Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AZ2081

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
18-10-2006
Datum publicatie
14-11-2006
Zaaknummer
125-H-06
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Gezamenlijk gezag. Geen omgang voor de vader met de kinderen vanwege zijn gedragingen. Schorsing zonder tijdslimiet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 18 oktober 2006

Rekestnummer. : 125-H-06

Rekestnr. rechtbank : F2 RK 04-1403

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. E.J.P. Nolet,

tegen

[verweerster],

wonende te [woonplaats],

verweerster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt.

Als belanghebbende is opgeroepen:

de raad voor de kinderbescherming,

vestiging Middelburg,

hierna te noemen: de raad.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 27 januari 2006 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te [x] van 27 oktober 2005.

De moeder heeft op 9 juni 2006 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 13 april 2006 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de raad is bij het hof op 1 juni 2006 het raadsrapport van 15 februari 2005 ingekomen.

Op 4 oktober 2006 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de advocaat van de vader, mr. T.S. Kessel, en de moeder, bijgestaan door haar advocaat, mr. P. Vermeulen. De vader is, hoewel daartoe behoorlijk opge-roepen, niet verschenen. Namens de raad is verschenen de heer F. Dekkers. De aanwezigen hebben het woord gevoerd, de advocaat van de vader onder meer aan de hand van de bij de stukken gevoegde pleitnotitie.

VASTSTAANDE FEITEN EN HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de beschikkingen van de rechtbank te Rotterdam van 16 november 2004 en 29 maart 2005.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET HOGER BEROEP

1. In geschil is de omgang tussen de vader en de minderjarige kinderen:

[kind 1], geboren op [geboortedatum], verder: [kind 1], en

[kind 2] geboren op [geboortedatum], verder: [kind 2],

hierna verder gezamenlijk te noemen: de kinderen.

2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen en, opnieuw rechtdoende, te bepalen dat hij omgang met de kinderen zal hebben:

- ieder weekeinde op zaterdag van 10.00 uur tot 19.00 uur, waarbij de kinderen door de ouders worden overgedragen bij het Centraal Station te [x];

- tijdens de schoolvakanties, in onderling overleg nader vast te stellen, rekening houdend met elkaars vakantieplannen, enkele nachten bij de vader logeren, een en ander conform het advies van de raad.

3. De moeder heeft het beroep van de vader gemotiveerd bestreden. Zij verzoekt het hof de vader in zijn beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans zijn verzoeken af te wijzen en de be-streden beschikking, desnoods onder verbetering van gronden, te bekrachtigen.

4. De vader stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er, gelet op zowel zijn gedrag als op hetgeen zich in het verleden had voorgedaan, geen reden was om de proef-omgangsregeling voort te zetten en dat de rechtbank ten onrechte zijn verzoek tot het vaststellen van een omgangsregeling heeft afgewezen. De vader stelt dat de rechtbank met deze beslissing onvoldoende rekening heeft gehouden met zowel zijn gevoelens op dat moment als met hetgeen hij tijdens de mondelinge behandeling naar voren heeft gebracht, te weten dat de kinderen bij hem beter af zijn dan bij de moeder. Hij stelt verder dat de rechtbank, door kortweg de omgangsregeling af te wijzen zonder enig nader onderzoek te doen naar de impasse die is ontstaan tijdens de mondelinge behandeling, niet in het belang van de kinderen heeft gehandeld. De vader stelt tot slot dat hij thans in staat is om met zijn emoties om te gaan, waardoor deze een omgangsregeling niet meer in de weg staan.

5. De moeder stelt dat zij en de kinderen, als gevolg van het feit dat zij hebben geleden onder de echtscheidingssituatie van partijen en met name onder het gedrag van de vader, op dit moment de cursus “Let op de kleintjes” volgen via het RIAGG . Zij stelt verder dat [kind 1] heeft aangegeven dat hij op dit moment geen contact met de vader wenst. De moeder stelt voorts dat het met de kinderen, afgezien van nog te verwerken spanningen en het te volgen hulpverleningstraject, op dit moment een stuk beter gaat, zowel op school als in het gezin. Naar haar mening zal de door de vader verzochte regeling slechts kunnen leiden tot hernieuwde destabilisering van de kinderen, hetgeen in strijd met hun belangen moet worden geacht. In dat kader stelt de moeder dat het van belang is dat de kinderen tot rust komen na een voor hen turbulente periode en dat de gevoelens van de vader en zijn emotionaliteit aan dat belang volstrekt ondergeschikt zijn.

6. De raad heeft ter zitting verklaard dat de uitlatingen en het gedrag van de vader tijdens en na de zitting bij de rechtbank zeer heftig zijn geweest. Volgens de raad zegt dat voldoende over de houding van de vader. De incidenten welke in augustus 2005 hebben plaatsgevonden, alsmede het gedrag van de vader tijdens en na de zitting bij de rechtbank, geven voor de raad aanleiding het advies in het raadsrapport van 15 februari 2005 niet langer te handhaven. De raad vreest dat de kinderen in de knel zullen komen wanneer er tussen hen en de vader omgang zal plaatsvinden.

7. Het hof oordeelt als volgt. In hoger beroep heeft de vader gesteld dat hij thans zeer wel in staat is om met zijn emoties om te gaan en dat dat derhalve geen belemmering meer hoeft te zijn voor het vaststellen van een omgangsregeling. Nu de man echter in hoger beroep niet ter zitting is verschenen, heeft het hof niet kunnen toetsen of hij daadwerkelijk bereid is er in te berusten dat de verblijfplaats van de kinderen bij de moeder is en dat hij zijn emoties onder controle heeft. Het feit dat de vader niet ter zitting is verschenen, om reden - zoals de raadsman van de vader ter zitting heeft gesteld - dat de vader bang is dat hij zijn emoties niet onder controle kan houden bij het zien van de moeder, sterkt het hof in zijn oordeel dat de rechtbank op goede gronden tot haar beslissing is gekomen. Het hof is met de rechtbank van oordeel dat het voor de kinderen van belang is dat er duidelijkheid en rust komt in hun leven. Naar ’s hofs oordeel zou een omgangsregeling op dit moment het onaanvaardbare risico met zich meebrengen dat daar afbreuk aan wordt gedaan, hetgeen in strijd is met de zwaarwegende belangen van de kinderen.

8. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt er toe dat de bestreden beschikking dient te worden bekrachtigd ten aanzien van de afwijzing door de rechtbank van het verzoek van de vader tot het vaststellen van een omgangsregeling. Gelet op het feit dat partijen gezamenlijk het gezag uitoefenen over de kinderen, verstaat het hof deze afwijzing aldus dat de uitoefening van het recht op omgang van de vader wordt geschorst.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

bekrachtigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Tanja-van den Broek, Van den Wildenberg en Van Montfoort, bijgestaan door mr. Vermaas als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 oktober 2006.