Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AZ4644

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-12-2006
Datum publicatie
22-12-2006
Zaaknummer
279-H-06
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen wijziging verblijfplaats minderjarige. Wel ruime omgangsregeling. Verzoek verdeling gemeenschap niet toewijsbaar: geen goede boedelbeschrijving aanwezig.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 6 december 2006

Rekestnummer. : 279-H-06

Rekestnr. rechtbank : FA RK 05-5078

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. M.H.C. Morshuis,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. E.N. van der Spoel.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 27 februari 2006 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 30 november 2005.

De vrouw heeft op 14 april 2006 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de man is bij het hof op 23 oktober 2006 een aanvullend verzoekschrift ingekomen.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 8 maart 2006 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 30 augustus 2006 aanvullende stukken ingekomen.

Op 1 november 2006 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn procureur, en de vrouw, bijgestaan door haar procureur. Partijen hebben het woord gevoerd, de procureur van de man onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotitie.

VASTSTAANDE FEITEN EN HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG

De man en de vrouw zijn [in] 1998, in gemeenschap van goederen, met elkaar gehuwd. Uit hun huwelijk is het volgende nog minderjarige kind [geboren:] [de minderjarige], geboren [in] 1999, verder: [de minderjarige].

De ouders hebben gezamenlijk het gezag over [de minderjarige]. [de minderjarige] verblijft sinds het uiteengaan van de ouders bij de vrouw.

Bij verzoekschrift van 6 september 2005 heeft de vrouw bij de rechtbank te ‘s-Gravenhage een verzoek tot echtscheiding met nevenverzoeken ingediend. Zij heeft verzocht dat [de minderjarige] haar hoofdverblijf zal hebben bij de vrouw, een kinderalimentatie vast te stellen, een omgangsregeling vast te stellen, te bepalen dat de vrouw huurster zal zijn van de echtelijke woning en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vast te stellen. De man heeft geen verweer gevoerd.

Bij de bestreden beschikking van 30 november 2005 heeft de rechtbank tussen de ouders de echtscheiding uitgesproken. Bij die beschikking heeft de rechtbank verder - uitvoerbaar bij voorraad - ten laste van de man de kinderalimentatie bepaald op € 250,- per maand. Voorts heeft de rechtbank bepaald dat het hoofdverblijf van [de minderjarige] bij de vrouw zal zijn en heeft de rechtbank een omgangsregeling bepaald, inhoudende dat de man [de minderjarige] bij zich mag hebben als volgt:

- éénmaal per twee weken een weekend van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur;

- drie aaneengesloten weken in de zomervakantie;

- de helft van de overige vakanties en om de beurt de feestdagen.

Daarbij heeft de rechtbank de verdeling van de tussen de partijen bestaande gemeenschap van goederen vastgesteld conform het door de vrouw verzochte. De rechtbank heeft verder bepaald dat de vrouw huurster zal zijn van de echtelijke woning met ingang van de dag van inschrijving van de beschikking in de registers van de burgerlijke stand.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn de echtscheiding, het hoofdverblijf van [de minderjarige], de omgangsregeling, de kinderalimentatie en de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.

2. De man verzoekt, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen:

I. dat [de minderjarige] primair het hoofdverblijf zal hebben bij de man, subsidiair te bepalen dat [de minderjarige] bij de man zal zijn:

- éénmaal per twee weken een weekend van vrijdag 18.00 uur tot maandag 18.00 uur;

- iedere maandag- en dinsdagmiddag uit school tot 18.00 uur;

- drie aaneengesloten weken in de zomervakantie;

- de helft van de overige vakanties;

- de helft van de feestdagen;

II. dat primair de vrouw aan de man als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van [de minderjarige] zal betalen een bedrag van € 168,- per maand, telkens bij vooruitbetaling te voldoen en vermeerderd met iedere uitkering die hem op grond van geldende wetten of andere regelingen voor [de minderjarige] zal of kan worden verleend;

III. subsidiair, voor het geval [de minderjarige] haar hoofdverblijf bij de vrouw zal hebben, te bepalen dat de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding voor [de minderjarige] zal worden vastgesteld op nihil, dan wel op een bedrag als het hof in goede justitie juist acht;

IV. de verdeling van de tussen partijen bestaande huwelijksgemeenschap vast te stellen zoals door de door man in zijn beroepschrift is omschreven onder de punten 25 en 26;

V. de vrouw te veroordelen in de kosten van de procedure.

3 . De vrouw bestrijdt zijn beroep.

4. In grief 1 stelt de man dat de rechtbank ten onrechte de echtscheiding heeft uitgesproken.

De man meent dat bemiddelingspogingen wellicht tot het resultaat kunnen leiden dat partijen bij elkaar blijven.

De vrouw stelt dat er sprake is van een duurzame ontwrichting van het huwelijk en dat de man dat als zodanig ook niet betwist.

5. Ter zitting is gebleken dat grief 1 is opgeworpen, uitsluitend met het doel de in de voorlopige voorzieningenprocedure vastgestelde omgangsregeling zo lang mogelijk door te laten lopen. Nu het de man kennelijk slechts hierom te doen is en hij overigens de door de vrouw gestelde duurzame ontwrichting van het huwelijk niet heeft betwist, zal het hof de bestreden beschikking voor zover het de echtscheiding betreft bekrachtigen.

6. De man stelt in grief 2 dat de rechtbank ten onrechte heeft vastgesteld dat het door de vrouw verzochte als niet (tijdig) weersproken kan worden toegewezen. De man stelt dat hij de rechtbank heeft verzocht om uitstel, omdat zijn advocaat de verweertermijn had laten verstrijken en zijn nieuwe advocaat alsnog een verweerschrift zou kunnen indienen.

7. Voor zover de man beoogt te stellen dat sprake is van een schending van de beginselen van de goede procesorde, nu zijn verzoek om uitstel voor het indienen van een verweerschrift niet is gehonoreerd, zal het hof deze stelling passeren, nu eventuele fouten of omissies in eerste aanleg begaan, in hoger beroep kunnen worden hersteld. Grief 2 faalt derhalve.

8. De man stelt in grief 3 dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat [de minderjarige] haar hoofdverblijf bij de vrouw zal hebben. De man voert hiertoe aan dat het in het belang van [de minderjarige] is dat zij haar hoofdverblijf bij hem zal hebben, omdat hij grotendeels zorg heeft gedragen voor de verzorging en opvoeding. In het geval het hof beslist dat het hoofdverblijf van [de minderjarige] bij de vrouw zal zijn, wenst de man een omgangsregeling inhoudende dat [de minderjarige] bij de man zal zijn:

- éénmaal per twee weken een weekend van vrijdag 18.00 uur tot maandag 18.00 uur;

- iedere maandag- en dinsdagmiddag uit school tot 18.00 uur;

- drie aaneengesloten weken in de zomervakantie;

- de helft van de overige vakanties;

- de helft van de feestdagen.

In een aanvullend verzoekschrift heeft de man primair wederom verzocht te bepalen dat [de minderjarige] haar hoofdverblijf bij hem zal hebben en subsidiair te bepalen dat [de minderjarige] bij de man zal zijn:

- éénmaal per twee weken een weekend van vrijdag 18.00 uur tot dinsdag 18.00 uur;

- drie aaneengesloten weken in de zomervakantie;

- de helft van de overige vakanties;

- de helft van de feestdagen.

9. De vrouw betwist dat de man grotendeels heeft zorg gedragen voor de opvoeding en verzorging van [de minderjarige]. Zij voert daartoe aan dat de man [de minderjarige] slechts een hele korte periode tijdens het huwelijk, toen de vrouw vijf dagen per week werkte, heeft opgevangen. Voorts stelt de vrouw dat zij het van belang vindt dat [de minderjarige] bij haar woont omdat een kind uit een eerdere relatie ook bij haar woont en zij het niet wenselijk acht dat de twee kinderen uit elkaar worden gehaald.

In het geval het hof beslist dat [de minderjarige] haar hoofdverblijf bij de man zal hebben, verzoekt de vrouw een omgangsregeling vast te stellen, in die zin dat zij [de minderjarige] eenmaal per twee weken een weekend bij zich heeft van vrijdag 18.00 uur tot zondag 18.00 uur, alsmede drie aaneengesloten weken in de zomervakantie, de helft van de overige vakanties en om de beurt met de man de feestdagen.

10. Ten aanzien van het hoofdverblijf van [de minderjarige] oordeelt het hof dat de stellingen van de man op dit punt, te weten dat hij grotendeels zorg heeft gedragen voor [de minderjarige] en dat hij, anders dan de vrouw, bereid is tot een uitgebreidere omgangsregeling, onvoldoende zijn om aan te kunnen nemen dat het in het belang van [de minderjarige] is dat haar hoofdverblijf wordt gewijzigd. Het is het hof voorts niet gebleken dat [de minderjarige] niet goed wordt verzorgd door de vrouw, dan wel dat de man beter dan de vrouw in staat moet worden geacht de verzorging en opvoeding van [de minderjarige] op zich te nemen. Het hof ziet derhalve in de stellingen van de man geen aanleiding om in het belang van [de minderjarige] haar hoofdverblijf te wijzigen.

11. Nu het primaire verzoek van de man niet slaagt, dient het subsidiaire verzoek van de man, te weten het vaststellen van een omgangsregeling tussen de man en [de minderjarige] te worden beoordeeld. Ten aanzien van het door de man in hoger beroep nader ingediende verzoek, oordeelt het hof – mede gelet op de motivering van dat verzoek – dat geen sprake is van een aanvullend verzoek, maar van een wijziging van het oorspronkelijke verzoek in appel. Ter zitting is door de procureur van de vrouw aangegeven dat zij het (ook) als een wijziging heeft gelezen en opgevat. Het hof zal derhalve ten aanzien van de omgangsregeling tussen de man en [de minderjarige] uitsluitend het verzoek zoals dat in het petitum in het aanvullende verzoekschrift van de man is verwoord, aan een beoordeling onderwerpen.

12. Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat beide partijen ten tijde van het huwelijk beschikbaar waren voor de opvang van [de minderjarige]. Zij was afhankelijk van zowel de man als de vrouw. Het hof is van oordeel dat de minimale omgangsregeling die de vrouw bepleit niet in overeenstemming is met de (opvoedende) rol die beide ouders ten tijde van het huwelijk voor [de minderjarige] hebben vervuld. De omgangsregeling zoals de man heeft verzocht is daarentegen naar het oordeel van het hof daarmee wel in overeenstemming. Met inachtneming van hetgeen hiervoor in rechtsoverweging 11 is overwogen slaagt grief 3 voor zover het de omgangsregeling tussen de man en de kinderen betreft.

13. De strekking van grief 4 is dat de man, in tegenstelling tot wat de rechtbank heeft overwogen en beslist, geen draagkracht heeft om kinderalimentatie te betalen.

De vrouw betwist de juistheid van de door de man in het geding gebrachte draagkrachtberekeningen. Zij voert daartoe aan dat de man zonder noodzaak minder is gaan werken, en dat zij de gegevens en bewijsstukken betreffende de onderneming die de man exploiteert mist.

14. Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van het hoofdverblijf van [de minderjarige], kan een beoordeling van het verzoek van de man om een kinderalimentatie ten laste van de vrouw in het geval [de minderjarige] het hoofdverblijf bij de man zou hebben, achterwege blijven. Hierna volgt derhalve een beoordeling van de draagkracht van de man, teneinde vast te kunnen stellen of hij in staat is een bijdrage ten behoeve van [de minderjarige] aan de vrouw te betalen.

15. De vrouw heeft ter zitting de navolgende lasten van de man erkend:

- premie zorgverzekering € 80,- per maand;

- huur € 592,- per maand, met een huursubsidie van € 72,89 per maand;

- aflossing schuld aan de Postbank € 220,- per maand.

16. Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat de man tot januari 2003 een fulltime baan heeft gehad en dat hij daarna een eigen onderneming, genaamd [naam onderneming], is gestart. In juli 2005 zijn de bedrijfsactiviteiten in die onderneming gestaakt. Met ingang van 1 juni 2005 heeft de man wederom een fulltime functie vervuld, en wel bij [zijn huidige werkgever]. Met ingang van 1 januari 2006 is de man, volgens zijn eigen zeggen in het kader van de omgangsregeling, parttime gaan werken. Met ingang van 1 oktober 2006 werkt de man weer fulltime, thans bij een onderaannemer van [zijn huidige werkgever].

17. De man heeft weliswaar aangeven in welke periode hij parttime, dan wel fulltime werkte, maar hij heeft naar het oordeel van het hof nagelaten genoegzaam inzage te geven in zijn verschillende dienstverbanden. Zo heeft de man geen salarisspecificaties in het geding gebracht waaruit zou blijken welk inkomen hij bij welke werkgever heeft verdiend. Hij heeft zelfs nagelaten - in de stukken, dan wel ter zitting - te stellen bij welke werkgevers hij heeft gewerkt en welk inkomen hij verdiende. Voorts heeft de man geen enkele inzage verschaft in de financiën van de door hem gedreven onderneming. De man heeft immers geen jaarstukken in het geding gebracht. Ook van zijn huidige inkomen heeft de man nagelaten verificatoire bescheiden in het geding te brengen. Gelet op het vorenstaande kan het hof derhalve het inkomen van de man niet toetsen.

18. Nu het hof het inkomen van de man niet kan verifiëren, gaat het hof er van uit dat de man – ongeacht de hoogte van zijn maandelijkse lasten – in staat moet worden geacht voldoende draagkracht te hebben voor het betalen van een kinderalimentatie van € 250,- per maand. Derhalve treft grief 4 geen doel.

19. De man stelt in grief 5 dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap vastgesteld dient te worden overeenkomstig het daaromtrent gestelde onder punt 9 in het inleidende verzoekschrift.

De vrouw stelt dat zij vooralsnog niet in staat is om op de door de man in appel voorgestelde verdeling van de huwelijksgemeenschap te reageren, daar de man geen bewijsstukken in het geding heeft gebracht van de waarde van de verschillende door hem genoemde vermogensbestanddelen.

20. Het hof wijst de door de man verzochte verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap af. Naar het oordeel van het hof had de man een boedelbeschrijving in het geding moeten brengen, waaruit afgeleid had kunnen worden uit welke bestanddelen de boedel bestaat. Zo beschikt het hof wat de activa betreft niet over jaarstukken, dan wel andere financiële gegevens waaruit de waarde van de onderneming blijkt. Evenmin beschikt het hof over waardes van de overige activa op de peildatum, zoals taxatierapporten betreffende de auto’s, een opgave van het door de vrouw opgebouwde spaarloon en een opgave van de door de man opgebouwde lijfrente. Wat de passiva betreft, ontbreken bankafschriften waaruit de saldi van de bankrekeningen blijken, alsmede de belastingaanslagen. Ook ter zitting is onduidelijkheid gebleven over de verdeling, zodat het hof geen basis ziet voor het toewijzen van de door de man voorgestelde verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap. Ook grief 5 treft derhalve geen doel.

21. Het hof ziet geen aanleiding om de vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure, zoals door de man is verzocht.

22. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover het de omgangsregeling tussen de man en [de minderjarige] betreft en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt een omgangsregeling, inhoudende dat [de minderjarige] bij de man is;

- éénmaal per twee weken een weekend van vrijdag 18.00 uur tot dinsdag 18.00 uur;

- drie aaneengesloten weken in de zomervakantie;

- de helft van de overige vakanties;

- de helft van de feestdagen.

bekrachtigt de bestreden beschikking, voor zover aan het oordeel van het hof is onderworpen, voor het overige;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Van Leuven, Reinking en Labohm, bijgestaan door mr. Vermaas als griffier, en uitgesproken ter openbare terecht-zitting van 6 december 2006.