Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AZ2654

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-10-2006
Datum publicatie
22-11-2006
Zaaknummer
375-H-06
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Ontzegging omgang en aanwijzingen aan ouders voor de periode dat de ontzegging geldt. Beëindiging gezamenlijk gezag wegens grote verschillen van inzicht van de ouders met betrekking tot voor de kinderen belangrijke zaken als hun (geestelijke) gezondheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF 's-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 25 oktober 2006

Rekestnummer : 375-H-06

Rekestnr. rechtbank : 03-2606, 03-3708 en 04-6181

[appellant],

wonende te Rijswijk,

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. J.M. Wigman,

tegen

[verweerster],

wonende te Zoetermeer,

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. R. Paardekooper.

Als belanghebbende is aangemerkt:

de raad voor de kinderbescherming,

vestiging Den Haag,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 21 maart 2006 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de rechtbank te 's-Gravenhage van 21 december 2005.

De moeder heeft op 14 augustus 2006 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 27 maart 2003 en 24 april 2006 aanvullende stukken ingekomen.

De raad heeft het hof bij brief van 4 augustus 2006 het raadsrapport van 20 september 2005 aan het hof doen toekomen.

Op 20 september 2006 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn procureur, en de moeder, bijgestaan door haar procureur. Namens de raad zijn verschenen de heer O. Ente en de heer H. Hadjjie. Partijen, hun raadslieden en de raad hebben het woord gevoerd.

VASTSTAANDE FEITEN EN HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de beschikkingen van 16 februari 2004, 18 oktober 2004 en 9 februari 2005 van de rechtbank te 's-Gravenhage.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING

1. In geschil is het gezag en de omgangsregeling ten aanzien van de minderjarige kinderen:

[,kind 1 en kind 2] [geboren in] in 1998 en in 2002, verder: [de kinderen.]

2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, het verzoek om gezagswijziging af te wijzen en een omgangsregeling vast te stellen zoals in eerste aanleg is verzocht, althans een regeling vast te stellen zoals het hof redelijk acht.

3. De moeder bestrijdt zijn beroep en verzoekt het hof de bestreden beschikking, zo nodig met verbetering van gronden, te bekrachtigen.

4. De vader voert in hoger beroep twee grieven aan. In zijn eerste grief stelt de vader dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen aanleiding te zien om hem het recht op omgang voor de duur van twee jaar te ontzeggen, hetgeen de rechtbank vooralsnog een redelijke periode acht voor de minderjarigen om tot rust te komen. Volgens de vader baseert de rechtbank zijn oordeel grotendeels op de rapportage van de raad. Tussen de datum van de beschikking waarin de raad is verzocht te rapporteren (22 mei 2003) en de datum van rapportage (20 september 2005) zit evenwel een periode van 2 jaar en 4 maanden, in welke lange periode, volgens de vader, de moeder haar invloed in negatieve zin heeft doen gelden op met name [kind 1]. De vader meent verder dat er geen contra-indicaties aan zijn zijde zijn en dat omgang plaats dient te vinden. Gezien het goede verloop van de contacten met [kind 2] ziet hij mogelijkheden om de omgang met haar in gang te zetten. [kind 1] kan in die omgangsregeling worden betrokken en via zijn zus een positief beeld van zijn vader krijgen. In zijn tweede grief voert de vader aan dat de rechtbank ten onrechte heeft geconcludeerd dat voortzetting van het gezamenlijk gezag niet in het belang van de minderjarigen is. Hij bestrijdt dat thans gebleken is dat de minderjarigen klem komen te zitten als gevolg van de communicatieproblemen. Voorts blijft hij bij zijn standpunt dat hij zich in staat acht op een goede wijze te kunnen communiceren met de moeder, de moeder moet zich echter ook positief opstellen. De vader staat overigens nog steeds open voor mediation.

5. De moeder heeft zich verweerd. Zij betwist dat zij haar invloed gedurende de onderzoeksperiode van de raad in negatieve zin heeft doen gelden. Veel meer moet worden gedacht aan de persoonlijkheidsstructuur van met name [kind 1]. De moeder is het met de rechtbank eens dat de vader gezien zijn chaotische gedrag de kinderen niet de rust en structuur kan bieden die zij nodig hebben. Bovendien wordt in het rapport van het PPAB gesteld dat de vader is geadviseerd nader psychiatrisch onderzoek te ondergaan, hetgeen de vader tot op heden heeft geweigerd. Zolang geen inzicht bestaat in de belevingswereld van de vader vindt de moeder het onaanvaardbaar de kinderen met hem te confronteren. Uit de rapportage van de raad is verder voldoende gebleken dat omgang met de kinderen thans niet in het belang van de kinderen is. Ten aanzien van het gezag worden volgens de moeder een aantal stellingen geponeerd welke niet verder worden onderbouwd.

6. De raad heeft bij monde van de heer Ente ter zitting verklaard dat de ouders als ex-partners verder moeten. De ouders dienen allebei stappen te ondernemen, en mee te werken aan behandelingen onder deskundige begeleiding, betreffende hun eigen persoonlijkheid, zoals geadviseerd door het PPAB. De raad acht in dit kader de ontzegging van het recht van de vader op omgang voor de duur van twee jaar te lang, mede gelet op de verklaring van de moeder dat zij op zich niet tegen een onbegeleide omgang is, mits onderzoek uitwijst dat er geen contra-indicaties zijn.

7. Het hof overweegt als volgt.

Op grond van hetgeen ter terechtzitting en uit de stukken naar voren is gekomen, is het hof van oordeel dat omgang met de vader op dit moment niet in het belang van de kinderen is, en dat voldoende is gebleken van zwaarwegende gronden die rechtvaardigen dat de vader het recht op omgang met de beide kinderen wordt ontzegd. Gelet op de verklaringen van partijen en de rapportages van de raad en het PPAB, moet er op dit moment van worden uitgegaan dat onbegeleide contacten tot onaanvaardbare spanningen en onrust leiden bij de kinderen en de moeder. Ondanks veelvuldige deskundige hulp is het nog niet mogelijk gebleken om op een verantwoorde wijze een zelfstandige omgangsregeling op te starten.

8. Uit het klinisch psychologische onderzoek door het PPAB volgt dat nader psychiatrisch onderzoek van de vader is geïndiceerd, hetgeen de vader tot op heden heeft geweigerd te ondergaan. Ter zitting heeft de vader evenwel verklaard voor een dergelijk onderzoek alsnog open te staan. Wat betreft de moeder is uit een persoonlijkheidsonderzoek van mei 2005 gebleken dat er bij haar sprake is van een klinische stoornis in de zin van een aanpassingsstoornis met angst (stressstoornis). Het advies om zich te laten behandelen heeft de moeder niet opgevolgd. Zij heeft voorts ter zitting verklaard dat zij niet tegen een begeleide omgang is. Als uit het onderzoek bij de vader mocht blijken dat er geen indicaties zijn tegen een begeleide omgang, dan neemt zij de inhoud van die rapportage serieus.

Het hof is in het licht van de verklaringen van partijen en gezien bovengenoemde omstandigheden, alsmede gelet op de verklaring van de raad, van oordeel dat de duur van de ontzegging van het recht op omgang van de vader in redelijkheid dient te worden bekort tot 1 juli 2007. Het hof verwacht van de vader dat hij, zoals toegezegd ter zitting, nader psychiatrisch onderzoek, zoals door het PPAB is aangegeven, zal ondergaan. Van de moeder wordt verwacht dat zij alsdan gewerkt heeft aan haar stressstoornissen. Partijen kunnen, met inachtneming van de resultaten van onderzoek en behandeling, welke naar verwachting voor 1 juli 2007 gereed zijn, gaan toewerken naar een begeleide omgang tussen de vader en de kinderen.

9. Ook in hoger beroep dient ten aanzien van het gezag te worden geconcludeerd dat gezamenlijke uitoefening daarvan voor de kinderen tot een onaanvaardbaar risico leidt. De ouders zitten niet op één lijn en gebleken is dat de opvoedingslijn die de dagelijks verzorgende ouder aanhoudt op belangrijke momenten, zoals bij therapie en begeleiding, wordt doorkruist door de niet dagelijks verzorgende ouder. Het hof kan zich met de overwegingen in de bestreden beschikking alsmede met de daarop steunende beslissing verenigen en neemt deze hierbij over, zodat de bestreden beschikking op dit punt dient te worden bekrachtigd.

BESLISSING

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover daarbij is bepaald dat voortaan alleen aan de moeder het gezag zal toekomen over de minderjarigen [kind 1] en [kind 2];

vernietigt de bestreden beschikking voor zover daarbij de vader het recht op omgang met de minderjarigen [kind 1] en [kind 2] is ontzegd voor de duur van twee jaar met ingang van 21 december 2005, en in zoverre opnieuw beschikkende:

ontzegt de vader het recht op omgang met de minderjarigen [kind 1] en [kind 2] met ingang van 21 december 2005 tot 1 juli 2007;

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mrs. van Leuven, van Nievelt en Punselie, bijgestaan door Lekahena als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 oktober 2006.