Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AZ2657

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-10-2006
Datum publicatie
22-11-2006
Zaaknummer
165-M-06
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Partneralimentatie. Goede procesorde. Een onduidelijke stelling, die pas bij de mondelinge behandeling wordt verduidelijkt bemoeilijkt het verweer dusdanig, dat de stelling wordt gepasseerd.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 25 oktober 2006

Rekestnummer. : 165-M-06

Rekestnr. rechtbank : 1485/04

[appellant],

wonende te Groot-Abeele, gemeente Vlissingen,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. H.C. Grootveld,

tegen

[verweerster],

wonende te Vlissingen,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 8 februari 2006 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te Middelburg van 9 november 2005.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 23 februari 2006 en 27 september 2006 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vrouw is bij het hof op 30 augustus 2006 op voorhand een pleitnota (met bijlage) ingekomen.

Op 4 oktober 2006 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door mr. N.J. Glen-Boedhram, kantoorgenote van mr. J. Mikes, de advocate van de man, en de vrouw, bijgestaan door haar advocaat, mr. H.C. Struijk. Partijen hebben het woord gevoerd, mr. Glen-Boedhram onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotitie.

VASTSTAANDE FEITEN EN HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil zijn ten aanzien van de alimentatie voor de minderjarige kinderen:

[kind 1, geboren in 1993], en

[kind 2, geboren in 1996],

ook hierna gezamenlijk te noemen: de kinderen, en voor de vrouw, de behoefte van de kinderen en de vrouw en de draagkracht van de man.

2. De man verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, te bepalen dat de kinder- en partneralimentatie, op nihil worden gesteld, zulks met ingang van 1 november 2003, dan wel met ingang van de datum van indiening van het inleidend verzoekschrift, althans met ingang van een door het hof te bepalen datum, althans op een door het hof te bepalen bedrag en voorts de in deze te wijzen beschikking uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De vrouw bestrijdt zijn beroep.

3. Ter zitting heeft het hof aan de man een nadere toelichting gevraagd waar tegen de grieven gericht waren, aangezien de opbouw van het hoger beroepschrift niet geheel duidelijk was. De opbouw was als volgt:

- Een algemeen gedeelte;

- Formulering van acht grieven zonder een specifieke toelichting op de grieven;

- Een toelichting algemeen;

- Het inkomen van de man ten tijde van het huwelijk/de echtscheidingsprocedure;

- Inkomen van de man na ontbinding van het huwelijk;

- Huidige inkomen van de man;

- Huidige lasten van de man;

- Kosten omgangsregeling;

- Behoefte van de vrouw;

- Toelichting op de afzonderlijke grieven.

4. De advocate van de man heeft desgevraagd verklaard dat de grieven van de man zodanig moeten worden gelezen, dat de rechtbank ten onrechte niet heeft aangenomen dat sprake is van een wijziging van omstandigheden als gevolg van het feit dat het inkomen van de man is gedaald en de opgelegde partner - en kinderalimentatie niet meer voldoet aan de wettelijke maatstaven. Het hof zal deze grieven gemeenschappelijk bespreken.

5. De man stelt dat de rechtbank er ten onrechte van uit is gegaan dat de man een inkomen genoot - ten tijde van het vaststellen van de alimentatie - van ƒ 200.000,00. In punt 32 stelt hij dat hij in de periode van 1997 tot en met 2000 een inkomen had van ƒ 60.000,00. Naar het oordeel van het hof volgt uit de door de man in het geding gebrachte stukken dat, de man bij het vaststellen van de alimentatie, niet ieder jaar een inkomen had van ƒ 200.000,00. In zoverre treft zijn grief doel. Zijn inkomen bedroeg volgens de aangifte 2000 ƒ 60.925,00, exclusief de bijtelling van auto.

6. Als wijziging van omstandigheden heeft de man in zijn inleidend verzoekschrift gesteld dat zijn inkomen na de vaststelling van de kinderalimentatie is gedaald en dat zijn schulden aanzienlijk zijn toegenomen. In de grieven 1 tot en met 6 gaat de man in op zijn daling van zijn inkomen en zijn toegenomen lasten. De man is van mening dat hij onvrijwillig zijn baan is kwijt geraakt als gevolg waarvan zijn inkomen is gedaald.

7. De vrouw heeft gesteld dat de man op het moment van het vaststellen van de alimentatie een vaste baan had en dat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij die baan onvrijwillig is kwijt geraakt. Voorts heeft zij gesteld dat hij vrijwillig zijn baan heeft opgezegd en dat hij geruime tijd zich uitsluitend heeft bezig gehouden met de verbouwing van een door de man aangekocht woonhuis.

8. Door man zijn geen bewijsstukken in het geding gebracht dat hij noodgedwongen bij zijn voormalige werkgever weg moest. Door de man is eveneens niet weersproken dat hij geruime tijd heeft gewerkt aan de verbouwing van zijn huis. Het hof is op de zelfde gronden als de rechtbank van oordeel dat de inkomensdaling van de man niet aan de vrouw kan worden tegengeworpen.

9. Uit punt 28 van het beroepschrift volgt dat de man per 1 september 2005 weer full time werkt. Uit de pleitnota volgt dat de man een inkomen geniet van € 34.403,00. Het inkomen van de man is dus volledig hersteld. Voorts voert de man aan dat zijn draagkracht is verminderd door lasten verzwaring, mede als gevolg van aangegane schulden. In de punten 53 tot en met 56 gaat de man hierop nader in. De vrouw heeft ter zitting gesteld – zie punt 13 pleitnota - dat er geen enkele noodzaak is voor deze lasten verzwaring. In het kader van de verdeling van de voormalige huwelijksgoederengemeenschap heeft de man een bedrag ontvangen van ƒ 250.000,00. Voorts zijn alle huwelijkse schulden voldaan uit de voormalige gemeenschap. Het vorenstaande is door de man niet weersproken. Naar het oordeel van het hof heeft de man voor zijn huidige schulden niet de noodzaak daarvan aangetoond dat deze dienen te prevaleren boven de door de man verschuldigde alimentatie. Gezien het inkomen van de man en het vermogen waarover hij beschikte kan hij ruimschoots de door hem opgevoerde verplichtingen voldoen. Van een rechtens relevante vermindering van de draagkracht van de man is derhalve geen sprake.

10. Grief 7 richt zich tegen de huwelijks gerelateerde behoefte. In zijn toelichting punten 85 tot 87 stelt de man: dat de vrouw meer verdient dan de man, de rechtbank ten onrechte is uitgegaan van een inkomen van ƒ 200.000,00, en de vrouw ook haar aandeel in de huwelijksgoederengemeenschap heeft gehad. Uit het verweer van de vrouw volgt dat zij nog steeds de behoefte heeft aan een aanvullende alimentatie. Zij verwijst naar de door haar in eerste aanleg in het geding gebrachte behoefteberekening. Voorts stelt zij in punt 11 van haar pleitnota dat partijen een luxe levensstijl hadden. Partijen hadden een vrijstaande woning een luxe jacht. Het hof is van oordeel dat de man onvoldoende heeft onderbouwd dat de huwelijks gerelateerde behoefte voor de vrouw niet meer aanwezig is. De grief faalt.

11. De advocate van de man heeft naar aanleiding van de vraag van de voorzitter verklaard, dat zij de gronden van het hoger beroep wenst aan te vullen, in die zin dat punt 58 gelezen dient te worden als een grief inhoudende dat de vrouw in haar eigen levensonderhoud kan voorzien. De vrouw heeft hier tegen bezwaar gemaakt aangezien eerst tijdens de mondelinge behandeling duidelijk werd waartegen de grief zich eveneens richtte, en zij als gevolg daarvan ernstig in haar verdediging is geschaad.

12. Het hof is van oordeel dat een goede procesorde met zich mede brengt dat de man zijn processtukken zodanig dient in te richten dat het voor de vrouw inzichtelijk was waartegen het beroep zich richtte. Gezien de opbouw van het beroepschrift, de grieven en de toelichting op de specifieke grieven behoefde de vrouw er naar het oordeel van het hof niet op bedacht zijn dat de man eveneens een grief wenste te richten tegen het feit dat zij mogelijk volledig zelfstandig in haar eigen levensonderhoud kon voorzien. Het enkele feit dat de man onder toelichting algemeen blz 9 onderaan stelt: “Bovendien is het inkomen van de vrouw sindsdien gewijzigd in die zin dat haar behoefte aan een bijdrage in haar levensonderhoud c.q. haar behoeftigheid niet meer bestaat dan wel verminderd is” behoefde de vrouw zich niet te realiseren dat het appel zich eveneens richtte op haar verdiencapaciteit waarmee zij mogelijk in haar behoefte kon voorzien. Een goede procesorde brengt met zich mede dat de man dit nader had dienen uit te werken in zijn toelichting op de afzonderlijke grieven. Nu de man dit niet heeft gedaan en eerst tijdens de mondelinge behandeling voor de vrouw duidelijk is geworden waartegen het appel zich eveneens richtte, is het hof met de vrouw van oordeel dat zij in haar verdediging is geschaad.

13. De man heeft nog aangevoerd dat rekening dient te worden gehouden met de financiële gevolgen van het feit dat hij en zijn partner in mei 2007 een kind verwachten. Het hof houdt met deze omstandigheid geen rekening nu dit een toekomstige gebeurtenis betreft. Hierbij neemt het hof in aanmerking dat de man en zijn partner thans volledige inkomsten genieten.

14. Gezien het hof hiervoor heeft overwogen dient de bestreden beschikking onder aanvulling van de gronden te worden bekrachtigd.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, Reinking en Kamminga, bijgestaan door mr. Janssen als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 oktober 2006.