Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AZ4368

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
07-11-2006
Datum publicatie
13-12-2006
Zaaknummer
22-002919-05
Formele relaties
Cassatie: ECLI:NL:HR:2008:BC6913, (Gedeeltelijke) vernietiging en zelf afgedaan
Conclusie in cassatie: ECLI:NL:PHR:2008:BC6913
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

De verdachte heeft zich samen met zijn mededaders in een korte periode schuldig gemaakt aan de (verlengde) uitvoer van ruim 200 kg MDMA, ruim 30 kg amfetaminen en ruim 350 kg hennep, naar het buitenland. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en bijbehorende munitie. Zeker in de onderhavige zaak waar de verdachte zich bezig hield met drugssmokkel, moet streng worden opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben van vuurwapens en munitie. Mede gelet op het grensoverschrijdende karakter van de onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde feiten en de daarmee samenhangende schade aan de reputatie van de Nederlandse staat, is er naar het oordeel van het hof sprake van een ernstige inbreuk op zowel de nationale als de internationale rechtsorde.

Declaratoire afdoening van geconstateerde geringe overschrijding van de redelijke termijn.

Beroep op artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering verworpen, nu de verdediging niet aannemelijk heeft kunnen maken dat er tijdens het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld. Voorop staat dat uitgegaan dient te worden van het vertrouwensbeginsel in het internationaal rechtsverkeer, maar ook overigens kan de - niet door feiten onderbouwde - stelling van de verdediging dat er zich na de inbeslagneming op 8 juli 2004 onregelmatigheden hebben voorgedaan niet leiden tot een geslaagd beroep op art. 359a Sv.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-002919-05

Parketnummer: 10-000179-04

Datum uitspraak: 7 november 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 2 mei 2005 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum],

[adres],

thans verblijvende in PI [adres].

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 2 mei 2006 en 24 oktober 2006.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, zoals ter terechtzitting in eerste aanleg op vordering van de officier van justitie gewijzigd.

Van de dagvaarding en van de vordering wijziging tenlastelegging zijn kopieën in dit arrest gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 primair, 3, 4 en 5 tenlastegelegde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek van voorarrest.

Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Beroep op artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering

De raadsman heeft betoogd dat de inbeslagneming van de 113 kilo MDMA onrechtmatig was nu er zich in het Engelse onderzoek onregelmatigheden hebben voorgedaan, een en ander zoals omschreven in zijn pleitnotities onder de punten 10 tot en met 16. De raadsman heeft hieraan de conclusie verbonden dat de verdachte dient te worden vrijgesproken van feit 3 op de dagvaarding.

Het hof is van oordeel dat het beroep op art. 359a Sv dient te worden verworpen, nu de verdediging niet aannemelijk heeft kunnen maken dat er tijdens het voorbereidend onderzoek vormen zijn verzuimd die niet meer kunnen worden hersteld.

Voorop staat dat uitgegaan dient te worden van het vertrouwensbeginsel in het internationaal rechtsverkeer, maar ook overigens kan de - niet door feiten onderbouwde - stelling van de verdediging dat er zich na de inbeslagneming op 8 juli 2004 onregelmatigheden hebben voorgedaan niet leiden tot een geslaagd beroep op art. 359a Sv.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 3, 4 en 5 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

(zie de hierna ingevoegde bijlage die van dit arrest deel uitmaakt)

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Ten aanzien van het onder 1 en 3 bewezenverklaarde:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2 onder A van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van het onder 2 bewezenverklaarde:

Medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder A van de Opiumwet gegeven verbod.

Ten aanzien van het onder 4 bewezenverklaarde:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Ten aanzien van het onder 5 bewezenverklaarde:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Strafmotivering

De advocaat-generaal heeft geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en opnieuw rechtdoende tot veroordeling van de verdachte ter zake van het onder 1 primair, 2 primair, 3, 4 en 5 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek van voorarrest.

Het hof heeft de op te leggen straf bepaald op grond van de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft zich samen met zijn mededaders in een korte periode schuldig gemaakt aan de (verlengde) uitvoer van grote hoeveelheden verdovende middelen, te weten ruim 200 kg MDMA, ruim 30 kg amfetaminen en ruim 350 kg hennep, naar het buitenland. Deze feiten dragen bij aan de handel in en het gebruik van verdovende middelen, waardoor de volksgezondheid wordt bedreigd. Bovendien leidt de grootschalige handel in verdovende middelen tot daarmee samenhangende vormen van ernstige criminaliteit. Dit veroorzaakt veel schade en onrust in de samenleving. Voorts heeft de verdachte zich schuldig gemaakt aan het voorhanden hebben van een vuurwapen en bijbehorende munitie. Vuurwapens worden meer en meer gebruikt bij het plegen van strafbare feiten en veroorzaken dan veelal gevaar en ernstige gevoelens van onveiligheid. Daarom moet, zeker in de onderhavige zaak waar de verdachte zich bezig hield met drugssmokkel, streng worden opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben van vuurwapens en munitie.

Mede gelet op het grensoverschrijdende karakter van de onder 1, 2 en 3 bewezenverklaarde feiten en de daarmee samenhangende schade aan de reputatie van de Nederlandse staat, is er naar het oordeel van het hof sprake van een ernstige inbreuk op zowel de nationale als de internationale rechtsorde.

Het hof stelt ambtshalve vast dat er sprake is van schending van de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden nu de stukken van het geding op 5 april 2006 en derhalve 11 maanden en 2 dagen na het namens de verdachte op 3 mei 2005 instellen van het hoger beroep ter griffie van het gerechtshof zijn binnengekomen.

Het hof is evenwel van oordeel dat kan worden volstaan met de constatering van deze schending van de redelijke termijn in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, nu de behandeling van de zaak ter terechtzitting in eerste aanleg binnen 10 maanden is afgerond en het hof voorts arrest wijst op 7 november 2006, weshalve de behandeling van de zaak in twee feitelijke instanties is afgerond binnen 2 jaar en 4 maanden.

Het hof is - alles overwegende - van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van navermelde duur een passende en geboden reactie vormt.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 1, 2 (oud), 3, 10 (oud) en 11 (oud) van de Opiumwet, de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 (oud) van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 1 primair, 2 primair, 3, 4 en 5 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde de hierboven vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

8 (ACHT) JAREN.

Bepaalt, dat de tijd, door verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Dit arrest is gewezen door mr. M.L.C.C. de Bruijn-Lückers, mr. M.J. Bax-Luhrman en mr. H.W.J. de Groot, in bijzijn van de griffier mr. M. van Kuilenburg.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 7 november 2006.

Mr. De Groot is buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.