Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AZ4437

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-12-2006
Datum publicatie
14-12-2006
Zaaknummer
483-HR-06
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geschil inzake de bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van minderjarigen; ernstig verstoorde vehouding tussen de ouders. Hof besluit tot forensische mediation: opdracht tot deskundigenonderzoek met toepassing van mediation; deskundigenonderzoek vindt plaats onder leiding van raadsheer-commissaris. Aandacht voor aansprakelijkheid van en klachten over deskundige. Hof bepaalt voorts regiezitting voor partijen en deskundige. Tijdens de regiezitting zal de opdracht aan de deskundige nader worden uitgewerkt. Tenslotte wijst het hof de contactpersonen aan met wie de advocaten zich omtrent het verloop van het onderzoek kunnen verstaan. De deskundige kan zich betreffende de opdracht rechtstreeks wenden tot de benoemde raadsheer commissaris.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
EB 2007, 16
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 13 december 2006

Rekestnummer. : 483-HR-06

Rekestnr. rechtbank : 94112/03

Rekestnr. hof Amsterdam : 551/04

Rekestnr. Hoge Raad : R05/012 HR

[appellant],

wonende te Alkmaar,

verzoeker na verwijzing door de Hoge Raad,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. W.K. van Duren,

tegen

[verweerster],

wonende te Santpoort-Noord, gemeente Velsen,

verweerster na verwijzing door de Hoge Raad,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. F. van Gelein Vitringa.

PROCESVERLOOP

De Hoge Raad heeft op 9 december 2005 uitspraak gedaan in de zaak tussen partijen en heeft in het door de vader ingestelde beroep in cassatie de beschikking van het gerechtshof te Amsterdam van 21 oktober 2004 vernietigd en het geding terugverwezen naar dit hof ter verdere behandeling en beslissing. Het incidentele beroep van de moeder is verworpen.

De moeder heeft op 12 april 2006 de zaak bij dit hof aangebracht ter verdere behandeling en beslissing, alsmede een aanvullend verzoek ingediend.

De vader heeft op 6 juni 2006 tegen dit verzoek verweer gevoerd.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 6 juni 2006 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 8 juni en 23 oktober 2006 aanvullende stukken ingekomen.

Op 24 november 2006 is de zaak door mr. Labohm als raadsheer-commissaris mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, mr. J.R. Laoût, en de moeder, bijgestaan door haar advocaat, mr. M.E. vande Voort.

Partijen hebben het woord gevoerd, de raadslieden van partijen onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities.

VASTSTAANDE FEITEN EN HET PROCESVERLOOP

Voor het procesverloop in eerste aanleg verwijst het hof naar de uitspraak van de Hoge Raad van 9 december 2005 en de beschikking van de rechtbank Haarlem van 24 februari 2004.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank Haarlem vastgestelde feiten, tenzij hierna anders vermeld.

Na verwijzing is vast komen te staan dat de vader vanaf 2006 weer volledig woont en werkt in Nederland.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP NA VERWIJZING DOOR DE HOGE RAAD

Algemeen

1. In geschil is de door de vader aan de moeder te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen [kinderen, geboren in 1997 en 2000], gezamenlijk te noemen: de minderjarigen.

Rechtbank Haarlem

2. De rechtbank te Haarlem heeft bij beschikking van 24 februari 2004 – onder meer – bepaald dat:

- de vader met ingang van de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand aan de moeder kinderalimentatie dient te voldoen van

€ 200,- per kind per maand;

- tevens is bepaald dat de vader aan de moeder een partneralimentatie moet voldoen van

€ 200,- per maand.

Hof Amsterdam

3. De vader heeft van deze beschikking hoger beroep ingesteld. Het gerechtshof Amsterdam (hierna te noemen: het hof Amsterdam) heeft bij beschikking van 21 oktober 2004 de beschikking van de rechtbank vernietigd voor wat betreft de partneralimentatie en voor het overige – waaronder de kinderalimentatie – de beschikking bekrachtigd.

Cassatie

4. De vader heeft beroep in cassatie ingesteld van de beschikking van het hof Amsterdam. De moeder heeft incidenteel cassatieberoep ingesteld.

5. In cassatie ging het om de vraag of het hof Amsterdam er terecht van uit is gegaan dat de vader recht had op kost en inwoning en of de autokosten van de vader terecht door het hof Amsterdam buiten beschouwing zijn gelaten bij de bepaling van de draagkracht van de vader ter vaststelling van de kinderalimentatie. De Hoge Raad heeft bij arrest van 9 december 2005 overwogen dat de eerste klacht van de vader niet tot cassatie kan leiden en ten aanzien van de tweede klacht overwogen dat het oordeel van het hof dat de vader circa € 250,- aan kosten heeft voor zijn auto in verband met zijn werkzaamheden, zonder nadere motivering (die ontbreekt) onbegrijpelijk is. De Hoge Raad heeft daarop de beschikking van het hof Amsterdam van 21 oktober 2004 vernietigd en het geding naar dit hof verwezen ter verdere behandeling en beslissing. Het incidentele cassatieberoep is verworpen.

Verwijzing

6. De moeder heeft op 12 april 2006 dit hof verzocht de zaak te behandelen conform het verzoek van de Hoge Raad van 9 december 2005 en te bepalen dat de vader met ingang van 1 januari 2006 een kinderalimentatie gaat voldoen van € 400,- per kind per maand, althans een zodanig bedrag te bepalen, met ingang van zodanige datum, als dit hof in goede justitie meent te behoren. De vader bestrijdt haar verzoek.

Zienswijze vader

7. De vader verzoekt over de periode van 31 januari 2005 tot 14 april 2006 de kinderalimentatie te bepalen op nihil en over de periode vanaf 14 april 2006 op € 170,- per maand voorzover de moeder niet kan bijdragen.

8. De vader was directeur groot aandeelhouder van een besloten vennootschap. De vader was bij deze vennootschap in dienst. De vennootschap is in 2003 in staat van faillissement verklaard. Als gevolg van dit faillissement is de vader zijn inkomstenbron kwijtgeraakt en is naar Frankrijk vertrokken zonder zijn gezin. De vader stelde dat dit mede noodzakelijk was om van zijn gokverslaving af te komen. De vader stelt dat hij vanaf zijn vertrek naar Frankrijk als medewerker is gaan werken op een camping. Op deze camping had hij gratis onderdak. Tijdens het hoogseizoen op de camping, zijnde de maanden juli en augustus, heeft de vader niet alleen gratis onderdak gehad maar eveneens de dagelijkse maaltijden. In de visie van de vader kon hij als gevolg van zijn persoonlijke omstandigheden in Nederland geen passende werkkring vinden en was zijn inkomen op dat moment niet herstelbaar.

9. De vader is in 2005 13 keer naar Nederland gereisd in verband met de omgangsregeling. De vader moest de kosten hiervoor zelf betalen. Er moet rekening worden gehouden met € 190,- brandstofkosten en € 60,- tolwegkosten per keer.

10. De vader meent op grond van vorenstaande feiten en omstandigheden dat hij geen kinderalimentatie kan voldoen vanaf de datum inschrijving van de echtscheiding in het register van de burgerlijke stand. De inschrijving heeft plaatsgevonden op 31 januari 2005 volgens de vader.

11. Vanaf januari 2006 woont en werkt de vader weer in Nederland. In de periode van 1 januari 2006 tot 1 april 2006 heeft de vader een inkomen genoten van € 2520,- bruto exclusief vakantiegeld en vanaf 1 april 2006 bedraagt zijn inkomen € 2810,- bruto exclusief vakantiegeld.

12. De lasten van de vader bedragen vanaf 1 januari 2006:

- huur € 700,-;

- ziektekosten € 280,-

- omgangskosten 1 januari 2006 tot 1 september 2006 € 43,-

- omgangskosten 1 september 2006 tot 31 december 2006 € 57,-

- omgangskosten 1 januari 2007 € 71,-

Vanaf 1 september 2006 woont de vader samen, en kan hij zijn gewijzigde huurlast van

€ 600,- met zijn huidige partner delen.

13. Voor de berekening van de draagkracht van de vader dienen de volgende periodes te worden onderscheiden:

- periode 1 van 31 januari 2005 tot 1 januari 2006;

- periode 2 van 1 januari 2006 tot 1 april 2006;

- periode 3 van 1 april 2006 tot 1 september 2006;

- periode 4 na 1 september 2006.

14. De vader stelt dat hij vanaf 1 september 2006 € 240,- per maand per kind aan kinder- alimentatie kan betalen.

Zienswijze moeder

15. Ter zitting heeft de moeder verklaard dat het voor haar een zeer traumatische ervaring is geweest dat de vader onverwachts naar Frankrijk is vertrokken. Zij werd met de schuldeisers van de vader geconfronteerd en moest de echtelijke woning met de kinderen verlaten.

16. Volgens de moeder heeft de vader tot nu toe niets voor zijn kinderen betaald. Hij had van zijn salaris in Frankrijk een onderhoudsbijdrage kunnen voldoen, zeker nu hij volledig kost en inwoning had. Met de autokosten van de vader moet geen rekening worden gehouden en ook de kosten van een omgangsregeling moeten buiten beschouwing worden gelaten. De vader had voor zijn werk geen auto nodig en heeft de kinderen niet maandelijks gezien.

Voor wat betreft de huidige situatie stelt de moeder dat de vader geen herinrichtingskosten heeft nu hij bij zijn vriendin is ingetrokken.

17. Voor de behoefte van de kinderen wenst de moeder uit te gaan van een gezinsinkomen van € 3.000,- per maand netto. De kinderbijdrage bedraagt dan € 330,- per maand per kind.

18. De moeder leeft van een bijstandsuitkering.

Deskundige

19. Tijdens de mondelinge behandeling is gebleken dat partijen niet alleen een geschil hebben inzake de omvang van de kinderalimentatie maar dat er tussen hen beide een conflict bestaat dat mogelijk verband houdt met een niet gedane scheidingsmelding. Partijen alsmede hun advocaten achten het van belang dat een advocaat mediator een onderzoek zal verrichten naar:

- de behoefte van de kinderen;

- de draagkracht van de vader;

- de relationele problematiek die partijen verdeeld houdt en het onderhavige geschil beïnvloedt;

20. Partijen en hun advocaten zijn van mening dat de relatie tussen partijen zodanig is verstoord dat het noodzakelijk is dat het onderzoek van de deskundige zal plaatsvinden onder leiding van een raadsheer-commissaris. Het hof deelt de visie van de raadslieden in deze en zal gelasten dat het onderzoek zal plaatsvinden onder leiding van een raadsheer-commissaris.

Opdracht deskundige

21. De deskundige zal op grond van artikel 198 lid 2 Rv zijn opdracht uitvoeren onder leiding van een raadsheer-commissaris. De opdracht aan de deskundige wordt verstrekt door het hof. Naar het oordeel van het hof ontstaat er geen contractuele relatie tussen de vader en de moeder enerzijds en de deskundige anderzijds.

De te benoemen deskundige, die zich bereid heeft verklaard om in de onderhavige zaak als zodanig op te treden, komt voor op de lijst van forensische mediators, hetgeen inhoudt dat bij de deskundige ook kennis en vaardigheid aanwezig is op het gebied van de emotionele verwerking van de scheiding. Indien en voorzover de deskundige vaststelt dat emotionele blokkades aanwezig zijn bij (één van) partijen, en deze een belemmering vormen voor het bereiken van goede oplossingen, staat het de deskundige vrij om aan deze emotionele blokkades van partijen aandacht te besteden.

Aansprakelijkheid deskundige

22. De deskundige heeft de vrijheid de opdracht alleen te aanvaarden indien algemene leveringsvoorwaarden op de opdracht van toepassing zijn.

23. De deskundige dient, indien dit door hem van belang wordt geacht, binnen twee weken na deze beschikking de leveringsvoorwaarden te doen toekomen aan het hof, aan de vader en aan de moeder.

24. Partijen dienen tijdens de regiezitting zich uit te laten over de vraag of zij zich gebonden achten aan de leveringsvoorwaarden.

Klachten over de deskundige

25. De deskundige, een advocaat die tevens forensisch - mediator is, dient de werkzaamheden te verrichten conform de voor hem geldende gedrag- en beroepsregels.

26. Indien een partij een klacht tegen de deskundige wenst in te dienen, dient deze het hof daarvan in kennis te stellen, zodat het hof in staat is – na partijen en de deskundige te hebben gehoord – te beoordelen of het onderzoek naar behoren verloopt.

Uitvoering opdracht deskundige

27. De opdracht dient door de deskundige zelf te worden uitgevoerd. Het staat de deskundige vrij om bij de uitvoering van zijn werkzaamheden zich te laten bijstaan door derden, indien de deskundige dit in de uitvoering van zijn werkzaamheden noodzakelijk acht. Alvorens hij derden bij zijn werkzaamheden inzet zal hij de raadsheer-commissaris inlichten.

Kosten deskundige

28. Het uurtarief van de deskundige bedraagt € 250,- exclusief BTW. De deskundige dient zijn declaratie op te stellen aan de hand van de door hem gehanteerde uren en verrichtingenstaat. De deskundige kan maandelijks zijn kosten declareren bij het hof. Het hof zal, alvorens over te gaan tot uitbetaling van de declaratie aan de deskundige, aan partijen om een reactie vragen. Partijen dienen binnen tien dagen te laten weten of zij instemmen met de declaratie. Na die periode stelt het hof de declaratie vast en zal overgaan tot uitbetaling.

29. Ter dekking van de kosten van de deskundige stelt het hof een voorschot vast van € 7.140,- inclusief BTW. Het hof acht het redelijk dat deze kosten bij helfte voor rekening van ieder der partijen zullen komen. Nu beide partijen op basis van een toevoeging procederen, zal het voorschot door de griffier worden betaald en voorlopig in debet worden gesteld. Het hof gaat ervan uit dat de kosten van het onderzoek en deskundigenbericht het voorschotbedrag niet te boven zullen gaan.

Deskundigenbericht

30. Het deskundigenbericht dient binnen vier maanden na de regiezitting met redenen omkleed toegestuurd te worden aan de griffier van het hof.

Communicatie

31. Indien de advocaten vragen hebben over de procedure kunnen zij zich wenden tot mevrouw J.H. Muller-Rietveld en bij haar afwezigheid tot mevrouw mr. M.A.J. Vergeer-van Zeggeren.

32. De deskundige kan zich betreffende zijn opdracht rechtstreeks wenden tot de raadsheer-commissaris. Zodra de deskundige inhoudelijke zaken aan de orde stelt zal de raadsheer-commissaris partijen horen.

Regiezitting

33. Voor de nadere uitwerking van de opdracht aan de deskundige vindt op donderdag 8 februari 2007 een regiezitting plaats. Het hof gelast dat partijen, hun advocaten en de deskundige bij deze zitting, die om 10.00 uur zal beginnen, aanwezig zijn. Op deze zitting worden de definitieve vragen voor het deskundigenonderzoek geformuleerd.

Identificatiebewijs

34. Ten behoeve van het dossier van de deskundige dienen partijen ter zitting aan de deskundige een kopie van hun paspoort of ander rechtsgeldig identificatiebewijs te verstrekken.

Raadsheer-commissaris

35. Het hof zal tot raadsheer-commissaris benoemen mr. Van Leuven. Bij diens ontstentenis worden zijn werkzaamheden waargenomen door mr. Reinking.

36. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING

benoemt mevrouw mr. S.M. Gaasbeek-Wielinga, advocaat, kantoorhoudende te Haarlem (Nieuwe Gracht 5a, 2011 NB), tot deskundige;

bepaalt dat de deskundige niet met de werkzaamheden behoeft aan te vangen, voordat de griffier het voorschot van € 7.140,- inclusief BTW van het deskundigenonderzoek heeft gestort;

bepaalt dat het voorschot voor de deskundige voorlopig in debet zal worden gesteld;

draagt de griffier op een kopie van deze beschikking met een begeleidend schrijven aan de

deskundige toe te zenden;

benoemt tot raadsheer-commissaris mr. Van Leuven en bij diens afwezigheid mr. Reinking;

bepaalt een regiezitting op donderdag 8 februari 2007 om 10.00 uur en gelast partijen, hun advocaten en de deskundige aanwezig te zijn;

bepaalt dat de deskundige zijn deskundigenbericht met redenen omkleed binnen vier maanden na de regiezitting toezendt aan de griffier van dit hof, onder vermelding van rekestnummer

483-HR-06;

bepaalt dat uit het deskundigenbericht moet blijken dat partijen bij het onderzoek in de gelegenheid zijn gesteld opmerkingen te maken en verzoeken te doen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Reinking en Van Leuven, bijgestaan door mr. Vergeer-van Zeggeren als griffier en uitgesproken op 13 december 2006.