Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AZ4433

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-12-2006
Datum publicatie
14-12-2006
Zaaknummer
887-M-06
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gecompliceerde financiële zaak: in aanvang in hoger beroep betreffende alimentatie. Middels prorogatie leggen partijen ook hun verdelingsgeschil aan het hof voor. Het hof besluit tot forensische mediation: opdracht tot deskundigenonderzoek met toepassing van mediation; deskundigenonderzoek vindt plaats onder leiding van raadsheer-commissaris. Aandacht voor aansprakelijkheid van en klachten over deskundige. Hof bepaalt voorts regiezitting voor partijen en deskundige. Tijdens de regiezitting zal de opdracht aan de deskundige nader worden uitgewerkt. Tenslotte wijst het hof de contactpersonen aan met wie de advocaten zich omtrent het verloop van het onderzoek kunnen verstaan. De deskundige kan zich betreffende de opdracht rechtstreeks wenden tot de benoemde raadsheer commissaris.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 13 december 2006

Rekestnummer : 887-M-06

Rekestnr. rechtbank : 53-05

[appellante],

wonende te Scharendijke, gemeente Schouwen-Duiveland,

verzoekster, tevens voorwaardelijk incidenteel verweerster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. H.H.M. de Vries-Veringa,

tegen

[verweerder]

wonende te [B.], gemeente Schouwen-Duiveland,

verweerder, tevens voorwaardelijk incidenteel verzoeker, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. H.J.A. Knijff.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 3 juli 2006 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te Middelburg van 5 april 2006.

De vader heeft op 11 september 2006 een verweerschrift, tevens houdende voorwaardelijk incidenteel appel, ingediend.

De moeder heeft op 29 september 2006 een verweerschrift op het voorwaardelijk incidenteel appel ingediend.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 4 september 2006 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 5 oktober 2006 aanvullende stukken ingekomen.

Op 13 oktober 2006 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat mr. M. de Winter, en de vader, bijgestaan door zijn advocaat mr. B. van Leeuwen. Partijen en hun raadslieden hebben het woord gevoerd.

Nadien zijn, volgens afspraak ter zitting, de volgende stukken bij het hof ingekomen:

- van de zijde van de moeder: een fax op 26 oktober 2006 en een fax op 17 november 2006;

- van de zijde van de vader: een fax op 21 november 2006.

HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG EN VASTSTAANDE FEITEN

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking, waarbij onder meer een voorlopige kinderalimentatie is bepaald van € 257,- per maand per kind.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daartegen in hoger beroep geen grief is gericht.

De echtscheidingsbeschikking is op 26 juli 2006 ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand.

BEVOEGDHEID

1. Partijen zijn ter terechtzitting van het hof overeengekomen dat de boedelverdeling bij wijze van prorogatie aan het hof wordt voorgelegd, teneinde alle financiële aspecten van de echtscheiding (de kinder- en partneralimentatie en de boedelverdeling) door het hof te laten behandelen en af te doen.

2. Het hof acht zich bevoegd van de boedelverdeling kennis te nemen, nu het een voor hoger beroep vatbaar geschil betreft dat ter vrije bepaling van partijen staat en waarvoor in eerste aanleg de rechtbank te Middelburg bevoegd zou zijn geweest.

ONTVANKELIJKHEID

3. Ter terechtzitting van het hof zijn partijen overeengekomen, dat zij hun geschillen wat betreft de partner- en kinderalimentatie tezamen met hun geschillen wat betreft de boedelverdeling aan het hof inhoudelijk ter behandeling en beslissing willen voorleggen. Zulks hebben zij nog eens bevestigd in de faxen die zij na de terechtzitting aan het hof hebben gestuurd.

4. De advocaat van de moeder heeft het hof gevraagd de bestreden beschikking aan te vullen in die zin, dat in het dictum is bepaald dat het verzoek om partneralimentatie is afgewezen. De advocaat van de vader heeft zich hierover, hoewel daarnaar gevraagd, niet expliciet uitgelaten.

5. Het hof overweegt het volgende. De wetgever heeft aan partijen de keuze gelaten om, indien de rechter heeft verzuimd te beslissen op een onderdeel van het gevorderde, hetzij artikel 32 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) toe te passen hetzij een aanvulling bij aanwending van een rechtsmiddel aan de orde te laten komen. De moeder heeft gekozen voor het laatste. De vader is in de gelegenheid gesteld zich over de aanvulling uit te laten.

6. Het hof is van oordeel dat sprake is van een omissie in de bestreden beschikking. De rechtbank heeft in onderdeel 3.4.4 overwogen het verzoek van de moeder om partneralimentatie te zullen afwijzen, maar heeft verzuimd deze beslissing in het dictum op te nemen. Nu een dergelijke omissie in hoger beroep aan de orde kan worden gesteld, acht het hof de moeder ontvankelijk in haar hoger beroep voor zover het de partneralimentatie betreft. Ook echter voor zover het de kinderalimentatie betreft kan de moeder naar het oordeel van het hof in haar hoger beroep worden ontvangen. De rechtbank heeft met haar beslissing ten aanzien van de kinderalimentatie voor een beperkte periode een voorlopige voorziening opgelegd.

Deze beslissing is voor die beperkte periode aan te merken als een eindbeschikking, waarvan in hoger beroep kan worden gekomen.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Algemeen

7. In geschil zijn de kinderalimentatie voor [de minderjarige [kinderen], geboren 1991 en 1994], de alimentatie ten behoeve van de moeder en de boedelverdeling.

Grieven

8. De grieven van de vrouw richten zich op:

- de behoefte;

- de behoeftigheid;

- de draagkracht van de man, onderverdeeld in de hoogte van zijn inkomen en de door hem te dragen lasten.

In het kader van dit hoger beroep wordt tevens behandeld de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap.

Financiën

9. Uit de gewisselde stukken en het verhandelde ter zitting volgt, dat de man directeur-grootaandeelhouder is van beheermaatschappij [A.] BV. Deze vennootschap houdt de aandelen in:

- autobedrijf [A.] BV;

- autobedrijf [B.] BV.

In het geding is gebracht het rapport betreffende de jaarrekening van Beheermaatschappij [A.] BV. Uit deze jaarrekening volgt voor wat betreft de jaren 2005 en 2004 het navolgende:

2005 2004

? Netto omzet € 2.150.181,- € 3.066.085,-

? Resultaat -/- € 115.635,- -/- € 89.734,-

? Eigen vermogen -/- € 209.020,- -/- € 93.385,-

? Lening van directie € 120.000,- € --------

? Lening van directie € 190.588,- € 190.588,-

10. Uit de brief van J.A.M. Poppelaars RA van 21 februari 2006 volgt het volgende:

- in de jaren 2003 tot en met 2005 is een verlies gerealiseerd van € 299.972,-;

- in 2003 zijn de privé-financieringen met € 333.325,- verhoogd en in de zaak gestort;

- in 2004 is de opbrengst van een privé-pand van € 299.972,- in de vennootschap gestort;

- in 2005 is door de [man] bij zijn vader een onderhandse lening opgenomen van

€ 120.000,-;

- de bankschuld, die per ultimo 2002 nog € 445.174,- bedroeg, is afgelost;

- per ultimo 2005 zijn alle onroerende zaken verkocht. De resterende opbrengst is hangende de scheiding en deling bij de notaris in depot geplaatst;

- de opnamen hebben de afgelopen jaren bedragen: in 2003 € 156.353,-, in 2004

€ 367.419,- en in 2005 € 165.800,-.

Alimentatie

11. Voor de vaststelling van de behoefte van de vrouw en de kinderen wenst het hof inzicht te verkrijgen in:

- de inkomsten van partijen gedurende de laatste drie jaar van hun huwelijk;

- het bestedingspatroon van partijen gedurende de laatste drie jaar van hun huwelijk;

- het vermogen waarover partijen beschikten in de laatste drie jaar van het huwelijk;

- een begroting van de vrouw van wat zij aan gelden nodig heeft om in haar levensonderhoud te kunnen voorzien.

12. Voor de vaststelling van de draagkracht van de man wenst het hof inzicht te verkrijgen in:

- het inkomen dat de man zich verwerft na de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking;

- de gelden die de man daadwerkelijk onttrekt aan de onderneming na de datum van inschrijving van de echtscheidingsbeschikking;

- de financiële lasten van de man.

Verdeling

13. Partijen hebben aan het hof voorgelegd de verdeling van de voormalige huwelijksgoederengemeenschap. In dat kader wenst het hof een boedelbeschrijving te verkrijgen van de man en de vrouw binnen vier weken na heden. In de beschrijving mogen alleen de boedelbestanddelen worden opgenomen en de schulden die op deze gemeenschap kunnen worden verhaald. Partijen dienen deze boedelbeschrijving ook aan de deskundige te doen toekomen.

Analyse van de onderneming

14. Een boedelbestanddeel zijn de aandelen in de hiervoor genoemde vennootschappen. In het kader van de prijsbepaling van de aandelen wenst het hof een analyse te verkrijgen van de onderneming. Deze analyse dient nadat de regiezitting heeft plaatsgehad te worden opgesteld door de deskundige. Deze analyse dient in ieder geval in drie hoofdonderdelen te worden ingedeeld:

- beschrijving van de onderneming, waaronder een SWOT-analyse;

- juridische informatie;

- financiële informatie.

15. De man dient binnen vier weken na heden aan het hof, de vrouw en de deskundige de navolgende gegevens te verstrekken:

- opnemingsbalans van de vennootschappen;

- de jaarrekeningen van de vennootschappen van de afgelopen vijf jaar;

- normalisatieposten in resultaat en vermogen in de voorgaande jaren;

- overzicht van de belangrijkste off balance posten;

- investeringsbegroting voor de komende drie jaren en de samenhang met de resultatenontwikkeling;

- de financieringsbehoefte van de onderneming;

- toelichting op de fiscale positie.

Uitgangspunten waardering ondernemingsvermogen

16. Tijdens de regiezitting dienen partijen, hun adviseurs en de deskundige de uitgangspunten te formuleren voor de waardering van de aandelen.

Opdracht deskundige

17. De deskundige zal op grond van artikel 198 lid2 Rv zijn opdracht uitvoeren onder leiding van een raadsheer-commissaris. De opdracht aan de deskundige wordt verstrekt door het hof. Naar het oordeel van het hof ontstaat er geen contractuele relatie tussen de man en de vrouw enerzijds en de deskundige anderzijds; er is sprake van een opdracht sui generis.

Aansprakelijkheid deskundige

18. De deskundige wenst zijn opdracht alleen te aanvaarden indien zijn algemene leveringsvoorwaarden op de opdracht van toepassing zijn.

19. De deskundige dient binnen twee weken na deze beschikking zijn leveringsvoorwaarden te doen toekomen aan het hof, aan de man en aan de vrouw.

20. Partijen dienen tijdens de regiezitting zich uit te laten over de vraag of zij zich gebonden achten aan de leveringsvoorwaarden.

Klachten over de deskundige

21. De deskundige, een register-accountant, dient zijn werkzaamheden te verrichten conform de voor hem geldende gedrag- en beroepsregels.

22. Indien een partij een klacht tegen de deskundige wenst in te dienen, dient deze het hof daarvan in kennis te stellen, zodat het hof in staat is – na partijen en de deskundige te hebben gehoord – te beoordelen of die partij conform artikel 198 lid 3 Rv aan het onderzoek zijn of haar medewerking heeft verleend.

23. Partijen dienen zich tijdens de regiezitting uit te laten over hetgeen het hof in de hiervoor genoemde rechtsoverweging heeft overwogen.

Deskundige

24. Partijen hebben aan het hof medegedeeld dat als deskundige dient te worden benoemd de heer A. Hak, registeraccountant bij Hak & Baak Accountants. Het hof zal de heer Hak voornoemd tot deskundige benoemen.

25. De opdracht dient door de deskundige zelf te worden uitgevoerd. Het staat de deskundige vrij om bij de uitvoering van zijn werkzaamheden zich te laten bijstaan door derden, indien de deskundige dit in de uitvoering van zijn werkzaamheden noodzakelijk acht. Alvorens hij derden bij zijn werkzaamheden inzet zal hij de raadsheer-commissaris inlichten.

Kosten deskundige

26. Het uurtarief van de deskundige bedraagt € 250,- exclusief BTW.

De deskundige dient zijn declaratie op te stellen aan de hand van de door hem gehanteerde uren en verrichtingenstaat. De deskundige kan maandelijks zijn kosten declareren bij het hof. Het hof zal, alvorens over te gaan tot uitbetaling van de declaratie aan de deskundige, aan partijen om een reactie vragen. Partijen dienen binnen tien dagen te laten weten of zij instemmen met de declaratie. Na die periode stelt het hof de declaratie vast en zal overgaan tot uitbetaling.

27. Ter dekking van de kosten van de deskundige stelt het hof een voorschot vast van € 14.875,- inclusief BTW. Partijen dienen dit voorschot binnen veertien dagen na heden te deponeren ter griffie van het hof door overmaking op bankrekeningnummer 19.23.25.795 ten name van MvJ arrondissement ’s-Gravenhage, onder vermelding van rekestnummer 887-M-06.

Deskundigenbericht

28. Het deskundigenbericht dient binnen vier maanden na de regiezitting met redenen omkleed toegestuurd te worden aan de griffier van het hof.

Communicatie

29. Indien de advocaten vragen hebben over de procedure kunnen zij zich wenden tot mevrouw J.H. Muller-Rietveld en bij haar afwezigheid tot mevrouw mr. M. Martens.

30. De deskundige kan zich betreffende zijn opdracht rechtstreeks wenden tot de raadsheer-commissaris. Zodra de deskundige inhoudelijke zaken aan de orde stelt zal de raadsheer-commissaris partijen horen.

Regiezitting

31. Voor de nadere uitwerking van de opdracht aan de deskundige vindt op 30 januari 2007 een regiezitting plaats. Het hof gelast dat partijen, hun advocaten en de deskundige bij deze zitting, die om 10.00 uur zal beginnen, aanwezig zijn.

32. Het hof acht het wenselijk dat de verantwoordelijke accountant van de vennootschappen eveneens bij de behandeling aanwezig is. Het staat de vrouw vrij een eigen financieel adviseur mee te nemen naar de zitting.

Identificatiebewijs

33. Ten behoeve van het dossier van de deskundige dienen partijen ter zitting aan de deskundige een kopie van hun paspoort of ander rechtsgeldig identificatiebewijs te verstrekken.

Raadsheer-commissaris

34. Het hof zal tot raadsheer-commissaris benoemen mr. Labohm. Bij diens ontstentenis worden zijn werkzaamheden waargenomen door mr. Pannekoek-Dubois.

35. Dit leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTE-LE HOGER BEROEP

Het hof:

bepaalt dat partijen binnen vier weken na heden een boedelbeschrijving aan het hof en de deskundige toesturen zoals vermeld in rechtsoverweging 13;

bepaalt dat de man binnen vier weken na heden aan het hof, aan de deskundige en aan de vrouw verstrekt de in rechtsoverweging 15 vermelde financiële gegevens;

benoemt de heer A. Hak, registeraccountant bij Hak & Baak Accountants, kantoorhoudende te Sliedrecht (postbus 327, 3360 AH), tot deskundige;

bepaalt dat partijen binnen veertien dagen na heden een voorschot van € 14.875,- ter griffie van het hof deponeren door overmaking op bankrekeningnummer 19.23.25.795 ten name van MvJ arrondissement ’s-Gravenhage, onder vermelding van rekestnummer 887-M-06;

benoemt tot raadsheer-commissaris mr. Labohm en bij diens afwezigheid mr. Pannekoek-Dubois;

bepaalt een regiezitting op 30 januari 2007 om 10.00 uur en gelast partijen, hun advocaten en de deskundige aanwezig te zijn;

bepaalt dat de deskundige zijn deskundigenbericht met redenen omkleed binnen vier maanden na de regiezitting toezendt aan de griffier van dit hof, onder vermelding van rekestnummer 887-M-06;

bepaalt dat uit het deskundigenbericht moet blijken dat partijen bij het onderzoek in de gelegenheid zijn gesteld opmerkingen te maken en verzoeken te doen;

houdt iedere verdere beslissing aan.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Pannekoek-Dubois en Ydema, bijgestaan door mr. Martens als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 december 2006.