Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AZ2086

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-10-2006
Datum publicatie
14-11-2006
Zaaknummer
470-H-06
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Wet Conflictenrecht Echtscheiding. Op een tussen Iranezen gesloten huwelijk is Nederlands recht van toepassing op het verzoek tot echtscheiding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 18 oktober 2006

Rekestnummer. : 470-H-06

Rekestnr. rechtbank : 05-1551

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de man,

procureur mr. E.M.H. Alkemade,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de vrouw,

procureur mr. P.A.M. Perquin.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De man is op 10 april 2006 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank

’s-Gravenhage van 9 januari 2006.

De vrouw heeft op 24 mei 2006 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de man zijn bij het hof op 22 juni 2006 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de vrouw zijn bij het hof op 1 september 2006 aanvullende stukken ingekomen.

Op 15 september 2006 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de man, bijgestaan door zijn procureur, en de vrouw, bijgestaan door haar procureur. Partijen hebben het woord gevoerd, de procureurs van partijen onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotities.

VASTSTAANDE FEITEN EN HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht. In hoger beroep is voorts komen vast te staan dat bij Koninklijk Besluit van 16 augustus 2006 aan de vrouw de Nederlandse nationaliteit is verleend.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. De man verzoekt - uitvoerbaar bij voorraad - de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw beschikkende, de vrouw alsnog niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoeken, dan wel haar die verzoeken te ontzeggen, en voorwaardelijk, te weten indien het hof bepaalt dat de man een bepaalde bijdrage ten behoeve van het levensonderhoud van de vrouw dient te voldoen, te bepalen dat de termijn gedurende welke de man aan de vrouw een bijdrage zal leveren, zal worden beperkt tot een periode van twee jaar, althans een periode als door het hof nader te bepalen.

2. De vrouw voert verweer tegen het door de man ingestelde beroep voor zover het de echtscheiding betreft. De vrouw wenst haar alimentatieverzoek niet langer te handhaven, zodat dit verzoek als ingetrokken kan worden beschouwd.

De echtscheiding; toepasselijk recht

3. De man is van oordeel dat de rechtbank ten onrechte de echtscheiding heeft uitgesproken. Beide partijen hebben de Iraanse nationaliteit en het Iraanse recht is dan ook van toepassing op het verzoek tot echtscheiding. Er is volgens de man geen sprake van het kennelijk ontbreken van een werkelijke maatschappelijke band met Iran. Het feit dat de vrouw in het buitenland woont doet daar niet aan af. Negentig procent van de familie van de vrouw woont nog wel in Iran.

4. Aangezien partijen een gemeenschappelijke nationaliteit hebben, wordt de vraag welk recht toepasselijk is op de echtscheiding op grond van artikel 1 lid 1 onder a van de Wet Conflictenrecht Echtscheiding (hierna: de WCE) in principe beheerst door het gemeenschappelijk nationale recht, te weten het Iraanse. Echter, op grond van artikel 1 lid 2 van de WCE wordt dit gemeenschappelijk nationale recht opzij gezet in het geval dat voor één der partijen een werkelijke maatschappelijke band met het land der gemeenschappelijke nationaliteit kennelijk ontbreekt. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat dit laatste voor de vrouw het geval is en baseert dat op de volgende feiten. Partijen zijn in 1994 uit Iran weggegaan om in Frankrijk te gaan wonen en studeren. Vervolgens zijn partijen in 2000 naar Nederland verhuisd, alwaar zij sedertdien onafgebroken wonen. De vrouw spreekt vloeiend Nederlands, heeft in Nederland gestudeerd, en werkt in Nederland. Ter zitting is gebleken dat de vrouw haar sociale leven in Nederland heeft opgebouwd. Onbetwist is dat haar moeder en zussen in Canada wonen. De vrouw stelt niet voornemens te zijn ooit zelf weer in Iran te gaan wonen en zij is bereid haar Iraanse nationaliteit op te geven. Op grond van deze feiten en omstandigheden acht het hof de stelling van de vrouw dat haar een werkelijke maatschappelijke band met Iran kennelijk ontbreekt, aannemelijk. Het feit dat de vrouw een procedure in Iran is gestart in verband met een bruidsschat doet daar naar het oordeel van het hof niet aan af.

5. Op grond van het vorenstaande is het hof evenals de rechtbank van oordeel dat Nederlands recht van toepassing is op het verzoek tot echtscheiding van de vrouw.

Inhoudelijke beoordeling

6. Nu de man het verzoek van de vrouw tot echtscheiding inhoudelijk naar Nederlands recht niet heeft bestreden, zal het hof de bestreden beschikking bekrachtigen voor zover het de echtscheiding betreft.

De alimentatie

7. De vrouw heeft verklaard haar inleidend verzoek tot het vaststellen van partneralimentatie in te trekken. De intrekking van het verzoek heeft tot gevolg dat de vrouw in haar verzoek alsnog niet meer kan worden ontvangen. Gelet daarop behoeven de grieven van de man te dien aanzien geen bespreking meer. Het hof zal de bestreden beschikking derhalve vernietigen voor zover het betreft de opgelegde partneralimentatie.

8. Mitsdien dient als volgt te worden beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover het betreft de alimentatie voor de vrouw en, in zoverre opnieuw beschikkende:

verklaart de vrouw alsnog niet ontvankelijk in haar inleidend verzoek voor zover het betreft de door haar verzochte partneralimentatie;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor het overige;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Reinking, Labohm en Kamminga, bijgestaan door

mr. Quarles van Ufford-van Waning als griffier, en uitgespro-ken ter openbare terechtzitting van 18 oktober 2006.