Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AZ4634

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
06-12-2006
Datum publicatie
22-12-2006
Zaaknummer
290-H-06
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Processueel punt in hoger beroep: Moeder verzocht in eerste aanleg verhoging van de kinderbijdrage. De vader vraagt voor het eerst in hoger beroep nihilstelling. In dat verzoek wordt hij (in hoger beroep) niet ontvankelijk verklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 6 december 2006

Rekestnummer : 290-H-06

Rekestnr. rechtbank : FA RK 05-2818

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. A. Ramsoedh,

tegen

[geïntimeerde],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 3 maart 2006 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank

‘s-Gravenhage van 6 december 2005.

De moeder heeft geen verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 4 april 2006 en 30 mei 2006 aanvullende stukken ingekomen.

Op 20 oktober 2006 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn procureur, en de moeder, bijgestaan door mr. J.W. Stok. Partijen hebben het woord gevoerd, de procureur van de vader onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotitie.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking van de rechtbank ’s-Gravenhage.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

Hieronder zal het hof zonodig op hele bedragen afronden.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de kinderalimentatie voor de nog minderjarige kinderen: [de minderjarige sub 1], geboren [in] 1996, en [de minderjarige sub 2], geboren [in] 1999, verder: de kinderen.

2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het inleidend verzoek van de moeder alsnog af te wijzen, en de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen op nihil te stellen, dan wel op een door het hof te bepalen bedrag, met veroordeling van de moeder in de kosten van beide instanties.

3. De moeder heeft zijn beroep ter zitting bestreden.

4. Ten aanzien van het verzoek van de vader om de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen op nihil te stellen, dan wel op een door het hof te bepalen bedrag, overweegt het hof als volgt. De moeder heeft in eerste aanleg verzocht de kinderalimentatie te verhogen. De vader heeft zich hiertegen verweerd en de rechtbank uitsluitend verzocht het verzoek van de moeder af te wijzen en haar te veroordelen in de kosten van de procedure.

Het verzoek van de vader in hoger beroep om de kinderalimentatie op nihil te stellen is een zelfstandig verzoek. Een zodanig zelfstandig verzoek kan krachtens artikel 362 Rv niet voor het eerst in hoger beroep worden gedaan. Dit zou de processuele belangen van de moeder schaden en haar een feitelijke instantie ontnemen. De vader is dan ook niet-ontvankelijk voor zover het zijn verzoek tot nihilstelling dan wel verlaging van de bij beschikking van 15 juli 2002 bepaalde kinderalimentatie betreft. Ter beoordeling van het hof ligt derhalve uitsluitend de verhoging van de kinderalimentatie voor.

Wijziging van omstandigheden

5. De vader is van mening dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de moeder haar inkomensvermindering afdoende heeft aangetoond en aannemelijk heeft gemaakt dat deze is veroorzaakt door het wegvallen van de omgangsregeling tussen de vader en de kinderen. Het is de keuze van de moeder geweest om minder te gaan werken en deze hing hoogst waarschijnlijk samen met haar zwangerschap. De vader wenst te benadrukken dat hij heeft moeten afzien van de omgangsregeling wegens de spanningen die deze teweegbracht doordat de kinderen te kennen gaven liever niet bij de vader te komen.

6. Het hof acht het evenals de rechtbank aannemelijk dat de moeder, als gevolg van het door de vader stopzetten van de omgangsregeling tussen hem en de kinderen, niet langer in de gelegenheid was om op die dagen te werken. Het hof is van oordeel dat de daaruit voortvloeiende inkomensachteruitgang van de moeder een rechtens relevante wijziging van omstandigheden oplevert. Op grond daarvan dient het hof de draagkracht opnieuw vast te stellen. De behoefte van de kinderen is ook in hoger beroep niet in geschil. Het hof gaat er derhalve van uit dat de kinderen tenminste behoefte hebben aan een bedrag zoals door de rechtbank vastgesteld.

Draagkracht van de vader

7. Bij het bepalen van de draagkracht van de vader zal het hof rekening houden met een inkomen van € 30.190,- per jaar, hetgeen blijkt uit de door hem overgelegde jaaropgave 2005. Het hof brengt hierop in mindering de tegemoetkoming in de ziektekosten over dat jaar en houdt rekening met de premie en vergoeding ziektekostenverzekering zoals deze in 2006 bedragen volgens de door de vader overgelegde stukken, te weten respectievelijk een transactieoverzicht van premiebetalingen en een salarisspecificatie van januari 2006.

8. Gelet op het feit dat de nieuwe partner van de vader, met wie hij op 22 oktober 2003 in het huwelijk is getreden, in het eigen levensonderhoud voorziet, houdt het hof rekening met de bijstandsnorm voor een alleenstaande, een draagkrachtpercentage van 60 en gedeelde woonlasten.

9. Het hof houdt rekening met de rente over de eerste hypothecaire geldlening van € 441,- per maand en met de rente voor de tweede hypothecaire geldlening voor zover die niet ten koste gaat van de kinderalimentatie zoals deze is vastgelegd bij beschikking van 15 juli 2002, inclusief indexering. De vader had immers bij het aangaan van deze tweede hypothecaire geldlening rekening moeten houden met zijn reeds bestaande onderhoudsverplichtingen jegens de kinderen.

10. Het hof houdt voorts rekening met € 300,- per maand aan aflossing van een schuld en € 6,- per maand premie begrafenisverzekering, welke kosten ook in hoger beroep niet dan wel onvoldoende zijn bestreden door de moeder.

11. Het hof is van oordeel dat de rechtbank op juiste gronden geen rekening heeft gehouden met de door de vader opgevoerde spaarverzekering bij Interpolis van € 122,- per maand; het hof neemt deze beslissing van de rechtbank over. Het feit dat de verzekering voorwaarde is om geen aflossing te hoeven betalen, doet hier niet aan af.

12. Uitgaande van de hiervoor weergegeven inkomsten en lasten en de niet bestreden lasten, is het hof van oordeel dat de vader geen draagkracht heeft tot het betalen van een hogere kinderalimentatie dan bij beschikking van 15 juli 2002 is vastgesteld, zodat de bestreden uitspraak dient te worden vernietigd.

13. Het hof ziet geen reden, zoals door de vader is verzocht, de moeder te veroordelen in de kosten van de procedure en zal dat verzoek derhalve afwijzen.

14. Voor zover de moeder meer alimentatie heeft ontvangen dan haar op grond van deze beschikking toekomt, zal het hof, gelet op het consumptief karakter ervan, bepalen dat zij het eventueel teveel ontvangene niet behoeft terug te betalen.

15. Mitsdien dient als volgt te worden beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn verzoek de kinderalimentatie op nihil te stellen;

vernietigt de bestreden beschikking en, opnieuw beschikkende:

wijst het inleidende verzoek van de moeder alsnog af;

bepaalt dat de moeder de eventueel teveel betaalde kinderalimentatie niet hoeft terug te betalen;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. van Nievelt, Pannekoek-Dubois en Kamminga, bijgestaan door mr. Quarles van Ufford-van Waning als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 december 2006.