juist. De wethouder heeft echter de bijzondere verantwoordelijkheid om in contacten

met de media zijn woorden te wegen en zorgvuldig in zijn uitspraken te zijn.

Standpunt Inspecteur

9. De Inspecteur heeft hiertegenover in hoger beroep, eveneens kort weergegeven, de volgende standpunten verdedigd:

a. De vaststelling van de tarieven heeft overeenkomstig de door de Gemeentewet vermelde uitgangspunten en maatstaven plaatsgevonden. Bij de vaststelling van de tarieven is rekening gehouden met de gemiddelde waardestijging van de woningen binnen de Gemeente. Er is daarom geen sprake van een onredelijke of willekeurige heffing. Eventueel individuele gevolgen staan in verband met een concrete stijging van de waarde van de betrokken woning. Voor de woningen van belanghebbende bedroeg die stijging ongeveer 70 procent.

b. De hoogte van de aanslagen is de uitkomst van de vastgestelde waarde van de woningen, die niet wordt betwist, en van de toepassing van de op regelmatige wijze vastgestelde tarieven, hetgeen evenmin wordt betwist. Deze rekenmethode geldt voor iedere belastingplichtige. Dat de uitkomst in een individueel geval als onbillijk wordt ervaren, maakt de heffing niet onredelijk of willekeurig.

c. De uitlatingen van de betrokken wethouder zijn gebaseerd op prognoses van de gemiddelde waardestijging van de woningen binnen de Gemeente. Deze uitlatingen hebben een algemeen voorlichtend karakter en hieraan kan belanghebbende geen rechtens te beschermen vertrouwen ontlenen.

Beoordeling van het hoger beroep

10. In hoger beroep kan van de door de rechtbank onder 2.1 vastgestelde feiten worden uitgegaan.

11. De rechtbank heeft vervolgens onder 2.3 geoordeeld, kort weergegeven:

a. De WOZ-waarden van de woningen zijn niet in geschil.

b. De door de Inspecteur gehanteerde tarieven zijn in overeenstemming met de betrokken wettelijke bepalingen vastgesteld.

c. De aanslagen zijn in overeenstemming met deze tarieven en waarden opgelegd.

d. Uit dit een en ander volgt dat er geen sprake is van een willekeurige heffing.

e. Belanghebbende heeft aan de uitlatingen van de wethouder in het LD dat de stijging van de betrokken belastingen ongeveer 3,5 procent zou bedragen, niet het gerechtvaardigde vertrouwen kunnen ontlenen dat de aanslagen ook in het concrete geval van belanghebbende ten aanzien van het voorgaande jaar met ongeveer 3,5 procent zouden stijgen, nu deze uitspraken een algemeen voorlichtend karakter hebben en betrekking hebben op gemiddelden.

12. De vaststelling van de betrokken tarieven is een zelfstandige bevoegdheid van de raad van de Gemeente. De belastingrechter is niet bevoegd om over de in de Verordening vastgelegde tarieven te oordelen, tenzij deze tariefstelling leidt tot een willekeurige of onredelijke belastingheffing die de wetgever bij het toekennen van voormelde bevoegdheid niet voor ogen kan hebben gehad.

13. Belanghebbende heeft geen feiten en omstandigheden gesteld of, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, aannemelijk gemaakt, die de conclusie rechtvaardigen dat de gemeenteraad de grenzen van zijn bevoegdheid te dezen heeft overschreden.

14. Uit dit een en ander volgt dat de hiervoor onder 11 a tot en met d vermelde oordelen van de rechtbank juist zijn.

15. Ook het hiervoor onder 11 e vermelde oordeel van de rechtbank is juist. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de gewraakte uitlatingen niet door de te dezen bevoegde Inspecteur zijn gedaan en eveneens niet rechtstreeks tegenover belanghebbende, en voorts dat de waarde van de betrokken woningen van belanghebbende ten opzichte van de voorgaande periode met ongeveer 70 procent is gestegen.

16. Voor zover belanghebbende de stelling heeft willen betrekken dat de Inspecteur bij het opleggen van de aanslag het evenredigheidsbeginsel of enig ander algemeen beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden, geldt dat belanghebbende geen feiten en omstandigheden heeft gesteld of, tegenover de gemotiveerde betwisting door de Inspecteur, aannemelijk heeft gemaakt, die de conclusie rechtvaardigen dat de Inspecteur hierbij een van deze beginselen heeft geschonden.

Slotsom

17. Uit de voorgaande overwegingen vloeit voort dat de rechtbank het beroep van belanghebbende terecht ongegrond heeft verklaard en dat de in hoger beroep bestreden uitspraak dient te worden bevestigd.

Proceskosten

18. Het hoger beroep is ongegrond. Het hof ziet daarom geen aanleiding om de Inspecteur in de eventuele proceskosten van belanghebbende te veroordelen.

Beslissing

Het gerechtshof bevestigt de bestreden uitspraak.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. Vierhout, Schuurman en Van den Steenhoven. De beslissing is op 20 december 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de griffier.

(Nederveen)

(Vierhout)

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.