Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AZ2085

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-10-2006
Datum publicatie
14-11-2006
Zaaknummer
040-H-06
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Geen belang bij het vaststellen van een laag bedrag voor kinderalimentatie om te voorkomen dat de Marokkaanse rechter een hogere bijdrage zal opleggen. Onvoldoende gegevens verstrekt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 18 oktober 2006

Rekestnummer. : 040-H-06

Rekestnr. rechtbank : 05-2395

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. H.H.M. de Vries-Veringa,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. M.J. Smit.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 10 januari 2006 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage van 11 oktober 2005.

De moeder heeft op 24 februari 2006 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 25 januari 2006 en 10 februari 2006 aanvullende stukken ingekomen.

Op 20 september 2006 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn procureur, en de moeder, bijgestaan door haar procureur. Voorts is ten behoeve van de vader verschenen de heer A. Dahmani, tolk in de Marokkaanse taal. Partijen en hun raadslieden hebben het woord gevoerd. De hierna te noemen minderjarige [kind 1] heeft schriftelijk haar mening ten aanzien van de kinderalimentatie kenbaar gemaakt.

VASTSTAANDE FEITEN EN HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking van de rechtbank te ‘s-Gravenhage.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is ten aanzien van de kinderalimentatie voor de nog minderjarige kinderen:

[kind 1], geboren op [geboortedatum], verder: [kind 1],

[kind 2], geboren op [geboortedatum], verder [kind 2],

[kind 3], geboren op [geboortedatum], verder: [kind 3], en

[kind 4], geboren op [geboortedatum], verder: [kind 4],

ook verder te noemen: de kinderen, de draagkracht van de vader.

2. De vader verzoekt de bestreden beschikking, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, deze bijdrage nader te bepalen op een bedrag van € 13,- per kind per maand, en wel met ingang van 5 maart 2003, althans een zodanige datum als het hof zal vermenen te behoren.

3. De moeder bestrijdt zijn beroep en verzoekt het hof, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de verzoeken van de vader af te wijzen, en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. De vader stelt zich in zijn eerste grief op het standpunt dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de door hem te betalen kinderalimentatie per 13 juni 2005 dient te worden bepaald op nihil. De vader heeft de draagkracht om nog steeds een alimentatie van € 13,- per kind per maand te voldoen. Hij vindt dat hij een bijdrage - hoe gering dan ook - behoort te leveren. Bovendien is de moeder ook in Marokko een echtscheidingsprocedure begonnen, waarin zij verzoekt om een (te) hoge alimentatie. Als de vader kan aantonen dat een andere rechtbank - in casu de Nederlandse - een alimentatie heeft vastgesteld en dat die ook daadwerkelijk wordt betaald, geldt naar het huidige Marokkaanse echtscheidingsrecht de Nederlandse betalingsverplichting in plaats van de vast te stellen Marokkaanse. In zijn tweede grief stelt de vader dat de rechtbank ten onrechte heeft bepaald dat de eerder door het hof vastgestelde bijdrage eerst dient te worden gewijzigd per 30 december 2004. De door het hof vastgestelde bijdrage van € 129,- per kind per maand heeft nimmer aan de wettelijke maatstaven voldaan, aldus de vader. Al sinds 5 maart 2003 had de vader onvoldoende draagkracht om deze bijdrage te voldoen, hetgeen hij in eerste aanleg genoegzaam heeft aangetoond. De vader verklaart in eerste aanleg niet in staat te zijn geweest alle nodige bescheiden over te leggen, aangezien zijn administratie door veelvuldige verhuizingen voor een groot deel verloren is gegaan. Volgens de vader was hij gedwongen steeds te verhuizen omdat de moeder hem lastig viel. In zijn derde en laatste grief stelt de vader dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat hetgeen te veel op de vader zou zijn verhaald niet aan hem dient te worden terugbetaald. De rechtbank gaat met haar redenering dat de kinderalimentatie een consumptief karakter heeft voorbij aan het feit dat de moeder een uitkering geniet en dat de ontvangen alimentatie uiteindelijk met de gemeente dient te worden verrekend, aldus de vader. Bovendien gaat de rechtbank naar zijn mening te gemakkelijk voorbij aan het feit dat de vrouw executiemaatregelen heeft getroffen in het zicht van de onderhavige procedure die gedurende de procedure niet zijn ingetrokken. Aangezien een procedure bij de rechtbank veel tijd kost, is de vader hierdoor in zijn financiële positie benadeeld. Volgens de vader kan de rechtbank hieraan niet zomaar voorbijgaan. Gezien het vorenstaande is de vader van mening dat de kinderalimentatie met ingang van 5 maart 2003 dient te worden vastgesteld op € 13,- per kind per maand, waarbij het eventueel door de vader te veel betaalde aan hem dient te worden terugbetaald.

5. De moeder verklaart dat zij de kinderalimentatie altijd slechts door middel van beslaglegging heeft kunnen ontvangen. Het bevreemdt haar dat de vader nu ineens een bijdrage wil leveren. Volgens de moeder is zijn oogmerk te ontkomen aan een door de Marokkaanse rechter opgelegde hogere kinderalimentatie. Voorts merkt zij op dat de vader stelt dat hij weinig kan bijdragen, maar, getuige zijn giroafschriften, wel stortingen op eigen rekening doet. De moeder vermoedt dat de vader naast zijn UWV-uitkering andere inkomsten heeft. Zij wenst hierover duidelijkheid te verkrijgen. Naar aanleiding van de tweede grief van de vader betwist de moeder dat de vader heeft moeten verhuizen omdat zij hem heeft lastiggevallen. Zij wil dat de vader omgang met de kinderen heeft. De vader onttrekt zich echter aan omgang en weigert zijn nieuwe adres bekend te maken. Volgens de moeder komt het kwijtraken van zijn administratie voor rekening en risico van de vader. Zij is met de rechtbank van mening dat de kinderalimentatie over de periode van 5 maart 2003 tot 30 december 2004 € 129,- per kind per maand dient te bedragen. Ten aanzien van de laatste grief van de vader stelt de moeder dat de rechtbank terecht heeft overwogen zoals zij heeft gedaan. De vader miskent volgens haar dat de gemeente niet met terugwerkende kracht een hoger bedrag aan aanvullende uitkering aan de moeder zal verstrekken bij verrekening van de eventueel te veel ontvangen alimentatie. De moeder betwist met klem dat zij executiemaatregelen heeft getroffen in het zicht van de procedure bij de rechtbank. Volgens haar was zij genoodzaakt een deurwaarder in te schakelen omdat de vader de door het hof op 26 november 2003 vastgestelde kinderalimentatie maar niet betaalde. De moeder wijst voorts op het ruime tijdsverloop tussen de vaststelling van voormelde kinderalimentatie en de indiening van het verzoekschrift tot wijziging daarvan. Ook in de onderhavige zaak heeft de vader pas aan het eind van de appeltermijn een beroepschrift ingediend. De nadelige gevolgen van een en ander dienen derhalve voor zijn rekening te komen, aldus de moeder. Gezien het vorenstaande is de moeder van mening dat de beschikking van de rechtbank in stand dient te blijven.

6. Het hof overweegt het volgende. Uit hetgeen in de stukken en ter terechtzitting naar voren is gekomen, is het hof voldoende gebleken dat de vader met zijn eerste grief beoogt een veroordeling door de Marokkaanse rechter tot het betalen van een hogere kinderalimentatie te voorkomen. Immers, de vader stelt dit met zoveel woorden in de toelichting op voormelde grief in zijn beroepschrift. Het hof acht dit geen te respecteren belang en zal de vader derhalve voor dit deel van zijn hoger beroep niet-ontvankelijk verklaren. Ten aanzien van de tweede grief van de vader is het hof van oordeel dat de vader zijn stelling dat hij reeds vanaf 5 maart 2003 niet in staat was de opgelegde alimentatieverplichting van € 129,- per kind per maand te voldoen, onvoldoende met gegevens uit de desbetreffende periode heeft onderbouwd. Weliswaar heeft de vader het hof op 25 januari 2006 nog aanvullende stukken waaronder een jaaropgaaf 2004 doen toekomen, maar overige relevante stukken zoals de jaaropgaaf 2003 en een draagkrachtberekening ontbreken. Het hof acht hetgeen de vader stelt omtrent het kwijtraken van een gedeelte van zijn administratie geen afdoende verklaring voor het niet overleggen van die gegevens. Ook is het hof niet gebleken dat de vader pogingen in het werk heeft gesteld de ontbrekende gegevens alsnog te achterhalen. Gezien het vorenstaande moet de vader nog altijd in staat worden geacht voor de periode van 5 maart 2003 tot 30 december 2004 de door het hof op 26 november 2003 vastgestelde kinderalimentatie te voldoen. Het verzoek van de vader ten aanzien van wijziging van de ingangsdatum van de door de rechtbank vastgestelde kinderalimentatie van € 13,- per kind per maand dient derhalve te worden afgewezen. Ten aanzien van de derde en laatste grief van de vader overweegt het hof als volgt. Het feit dat de moeder - die een uitkering geniet - de ontvangen kinderalimentatie uiteindelijk met de gemeente dient te verrekenen doet niet af aan het consumptieve karakter ervan. Bovendien ligt het niet in de rede en gaat het niet aan de lasten van eventueel te veel betaalde kinderalimentatie uiteindelijk op de gemeenschap af te wentelen. Ten aanzien van de executiemaatregelen - al dan niet getroffen in het zicht van de procedure in eerste aanleg - overweegt het hof ten slotte dat de vader door in gebreke te blijven ten aanzien van de betaling van de kinderalimentatie dergelijke maatregelen over zichzelf heeft afgeroepen. Nu de tweede en derde grief ook geen doel treffen, zal het hof de bestreden beschikking in zoverre bekrachtigen.

7. Gezien het vorenstaande dient als volgt te worden beslist.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

verklaart de vader niet-ontvankelijk in zijn beroep voor zover dit is gericht tegen de door de rechtbank bepaalde nihilstelling van de kinderalimentatie met ingang van 13 juni 2005;

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover overigens aan het oordeel van het hof onderworpen;

wijst het in hoger beroep meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Gerretsen-Visser, Reinking en Kamminga, bijgestaan door mr. De Witte-Renkema als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 oktober 2006.