Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AZ1962

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-09-2006
Datum publicatie
15-11-2006
Zaaknummer
1594-R-05
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Kinderalimentatie. Ontvankelijkheid tegenverzoek. Toelaten vermeerdering verzoek. Becijfering draagkracht moeder.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 13 september 2006

Rekestnummer. : 1594-R-05

Rekestnr. rechtbank : F1 RK 02-789

[De vader],

wonende te [woonplaats],

verzoeker, tevens incidenteel verweerder, in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. H.C. Grootveld,

tegen

[de moeder],

wonende te [woonplaats],

verweerster, tevens incidenteel verzoekster, in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. P.A.M. Perquin.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De vader is op 28 december 2005 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank te Rotterdam van 14 oktober 2005.

De moeder heeft op 10 februari 2006 een verweerschrift tevens houdende incidenteel appel ingediend.

De vader heeft op 10 maart 2006 een verweerschrift op het incidenteel appel ingediend.

Van de zijde van de vader zijn bij het hof op 10 januari 2006, 24 maart 2006, 15 juni 2006 en 16 juni 2006 aanvullende stukken ingekomen.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 18 mei 2006 aanvullende stukken ingekomen.

Op 23 juni 2006 is de zaak mondeling behandeld. Verschenen zijn: de vader, bijgestaan door zijn advocaat, mr. J.P. Vandervoodt, en de moeder, bijgestaan door haar advocaat, mr. M.C.E. Eikenboom. Partijen en hun raadslieden hebben het woord gevoerd.

VASTSTAANDE FEITEN EN HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking en de beschikking van 17 maart 2003 van de rechtbank te Rotterdam.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTE-LE HOGER BEROEP

1. In geschil zijn ten aanzien van de kinderalimentatie, wijziging van het echtscheidingsconvenant en de draagkracht van de moeder. Voorts is in geschil het in eerste aanleg door de moeder gedane verzoek een kinderalimentatie ten laste van de man te bepalen over de periode 16 december 2002 tot 17 september 2003.

De minderjarige kinderen van partijen zijn:

- [de minderjarige sub 1], geboren [in] 1993,

- [de minderjarige sub 2], geboren [in] 1995.

2. De vader verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen, en opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de met ingang van 13 september 2003 als bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van de kinderen een bedrag van € 130,- per maand per kind zal voldoen.

3. De moeder bestrijdt zijn beroep en verzoekt incidenteel de bestreden beschikking te vernietigen waar het de afwijzing van de verzoeken van de moeder betreft, en opnieuw rechtdoende, te bepalen dat de vader gehouden is over de periode van 16 december 2002 tot 17 september 2003 aan de moeder te voldoen een bedrag van € 133,- per maand per kind, althans het bedrag dat de moeder aan het LBIO verschuldigd is geweest (tweemaal € 1.069,58) voor de opvang en verzorging van de kinderen in het pleeggezin. Voorts verzoekt de moeder de vader te veroordelen in de kosten van het geding. De vader verzet zich daartegen.

4. De vader stelt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat sprake is van een tardief verzoek. De vader wenst het geschil in volle omvang aan het hof voor te leggen.

Voorts stelt de vader dat sprake is van een wijziging van omstandigheden, waardoor hij in redelijkheid niet meer kan worden gehouden aan de inhoud van het convenant waarin hij akkoord ging met een nihilbeding ten aanzien van de bijdrage in de kosten van opvoeding en verzorging van de kinderen door de moeder. Het hof leest in de stellingen van de vader dat de wijziging van omstandigheden is gelegen in het feit dat het inkomen van de vader aanzienlijk is gedaald. Voorts stelt de vader dat de moeder voldoende draagkracht heeft om bij te dragen in de kosten van de kinderen. De vader meent dat het convenant derhalve niet meer voldoet aan de wettelijke maatstaven. De vader stelt dat de behoefte van de kinderen - mede gelet op de intensieve verzorging die zij nodig hebben als gevolg van de verwerking van traumatische ervaringen - kan worden gesteld op € 1.040,- per maand. De moeder is volgens de man in staat een bedrag van € 130,- per maand per kind te betalen.

5. Het hof leidt uit het betoog van de moeder af dat zij meent dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat het verzoek van de vader tardief is.

De moeder stelt dat de rechtbank terecht heeft overwogen, dat nu het vonnis van de rechtbank waarin het echtscheidingsconvenant is vernietigd, wederom is vernietigd door het gerechtshof te ’s-Gravenhage, dientengevolge het echtscheidingsconvenant in stand is gebleven. Volgens de moeder heeft de rechtbank voorts terecht overwogen dat de omstandigheid dat partijen bij het hof nadere afspraken hebben gemaakt met betrekking tot de verdeling van de gemeenschap niet afdoet aan hetgeen partijen met betrekking tot de kinderen bij convenant zijn overeengekomen. De moeder betwist dat de vader naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid niet gehouden kan worden aan het convenant. Verder meent de moeder dat de vader niet heeft gesteld, noch uit de stukken is gebleken dat het convenant met betrekking tot de alimentatie met grove miskenning van de wettelijke maatstaven tot stand is gekomen.

Voor zover de vader zich beroept op artikel 1:400 lid 2 BW, stelt de moeder dat niet uitdrukkelijk afstand is gedaan van een kinderbijdrage.

Ten aanzien van haar draagkracht stelt de moeder dat zij gelet op haar financiële situatie niet in staat is een bijdrage te leveren.

6. Het hof oordeelt als volgt.

Het zelfstandige verzoek van de vader

7. De vader heeft eerst bij zijn aanvullende verweerschrift een zelfstandig verzoek tot het vaststellen van kinderalimentatie ten laste van de moeder gedaan. De rechtbank heeft destijds het aanvullende verweerschrift ook daadwerkelijk als verweerschrift opgevat en de moeder heeft een verweerschrift op het zelfstandige verzoek ingediend. Derhalve is naar het oordeel van het hof een en ander in procedureel opzicht correct verlopen. Voorts overweegt het hof dat het op een laat tijdstip indienen van het zelfstandige verzoek door de vader is te verklaren door de gewijzigde omstandigheden. De moeder heeft echter adequaat kunnen reageren op het zelfstandige verzoek, zodat het hof van oordeel is dat het zelfstandige verzoek van de vader niet tardief is. Derhalve dient het verzoek van de vader inhoudelijk te worden beoordeeld.

Onderhoudsplicht van de moeder

8. Het hof verwerpt het betoog van de moeder dat zij, gelet op de inhoud van het convenant, niet in de behoefte van de kinderen hoeft bij te dragen. Weliswaar is uitgangspunt dat het convenant uiteindelijk in stand is gebleven - geen van partijen heeft tegen het desbetreffende oordeel van de rechtbank gegriefd -, maar in het convenant is niet bepaald dat de vader afstand doet van het recht op het ontvangen van kinderalimentatie ten laste van de moeder (welke bepaling overigens rechtskracht zou missen). Bepaald is slechts dat de moeder aan de vader ten behoeve van de kinderen geen bijdrage verschuldigd zal zijn. Aangezien geen niet-wijzigingsbeding is opgenomen, is deze bepaling voor wijziging vatbaar.

9. Anders dan de vader stelt is niet gebleken dat bedoelde afspraak met grove miskenning van de wettelijke maatstaven is aangegaan. Er kan echter wel sprake zijn van een wijziging van omstandigheden. De vader stelt in dit verband dat hij, in verband met de zorgen rondom de kinderen, in 2001 arbeidsongeschikt is geworden en sedertdien een WAO-uitkering ontvangt, hetgeen hij ook met stukken heeft onderbouwd. Nu aannemelijk is dat de destijds gemaakte afspraak mede was gebaseerd op de verhouding tussen de inkomens van partijen – de vader had, naar hij onweersproken heeft gesteld – tot 2001 een bloeiend bedrijf, levert dit een relevante wijziging van omstandigheden op, die noodzaakt tot beoordeling van behoefte en draagkracht.

10. Gelet op de inhoud van het echtscheidingsconvenant, alsmede gelet op het feit dat de vader eerst op 18 maart 2005 een zelfstandig verzoek tot vaststelling van een kinderbijdrage ten laste van de moeder heeft gedaan, hoefde de moeder naar het oordeel van het hof pas met ingang van laatstgenoemde datum rekening te houden met de mogelijkheid dat zij een kinderbijdrage aan de vader zou moeten gaan betalen. Derhalve oordeelt het hof dat de moeder eerst met ingang van 18 maart 2005 onderhoudsplichtig is.

Behoefte van de kinderen

11. De moeder heeft gesteld dat de behoefte van de kinderen, gelet op het netto gezinsinkomen ten tijde van het huwelijk, € 510,- per maand bedraagt. Desgevraagd heeft de vader ter zitting de juistheid van het bedrag erkend, zodat het hof van dat bedrag uitgaat.

Draagkracht van de moeder

inkomen

12. Uit de door de moeder overgelegde jaaropgaven over 2005 volgt dat haar bruto WW-uitkering € 10.298,- bedroeg en haar bruto inkomen bij [haar werkgever] € 4.874,-. Haar totale bruto inkomen in 2005 bedroeg derhalve € 15.172,-.

13. Het inkomen van de moeder in 2006 bedraagt blijkens de door haar overgelegde salarisspecificaties over de maanden januari 2006 en februari 2006 € 1.600,- bruto per maand, exclusief vakantiegeld.

woonlasten

14. Ter zitting heeft de moeder nader verklaard dat de rente van de hypothecaire geldlening ongeveer € 7.800,- per jaar bedraagt, hetgeen eveneens blijkt uit de door moeder overgelegde jaaropgaven over 2005 van de verschillende hypotheken. Gelet op het feit dat de huidige echtgenoot van de moeder in eigen levensonderhoud kan voorzien, wordt de helft van de woonlasten aan de moeder toegerekend.

ziektekosten

15. Uit een factuurspecificatie van Zilveren Kruis Achmea volgt dat de premie van de ziektekostenverzekering van de moeder € 109,- per maand bedraagt. Met dit bedrag houdt het hof rekening.

kosten kinderopvang

16. De moeder heeft ten aanzien van de kosten van de kinderopvang een tweetal plaatsingsbewijzen in het geding gebracht. Uit die plaatsingsbewijzen volgt dat de kosten in 2005 € 498,86 per maand bedroegen en in 2006 € 775,02 per maand. De vader heeft ter zitting de kosten betwist en daartoe aangevoerd dat de moeder niet heeft aangetoond dat feitelijk gebruik wordt gemaakt van de kinderopvang en dat de moeder evenmin betalingsbewijzen heeft overgelegd.

17. Gelet op hetgeen de moeder ten aanzien van de plaatsingsbewijzen ter zitting nader heeft verklaard, acht het hof het aannemelijk dat de moeder gebruik maakt van de kinderopvang en dat zij daarvoor de door haar gestelde kosten heeft. Het hof houdt derhalve rekening met de kosten van de kinderopvang, met dien verstande dat tevens rekening wordt gehouden met het feit dat de fiscus 1/6 deel van de kosten vergoedt en dat de huidige echtgenoot van de moeder de helft van het niet vergoede deel van de kosten dient te dragen.

18. Als productie 13 bij de op 18 mei 2006 bij het hof ingekomen stukken van de zijde van de moeder bevindt zich een “overzicht krediet ABN AMRO ten behoeve van mevrouw [X]. Voor zover de moeder hiermee heeft beoogd te stellen dat bij de berekening van haar draagkracht rekening moet worden gehouden met een bedrag aan aflossing op dit krediet, oordeelt het hof als volgt. Het hof zal geen rekening houden met enig bedrag terzake een krediet bij de ABN AMRO Bank, nu de moeder het bestaan van dit krediet niet aannemelijk heeft gemaakt. Het enkele overleggen van voornoemde productie, welke slechts een overzicht van een privé rekening betreft, is hiertoe onvoldoende. Het had op de weg van de moeder gelegen om de noodzaak tot het aangaan van dit door haar genoemde krediet aan te tonen. Voorts heeft de moeder niet aangetoond dat zij daadwerkelijk op het door haar genoemde krediet aflost.

19. De moeder heeft geen andere lasten opgevoerd, dan de hiervoor besproken lasten.

Het hof houdt voorts rekening met het gemiddelde van de bijstandsnorm voor een alleenstaande en een alleenstaande ouder, alsmede met een draagkrachtpercentage van 52,5.

20. Uit het vorenstaande volgt dat de moeder in de periode met ingang van 18 maart 2005 tot 1 januari 2006 geen draagkracht heeft om een kinderbijdrage aan de vader te betalen. De draagkracht van de moeder bedraagt met ingang van 1 januari 2006 € 25,- per maand per kind.

In incidenteel appel

21. De moeder stelt in het incidentele appel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat haar verzoek om over de periode van 16 december 2002 tot 17 september 2003 een kinderbijdrage vast te stellen tardief is, nu zij haar verzoek reeds op 8 maart 2002 heeft gedaan.

22. De vader betoogt weliswaar dat het begrip “tardief” door de rechtbank ook ten aanzien van de moeder ten onrechte is gebruikt, maar hij stelt dat de moeder over de genoemde periode geen kinderbijdrage toekomt omdat zij in die periode de kinderen niet ten laste had, terwijl zij wel de kinderbijslag ontving. Voorts stelt de vader dat hij in de betreffende periode zeer aanzienlijke kosten voor de kinderen heeft moeten maken.

23. Naar het oordeel van het hof is het verzoek van de moeder, te weten te bepalen dat de vader gehouden is over de periode van 16 december 2002 tot 17 september 2003 aan de moeder te voldoen een kinderbijdrage van € 133,- per maand per kind, evenmin tardief. Op grond van artikel 283 Rv kan een verzoeker het verzoek vermeerderen zolang de rechter nog geen eindbeschikking heeft gegeven. Nu de moeder in eerste aanleg verzoekster was, haar vermeerdering van het verzoek dateert van 9 augustus 2005 terwijl op dat moment nog geen eindbeschikking was gegeven, is het hof van oordeel dat de vermeerdering van het verzoek van de moeder beoordeeld dient te worden.

24. In de periode van 16 december 2002 tot 17 september 2003 hebben de kinderen in een pleeggezin gewoond. De moeder heeft gedurende die periode in totaal een bijdrage aan het Landelijk Bureau Inning Onderhoudsbijdragen (verder: LBIO) betaald van € 1.069,58 per kind. Per maand heeft de moeder derhalve een bedrag van € 119,- per maand per kind betaald.

25. Over de periode met ingang van 16 december 2002 tot 1 juli 2003 heeft de moeder aan kinderbijslag ontvangen een bedrag van € 69,85 per maand per kind. Met ingang van 1 juli 2003 heeft de moeder een kinderbijslag van € 71,49 per maand per kind ontvangen. Hieruit volgt dat de door de moeder ontvangen kinderbijslag niet dekkend was voor de kinderbijdragen die zij aan het LBIO heeft moeten voldoen. Het hof is van oordeel dat partijen het verschil tussen de feitelijk door de moeder betaalde kinderbijdragen en de door haar ontvangen kinderbijslag ieder voor de helft dienen te dragen. Wat betreft de periode met ingang van 16 december 2002 tot 1 juli 2003 bedraagt het verschil € 49,15 per maand per kind en in de periode met ingang van 1 juli 2003 tot 17 september 2003 bedraagt het verschil € 47,51 per maand per kind. De vader dient derhalve over de eerstgenoemde periode aan de moeder te betalen een bedrag van € 49,15 per maand en over de tweede genoemde periode een bedrag van € 47,51 per maand.

26. Het vorenstaande leidt tot de volgende beslissing.

BESLISSING OP HET PRINCIPALE EN HET INCIDENTELE HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking en, opnieuw beschikkende:

bepaalt dat de vader aan de moeder over de periode van 16 december 2002 tot 1 juli 2003 een bedrag van € 49,15 per maand dient te betalen en over de periode van 1 juli 2003 tot 17 september 2003 een bedrag van € 47,51 per maand;

wijst het verzoek van de vader af voor zover het betreft de periode tot 1 januari 2006;

bepaalt dat de moeder aan de vader met ingang van 1 januari 2006 een bedrag van € 25,- per maand per kind dient te betalen, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders verzochte af.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Labohm, van Nievelt en Tanja-van den Broek bijgestaan door mr. Vermaas als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 september 2006.