Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AZ2439

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
04-10-2006
Datum publicatie
17-11-2006
Zaaknummer
233-R-06
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 1:253c, lid 2 BW. Wijziging gezag.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 4 oktober 2006

Rekestnummer. : 233-R-06

Rekestnr. rechtbank : 648695/05/403/hk

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. T.G. Brown-Knip,

tegen

[verweerster],

wonende te Capelle aan den IJssel,

verweer-ster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder.

Als belanghebbende is aangemerkt:

de raad voor de kinderbescherming,

vestiging Rotterdam,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 22 februari 2006 in hoger beroep gekomen van de beschikking van de kantonrechter in de rechtbank te Rotterdam van 20 januari 2006.

De moeder heeft geen verweerschrift ingediend. Zij heeft het hof een schriftelijke reactie doen toekomen, die is ingekomen op 16 juni 2006.

Op 30 augustus 2006 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, mr. C.W.F. Jansen, en de moeder. Namens de raad is verschenen: de heer W.A.J. Reigersberg. De aanwezigen hebben het woord gevoerd.

VASTSTAANDE FEITEN EN HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking van de kantonrechter in de rechtbank te Rotterdam.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is het gezag ten aanzien van [kind], geboren op [geboortedatum], hierna te noemen: [kind].

2. De vader verzoekt de bestreden beschikking, waarbij zijn verzoek om samen met de moeder belast te worden met het gezag over [kind] is afgewezen, te vernietigen en, opnieuw beschikkende, zijn inleidend verzoek alsnog toe te wijzen. De moeder bestrijdt zijn beroep.

3. De vader stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat kan worden geconcludeerd dat het aannemelijk is dat de communicatie tussen partijen zodanig verstoord is dat zij moeilijk overeenstemming in gezagsaangelegenheden kunnen bereiken. Volgens de vader staat een wat mindere communicatie tussen partijen ten aanzien van de dagelijkse gang van zaken niet aan het uitoefenen van gezamenlijk gezag in de weg. Daarbij merkt de vader op dat uit het advies van de raad niet echt een contra-indicatie ten aanzien van het gezamenlijk gezag blijkt. Voorts stelt de vader dat in het kader van de kwestie omtrent het gezag niet of nauwelijks relevant is de vraag of de moeder het gezag al dan niet goed uitoefent. Het antwoord op deze vraag is volgens de vader pas van betekenis in het geval hij zou verzoeken alleen met het gezag te worden belast. Daarvan is geen sprake. De vader acht het in het belang van [kind] dat hij en de moeder tezamen met het ouderlijk gezag worden belast.

4. De moeder stelt dat het van belang is dat zij en de vader op één lijn zitten met betrekking tot de opvoeding van [kind]. Dat is volgens haar evenwel niet het geval. De moeder verkiest een strenge opvoeding, de vader daarentegen een vrijere opvoeding, zo luidt haar stelling. De moeder wil de opvoeding van [kind] in eigen hand houden. [kind] is volgens haar geen makkelijk kind. De moeder acht het in het belang van [kind] dat zij alleen met het ouderlijk gezag over hem belast blijft.

5. De raad merkt op dat er ten tijde van het raadsonderzoek veel spanningen tussen partijen waren, op basis waarvan de raad gezamenlijk gezag niet in het belang van [kind] achtte. Het raadsrapport dateert van 2005. De raad heeft nadien geen contact meer gehad met partijen. Naar aanleiding van hetgeen de vader heeft verklaard, merkt de raad voorts op dat de vader meer baat heeft bij een goed contact met [kind] dan bij gezamenlijk gezag, waarbij het risico bestaat dat het contact met [kind] onder druk komt te staan.

6. Het hof overweegt als volgt. Op 27 mei 2005 heeft de Hoge Raad een beschikking gewezen waarin kort gezegd is uitgemaakt dat de in artikel 1:252 BW besloten liggende regel, dat de rechter het gezamenlijk gezag over een kind van ouders die niet met elkaar gehuwd zijn (geweest) en die nimmer het gezag over hun kind gezamenlijk hebben uitgeoefend, slechts op gezamenlijk verzoek van de ouders en niet enkel op verzoek van de vader kan toekennen, een ongeoorloofde beperking is van het door artikel 6 lid 1 EVRM aan de vader gegarandeerde recht op toegang tot de rechter ter vaststelling van zijn aan artikel 8 lid 1 EVRM ontleende aanspraak op bescherming van zijn recht op ‘the exercise of parental rights’. Uit deze uitspraak blijkt tevens dat in overeenstemming met artikel 6 lid 1 EVRM, artikel 1:253c lid 1 BW aldus moet worden uitgelegd dat de vader die in bovenvermelde positie verkeert, niet alleen om toekenning van eenhoofdig, maar ook gezamenlijk gezag over het kind kan verzoeken en dat artikel 1:253e BW aldus moet worden uitgelegd dat, indien het verzoek van de vader ingevolge artikel 1:253c lid 1 BW tot toekenning van gezamenlijk gezag over het kind wordt ingewilligd, dit tot gevolg heeft dat, indien de moeder het gezag tot dusverre alleen uitoefende, zij dit voortaan gezamenlijk met de vader uitoefent. In het licht van bovenvermelde rechtsontwikkeling zal het hof het inleidend verzoek van de vader verstaan als rechtstreeks gegrond op artikel 1:253c BW. Het hof dient derhalve thans op de voet van artikel 1:253c lid 2 BW te beoordelen of gezamenlijk gezag van de vader en de moeder in het belang van [kind] is. Het hof overweegt daartoe het volgende.

7. Het hof is van oordeel dat in casu niet geldt het criterium dat slechts plaats is voor eenhoofdig gezag, indien er een onaanvaardbaar risico bestaat dat de kinderen bij een gezamenlijke gezagsuitoefening klem of verloren raken tussen de ouders en niet te verwachten valt dat hierin binnen afzienbare tijd verbetering komt. Immers, in een situatie als de onderhavige is eenhoofdig gezag juist het uitgangspunt.

8. Op basis van de stukken en het verhandelde ter terechtzitting is het hof van oordeel dat gezamenlijk gezag in het belang van [kind] is. Daartoe overweegt het hof als volgt. Het gaat goed met [kind]. Hij heeft regelmatig omgang met de vader. Zij zien elkaar tenminste eenmaal per twee weken. De omgangsregeling tussen de vader en [kind] verloopt, zo hebben beide ouders verklaard, goed. Naar het oordeel van het hof heeft de moeder geen feiten of omstandigheden aangevoerd, waaruit voortvloeit dat het uitoefenen van gezamenlijk gezag niet in het belang van [kind] is, anders dan dat de communicatie tussen haar en de vader niet soepel verloopt en dat de vader andere omgangsnormen ten aanzien van [kind] hanteert.

9. Het hof is niet gebleken dat de vader geen inzicht heeft in wat het belang van [kind] vergt. De vader toont zich erg betrokken op [kind]. Hij wil graag dat de moeder hem betrekt bij de opvoeding van [kind], hetgeen naar het oordeel van het hof een reële wens is. Het hof is evenmin gebleken dat de communicatieproblemen tussen partijen van dien aard zijn dat gevreesd moet worden dat het belang van [kind] bij uitoefening van gezamenlijk gezag wordt geschaad. De vader heeft ter zitting verklaard dat hij de wijze waarop de moeder [kind] opvoedt, respecteert. De vader is bereid de eindbeslissing inzake aangelegenheden die [kind] betreffen, aan de moeder over te laten. De vader legt zich neer bij de waarden en normen van de moeder, zo heeft hij verklaard. Het hof heeft de indruk dat de vader inziet dat de moeder ruimte nodig heeft om invulling te geven aan de opvoeding van [kind]. Het hof gaat ervan uit dat de vader, overeenkomstig zijn toezegging, de moeder die ruimte zal bieden en zich mitsdien zal onthouden van inmenging in het gezin van de moeder.

10. Uit het vorenstaande volgt dat de bestreden beschikking dient te worden vernietigd.

11. Mitsdien dient als volgt te worden beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, opnieuw beschikkende:

bepaalt dat het gezag over [kind] voortaan aan de vader en de moeder gezamenlijk toekomt;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Reinking, Van den Wildenberg en Zonnenberg, bijgestaan door mr. Wijtzes als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 4 oktober 2006.