Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AZ5408

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
20-12-2006
Datum publicatie
02-01-2007
Zaaknummer
06/00068
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Naheffingsaanslag parkeerbelasting was persoonlijk aan belanghebbende met buitenlandse nationaliteit overhandigd. Aannemelijk dat hierop een rechtsmiddelverwijzing was opgenomen. Mededeling parkeercontroleur om te wachten zag alleen op de betaling, niet op de bezwaartermijn. Bezwaar is terecht niet-ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
V-N 2007/26.31 met annotatie van Redactie
FutD 2007-0080
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

derde meervoudige belastingkamer

20 december 2006

nummer BK-06/00068

UITSPRAAK

op het hoger beroep van [belanghebbende] te [woonplaats], Duitsland, tegen de hierna vermelde uitspraak van de rechtbank Middelburg van 9 januari 2006 betreffende de hierna vermelde aanslag.

1. Het geding in eerste aanleg

1.1. Aan belanghebbende is met dagtekening 22 juni 2004 een naheffingsaanslag in de parkeerbelastingen opgelegd ter zake van het, op die datum, parkeren van een voertuig met kenteken [N NN 0000] op een met parkeerapparatuur gereguleerde parkeerplaats aan De Tol in Domburg.

1.2. Na door belanghebbende daartegen gemaakt bezwaar heeft de Inspecteur, de heffingsambtenaar van de gemeente Veere, bij uitspraak op bezwaar van 18 april 2005, het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

1.3. Belanghebbende is tegen deze uitspraak in beroep gekomen bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 9 januari 2006, kenmerk AWB 05/354, ongegrond verklaard.

2. Het geding in hoger beroep

2.1. Belanghebbende is van voormelde uitspraak in hoger beroep gekomen bij het hof. In verband hiermee is door de griffier een griffierecht van € 103 geheven. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.2. De mondelinge behandeling van de zaak heeft ter zitting van het hof van 15 november 2006 plaatsgevonden. Alleen de Inspecteur is ter zitting verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

3. Verordening

De raad van de gemeente Veere heeft in zijn openbare vergadering van 13 november 2003 vastgesteld de Verordening parkeerbelastingen 2004 (hierna: de Verordening). Blijkens de inhoud van de gedingstukken zijn de Verordening en de wijziging daarvan op de wettelijk voorgeschreven wijze bekendgemaakt.

4. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en op zichzelf aannemelijk, het volgende komen vast te staan:

4.1. Met dagtekening 18 januari 2005 heeft het in Londen gevestigde bedrijf Euro Parking Collection Plc. (hierna: EPC) namens de Inspecteur aan belanghebbende een als duplicaat met acceptgiro bedoeld geschrift aan belanghebbende gezonden. Hierbij is de naheffingsaanslag ten bedrage van € 45,60 verhoogd met een bedrag van € 40,70 tot € 86,30.

4.2. Belanghebbende heeft op 6 februari 2005 in een e-mail aan EPC bezwaar tegen de verhoging van de naheffingsaanslag aangetekend. Voorts heeft belanghebbende met dagtekening

16 maart 2005 bij brief, ingekomen op 21 maart 2005, bij de Inspecteur bezwaar aangetekend. Dit bezwaarschrift is evenals de e-mail gericht tegen de verhoging van de naheffingsaanslag met het in 4.1 genoemde bedrag.

5. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

5.1. In geschil is primair of belanghebbende terecht niet-ontvankelijk is verklaard in het bezwaar en subsidiair of EPC de naheffingsaanslag terecht heeft verhoogd met eerdergenoemd bedrag.

5.2. Belanghebbende heeft in hoger beroep, kort weergegeven, de volgende standpunten ingenomen:

a. Belanghebbende heeft de naheffingsaanslag niet ontvangen. Hij heeft op 22 juni 2004 een aankondiging van de naheffingsaanslag ontvangen. Hierop was geen te betalen bedrag vermeld en ook geen wijze waarop belanghebbende te zijner tijd kon betalen. Hem is medegedeeld dat de naheffingsaanslag en de uitnodiging tot betaling hem zouden worden toegezonden. Eerst op

24 januari 2005 ontving hij van incassobedrijf EPC het "Bussgeldbescheid" van 18 januari 2005. Hiertegen heeft hij op 6 februari 2005 per e-mail bezwaar aangetekend. Hij is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

b. Belanghebbende acht het in de brief van EPC gevorderde bedrag van € 86,30 te hoog. Dit bedrag strookt niet met de parkeerverordening.

5.3. De Inspecteur heeft hiertegenover in hoger beroep, eveneens kort weergegeven, de volgende standpunten verdedigd:

a. De naheffingsaanslag is op 22 juni 2004 door de parkeercontroleur aan belanghebbende persoonlijk overhandigd. Uit het stuk blijkt duidelijk dat het een naheffingsaanslag parkeerbelasting betreft. Op dit stuk staan ook de rechtsmiddelen vermeld. Belanghebbende is derhalve terecht niet-ontvankelijk verklaard.

b. Op de naheffingsaanslag staat ook vermeld dat met de betaling gewacht moet worden tot men een acceptgiro heeft ontvangen. In het onderhavige geval betreft het een buitenlands kenteken. Dit is de reden dat het bedrijf EPC is ingeschakeld. Dit bedrijf heeft het duplicaat van de naheffingsaanslag met de bijbehorende acceptgiro verzonden. Hierbij is de naheffingsaanslag verhoogd met kosten. In het onderhavige geval en onder de gegeven omstandigheden acht ik het redelijk af te zien van de inningskosten die EPC in rekening heeft gebracht en het op de naheffingsaanslag te innen bedrag te beperken tot het bedrag van de naheffing van € 45,60. Indien het hof het hoger beroep ongegrond verklaart en concludeert dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard, zal ik dit ambtshalve doen.

6. Beoordeling van het hoger beroep

6.1. De rechtbank heeft vervolgens onder 6, 7 en 8 geoordeeld - kort weergegeven - :

a. Het is aannemelijk dat de naheffingsaanslag op 22 juni 2004 op het voertuig is aangebracht.

b. De naheffingsaanslag is op 22 juni 2004 op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt en de termijn voor indiening van het bezwaarschrift is derhalve op die datum aangevangen.

c. Het bezwaarschrift van 6 februari 2005 is niet voor het einde van de termijn van zes weken ontvangen.

d. Er is niet gebleken van omstandigheden op grond waarvan niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende ten aanzien van het te laat indienen van het bezwaarschrift in verzuim is geweest.

6.2. Mede gelet op de inhoud van eerdergenoemd e-mailbericht van belanghebbende aan EPC acht het hof aannemelijk dat de naheffingsaanslag op 22 juni 2004 door de parkeercontroleur persoonlijk is overhandigd aan belanghebbende. In tegenstelling tot hetgeen belanghebbende stelt was dit niet een aankondiging van een naheffingsaanlag, maar de naheffingsaanslag zelf. Voorts acht het hof aannemelijk dat op het aanslagbiljet waarvan de gemeente Veere gebruik maakt bij het opleggen van naheffingsaanslagen in de parkeerbelasting, het bedrag van de naheffing, alsmede een rechtsmiddelverwijzing is opgenomen. Verder acht het hof aannemelijk dat de mededeling van de parkeercontroleur ten tijde van het overhandigen van de naheffingsaanslag, dat belanghebbende diende te wachten op een duplicaat met acceptgiro, uitsluitend betrekking heeft gehad op de betaling van de naheffingsaanslag en niet op de bezwaartermijn.

6.3.1. De termijn voor indiening van een bezwaarschrift bedraagt zes weken. Een bezwaarschrift is tijdig ingediend, indien het vóór het einde van de termijn door de Inspecteur is ontvangen. Bij verzending per post is een bezwaarschrift tijdig ingediend indien het vóór het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen. Nu het hof geen reden heeft om aan te nemen dat de dag van dagtekening van het aanslagbiljet is gelegen vóór de dag van de bekendmaking daarvan, is de termijn in dit geval aangevangen met ingang van de dag na die van de dagtekening van het aanslagbiljet, zodat de termijn voor het instellen van bezwaar eindigde met 3 augustus 2004. Nu het bezwaarschrift niet binnen een week na afloop van de termijn is ontvangen, is het bezwaarschrift reeds daarom te laat ingediend. Van omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat belanghebbende in verzuim is geweest, is niet gebleken.

6.3.2. Ook in het geval de mededeling van de parkeercontroleur ten tijde van het overhandigen van de naheffingsaanslag, dat belanghebbende diende te wachten op een duplicaat met acceptgiro, niet expliciet is beperkt tot de betaling van de naheffingsaanslag, zodat belanghebbende daaruit heeft kunnen afleiden dat dit ook ten aanzien van de bezwaartermijn van toepassing was, heeft belanghebbende niet tijdig bezwaar aangetekend. In dat geval eindigde de termijn voor het instellen van bezwaar immers met 1 maart 2005. Het e-mailbericht aan EPC kan niet als bezwaarschrift in de zin van de wet worden aangemerkt. Het bezwaarschrift gedagtekend 16 maart 2005 is op 21 maart 2005 bij de Inspecteur ingekomen en daarmee buiten de termijn.

6.4. Uit de voorgaande overwegingen vloeit voort dat de rechtbank het beroep van belanghebbende terecht ongegrond heeft verklaard en dat de in hoger beroep bestreden uitspraak dient te worden bevestigd.

6.5. Ter zitting heeft de Inspecteur verklaard in het onderhavige geval en onder de gegeven omstandigheden bij ongegrondverklaring van het beroep ambtshalve af te zullen zien van inning van het door EPC bijgeboekte bedrag van € 40,70. Belanghebbende kan daarom volstaan met de betaling van het bedrag van de naheffingsaanslag van € 45,60.

7. Proceskosten

Het hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht.

8. Beslissing

Het gerechtshof bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Deze uitspraak is vastgesteld door mrs. Schuurman, Vierhout en Van den Steenhoven. De beslissing is op 20 december 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de griffier.

(Nederveen)

(Schuurman)

aangetekend aan

partijen verzonden:

Zowel de belanghebbende als het daartoe bevoegde bestuursorgaan kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.