Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AZ3546

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
27-09-2006
Datum publicatie
05-12-2006
Zaaknummer
1304-H-05
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling verrekenplicht op grond van huwelijkse voorwaarden. Vrouw veroordeeld tot terugbetaling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 27 september 2006

Rekestnummer. : 1304-H-05

Rekestnr. rechtbank : F1 RK 03-859

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. W. Taekema,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. H.C. Grootveld.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 31 oktober 2005 in hoger beroep gekomen van de beschikkingen van de rechtbank te Rotterdam van 12 november 2003, 19 januari 2004, 1 oktober 2004 en 1 augustus 2005.

De vrouw heeft op 16 december 2005 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De man heeft op 17 januari 2006 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 23 november 2005 aanvullende stukken ingekomen, alsmede op 7 juni 2006 een aanvulling op zijn appelschrift.

Op 16 juni 2006 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn advocaat, mr. J.C. Brökling, en de vrouw, bijgestaan door haar advocate, mr. M.E.H. Dumont. Partijen en hun raadslieden hebben het woord gevoerd.

VASTSTAANDE FEITEN EN HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikkingen.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

1. In geschil is dat de man aan de vrouw een bedrag van € 192.803,- dient te betalen in het kader van de afwikkeling van de huwelijksvoorwaarden.

2. De man verzoekt de bestreden beschikking van 1 augustus 2005, voor zover daarbij is bepaald dat de man aan de vrouw een bedrag van € 192.803,- dient te betalen te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat partijen terzake van het verrekenbeding opgenomen in artikel 9 van de akte van huwelijkse voorwaarden niets meer van elkaar hebben te vorderen. In zijn aanvullende appelschrift verzoekt hij voorts in de te wijzen beschikking, uitvoerbaar bij voorraad, te bepalen dat de vrouw veroordeeld wordt tot terugbetaling van hetgeen zij op grond van de beschikking van de rechtbank ter zake van de executie heeft ontvangen, zijnde het bedrag dat door de deurwaarder inclusief rente en kosten werd geïncasseerd, subsidiair onder aftrek van het bedrag dat het hof zal vaststellen als de te betalen som ter zake van het bewuste verrekeningsbeding.

3. De vrouw bestrijdt zijn beroep en verzoekt incidenteel de bestreden beschikking te bekrachtigen voor zover daarin is beslist dat aan de vrouw toekomt op grond van het verrekenbeding in de huwelijkse voorwaarden van partijen een bedrag van € 192.803,-, en verder te bepalen dat partijen de inboedel in de echtelijke woning dienen te verdelen en indien de man dat niet wenst, dat de man een vergoeding van € 50.000,-, dan wel een zodanig bedrag als het hof vermeent te behoren, aan de vrouw betaalt, en voorts te bepalen dat partijen overgaan tot verdeling bij helfte van de huwelijksgeschenken en indien de man dat niet wenst, dat het hof bepaalt dat de man aan de vrouw een vergoeding voor de door hem behouden goederen aan de vrouw betaalt, door het hof te bepalen.

4. De man verzet zich daartegen en volhardt in zijn stellingen die hij in het beroepschrift heeft verwoord, met het verzoek aan het hof om de vordering in het incidenteel appel af te wijzen, dan wel de vrouw niet-ontvankelijk te verklaren.

5. Nu de man geen grieven of bezwaren heeft gericht tegen de beschikkingen van de rechtbank te Rotterdam van 12 november 2003, 19 januari 2004 en 1 oktober 2004, zal het hof de man in zoverre niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep.

6. De man heeft gesteld dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat hij aan de vrouw een bedrag van € 192.803,- dient te betalen in het kader van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. Ter adstructie van zijn stelling heeft de man verwezen naar artikel 9 van de akte van huwelijkse voorwaarden. Primair meent de man dat op basis van de akte van huwelijkse voorwaarden partijen hebben afgesproken dat zij in het kader van het verrekenbeding hooguit een bedrag van fl. 100.000,- zullen verrekenen. Subsidiair is de man van mening dat, indien het beding moet worden uitgelegd dat het een jaarlijkse beperking zou zijn, hetgeen de man uitdrukkelijk betwist, het te verrekenen bedrag, gelet op het daadwerkelijk aantal huwelijksjaren, is beperkt tot fl. 400.000,-. Voorts heeft de man aangevoerd dat de opsomming vermeld in artikel 7 van de akte van huwelijkse voorwaarden geen limitatieve opsomming is, zodat onder de kosten van de gemeenschappelijk huishouding ook de door partijen gedane schenkingen vallen. De man heeft deze bedragen ook feitelijk uit zijn inkomen betaald.

7. De vrouw heeft een en ander gemotiveerd betwist.

8. Het hof overweegt als volgt. Tijdens hun huwelijk hebben partijen een aantal schenkingen gedaan, te weten schenkingen aan [een stichting] gedurende de huwelijkse jaren tot en met 2003 voor een totaalbedrag van € 371.192,- en twee schenkingen aan de kinderen van partijen van respectievelijk € 46.832,- en € 111.451,-. De man heeft onweersproken gesteld dat de vrouw uitdrukkelijk toestemming heeft gegeven voor de gedane schenkingen. Uit artikel 9 van de akte van huwelijkse voorwaarden betreffende het verrekenbeding volgt dat onder inkomen wordt verstaan het netto persoonlijk arbeidsinkomen, onder aftrek van hetgeen daarvan is besteed voor de gemeenschappelijke huishouding als bedoeld in artikel 7, alsmede onder aftrek van de bedragen waarmede de inkomens van de echtgenoten over het desbetreffende kalenderjaar voor de berekening van de draagplicht eventueel zijn verminderd. Artikel 7 van de akte van huwelijkse voorwaarden behelst de kosten van de huishouding. Ter zitting van het hof hebben beide partijen verklaard dat zij in de akte van huwelijkse voorwaarden aansluiting hebben gezocht bij het fiscaal inkomensbegrip zodat de hiervoor genoemde schenkingen hierop in mindering dienen te worden gebracht voor de berekening van het belastbaar en besteedbaar inkomen.

Het door de rechtbank vastgesteld bedrag ter zake van vaste lasten is niet in geschil nu partijen hiertegen geen grief hebben gericht, zodat het hof deze als vaststaand aanneemt.

In punt 22 van het appelschrift verwijst de man naar de financiële overzichten over de jaren 1999 tot en met 2002. Op grond van die stukken komt het hof tot de gevolgtrekking dat de uitgaven in die jaren hoger waren dan de inkomsten in die jaren, hetgeen mede veroorzaakt werd door de schenkingen door de man, zoals hiervoor breder omschreven, welke schenkingen mede bepalend zijn geweest bij de berekening van de voor verrekening in aanmerking komende bedragen. Uit de door de man overgelegde brief van 30 mei 2005 van [Belastingadviseurs] B.V. aan de raadsman van de man, blijkt dat ook in de jaren 2003 en 2004 het jaarlijks besteedbare arbeidsinkomen lager lag dan de jaarlijkse consumptieve uitgaven.

Gelet op het vorenoverwogene, de aan het hof overgelegde stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat er niets tussen partijen te verrekenen valt ter zake van de afwikkeling van de huwelijkse voorwaarden. Nu er geen verrekening zal plaatsvinden, behoeft hetgeen de man naar voren heeft gebracht in het kader van de verrekening voorschotten geen bespreking meer.

9. Nu gebleken is dat de vrouw de bestreden beschikking heeft geëxecuteerd door het leggen van executoriaal beslag en de man dientengevolge heeft moeten betalen, zal het hof de vrouw veroordelen tot terugbetaling van hetgeen zij op grond van de bestreden beschikking ter zake van de executie heeft ontvangen, zijnde het bedrag dat door de deurwaarder, inclusief rente en kosten reeds is geïncasseerd.

10. In incidenteel appel heeft de vrouw verzocht te bepalen dat partijen de inboedel in de echtelijke woning dienen te verdelen. Naar het oordeel van het hof heeft de vrouw niet, althans onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij eigenaar is van de inboedel, te meer nu zij ter zitting van het hof heeft verklaard dat zij geen inkomen en vermogen meer heeft. Gelet hierop zal het hof het verzoek van de vrouw afwijzen.

11. In incidenteel appel heeft de vrouw voorts verzocht de helft van de goederen van de huwelijkslijst te ontvangen. Nu de man ter zitting heeft aangegeven dat, indien er geen verrekening plaatsvindt, hij zich kan vinden in het verzoek van de vrouw, zal het hof dit verzoek van de vrouw hieromtrent toewijzen.

12. Hetgeen partijen ieder voor zich voorts nog naar voren hebben gebracht behoeft, naar het oordeel van het hof, gelet op het vorenstaande, geen bespreking meer.

13. Mitsdien moet als volgt worden beslist.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

verklaart de man niet-ontvankelijk in zijn hoger beroep tegen de beschikkingen van de rechtbank te Rotterdam van 12 november 2003, 19 januari 2004 en 1 oktober 2004;

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt dat partijen ter zake van de afwikkeling van de huwelijks voorwaarden over en weer niets meer van elkaar te vorderen hebben;

veroordeelt de vrouw tot terugbetaling van hetgeen zij op grond van de bestreden beschikking ter zake van de executie heeft ontvangen, zijnde het bedrag dat door de deurwaarder, inclusief rente en kosten reeds is geïncasseerd;

beveelt de verdeling van de goederen van de huwelijkslijst van partijen op de wijze als hiervoor onder 11. is aangegeven;

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Stille en Zonnenberg, bijgestaan door mr. Janssen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 september 2006.