Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AZ1953

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
13-09-2006
Datum publicatie
15-11-2006
Zaaknummer
1320-D-05
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Vaststelling behoefte kinderalimentatie en berekening draagkracht. Wijziging omstandigheden door bereiken van 21jarige leeftijd door ander kind.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF ‘s-GRAVENHAGE

Familiesector

Uitspraak : 13 september 2006

Rekestnummer. : 1320-D-05

Rekestnr. rechtbank : 57541 FA-RK 04-8852

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verzoekster in hoger beroep,

hierna te noemen: de moeder,

procureur mr. S.F. van der Valk,

tegen

[verweerder],

wonende te [woonplaats],

verweerder in hoger beroep,

hierna te noemen: de vader,

procureur mr. M.M. Menheere.

PROCESVERLOOP IN HOGER BEROEP

De moeder is op 7 november 2005 in hoger beroep gekomen van een beschikking van de rechtbank Dordrecht van 10 augustus 2005.

De vader heeft op 20 december 2005 een verweerschrift ingediend.

Van de zijde van de moeder zijn bij het hof op 30 maart 2006 aanvullende stukken ingekomen.

Op 7 juni 2006 is de mondelinge behandeling – waarvan proces-verbaal – aangehouden, teneinde ook de vader in de gelegenheid te stellen daarbij aanwezig te zijn.

Op 12 juli 2006 is de mondelinge behandeling voortgezet. Verschenen zijn: de moeder, bijgestaan door haar advocaat, mr. A.Th. de Haan, en de vader, bijgestaan door zijn advocaat, mr. M.A. Bos. Partijen en hun raadslieden hebben het woord gevoerd.

Nadien is, volgens afspraak ter zitting, op 18 juli 2006 de jaaropgave 2005 van de vader bij het hof ingekomen.

Van de zijde van de moeder is bij het hof op 10 augustus 2006 een brief ingekomen waarin medegedeeld wordt dat partijen niet tot overeenstemming zijn gekomen.

VASTSTAANDE FEITEN EN HET PROCESVERLOOP IN EERSTE AANLEG

Voor het procesverloop en de beslissing in eerste aanleg verwijst het hof naar de bestreden beschikking van de rechtbank Dordrecht.

Het hof gaat uit van de door de rechtbank vastgestelde feiten, voor zover daar in hoger beroep geen grief tegen is gericht.

BEOORDELING VAN HET BEROEP

1. In geschil is de kinderalimentatie [voor de minderjarige], geboren [in] 1992, verder: [de minderjarige].

2. De moeder verzoekt de bestreden beschikking te vernietigen voor zover het betreft de afwijzing van haar verzoek de kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige] met ingang van 2 april 2003 te wijzigen, en, opnieuw beschikkende - uitvoerbaar bij voorraad - de kinderalimentatie voor [de minderjarige] alsnog te wijzigen en met ingang van 2 april 2003 vast te stellen op een bedrag van € 200,- per maand.

3. De vader bestrijdt haar beroep en verzoekt het hof de moeder in haar beroep niet-ontvankelijk te verklaren, althans haar beroep af te wijzen en de bestreden beschikking te bekrachtigen.

4. Ter onderbouwing van haar beroep stelt de moeder zich op het volgende standpunt. De moeder is van mening dat de rechtbank bij de bepaling van de behoefte van [de minderjarige] ten onrechte de situatie van partijen in de periode 1991 tot 1992 in aanmerking heeft genomen zonder rekening te houden met de toename van het inkomen van de vader sindsdien. Voorts stelt de moeder dat de rechtbank er ten onrechte vanuit is gegaan dat de in 1999 tussen partijen overeengekomen kinderalimentatie voor [de minderjarige] in overeenstemming was met de behoefte van [de minderjarige] en dat deze derhalve op € 98,32 per maand kan worden gesteld, vermeerderd met de wettelijke indexeringen sinds 2000. Ten tijde van het uiteengaan van partijen had de vader onvoldoende draagkracht om een hogere bijdrage te voldoen. De opgelegde kinderalimentatie is volgens de moeder begrensd door de draagkracht van de vader. Zijn draagkracht liet, aldus de moeder, slechts een kinderalimentatie toe van € 294,96 (ƒ 650,-) per maand voor de drie kinderen tezamen. Onder verwijzing naar het behoefteoverzicht van [de minderjarige] berekent de moeder de behoefte van [de minderjarige] op € 291,50 per maand. Gelet op de inkomens van zowel haarzelf als van de vader, meent de moeder dat een bijdrage van de vader van € 200,- per maand redelijk is. De draagkracht van de vader laat, aldus de moeder, deze bijdrage toe. De moeder betwist overigens dat het inkomen van de vader is gedaald. Verder stelt de moeder dat de rechtbank er ten onrechte vanuit gaat dat de behoefte van [de minderjarige] sinds 1999 niet is toegenomen. De moeder stelt dat het in het geval van kinderalimentatie gebruik is de toename van de draagkracht van de ouders door te berekenen in een hogere behoefte van de kinderen, voor zover de hoogte van de bijdragen voor de kinderen nog onder het op basis van de tabellen vermelde eigen aandeel van de ouders in de kosten van de kinderen is gebleven. Op grond van het vorenstaande concludeert de moeder dat de rechtbank haar verzoek ten onrechte heeft afgewezen.

5. De vader heeft het volgende aangevoerd. Uit de bijlage bij het rapport van de Werkgroep Alimentatienormen blijkt dat de verhoging van het inkomen van een ouder eerst invloed op de behoefte van het kind heeft, wanneer het inkomen hoger is dan het gezamenlijk gezinsinkomen ten tijde van de relatie. Het inkomen van de vader is sinds 1991 niet toegenomen. De vader beschikt niet meer over salarisspecificaties uit 1991, maar stelt dat hij toen voor dezelfde werkgever en in een vergelijkbare functie werkte, zodat zijn financiële omstandigheden al die jaren vergelijkbaar zijn. Het inkomen van de vader is zelfs iets gedaald. Er is derhalve geen sprake van een wijziging van omstandigheden die een wijziging van de tussen partijen gemaakte afspraak rechtvaardigt. Gelet op het inkomen van de vader in 1999, blijkt de destijds tussen partijen overeengekomen kinderalimentatie zelfs iets hoger dan de behoefte van de kinderen. De door de vader betaalde bijdrage komt overeen met zijn aandeel in de kosten van opvoeding en verzorging van de kinderen. Gezien de uitgangspunten van de Trema-normen en het feit dat het inkomen van de vader het gezamenlijk gezinsinkomen nimmer heeft overtroffen, is de rechtbank er terecht vanuit gegaan dat de behoefte van [de minderjarige] sinds 1999 niet is toegenomen. De kosten die de moeder feitelijk voor [de minderjarige] maakt, zijn naar de mening van de vader irrelevant. Ten slotte stelt de vader dat hij niet de draagkracht heeft om het door de moeder verzochte bedrag te betalen. Het verzoek van de moeder om de alimentatie met terugwerkende kracht tot 2 april 2003 vast te stellen dient van de hand te worden gewezen. De vader heeft nimmer rekening hoeven houden met het feit dat hij een hogere bijdrage zou moeten voldoen.

6. Het hof overweegt als volgt. Het hof zal eerst beoordelen of sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden op basis waarvan de behoefte van [de minderjarige] en de draagkracht van de vader opnieuw dient te worden beoordeeld. De verplichting tot het betalen van een bijdrage aan [een ander kind], is op 2 april 2003 beëindigd in verband met het bereiken van de 21-jarige leeftijd. Voor zover de alimentatie die partijen in 1999 zijn overeengekomen, was begrensd door de draagkracht van de vader, brengt een en ander met zich dat de verminderde alimentatieplicht een relevante wijziging van omstandigheden is. De moeder stelt dat de alimentatie destijds is bepaald aan de hand van de draagkracht van de vader, terwijl de vader zich op het standpunt stelt dat de overeengekomen alimentatie overeenkomstig de behoefte van (onder meer) [de minderjarige] was.

7. De behoefte van een kind wordt in het algemeen bepaald aan de hand van het netto gezinsinkomen tijdens het huwelijk/de relatie van de ouders. Indien het netto inkomen van een van de ouders na het uiteengaan van de ouders het voormalig gezinsinkomen te boven gaat, wordt de behoefte afgeleid uit dit hogere netto inkomen. Het hof beschikt over onvoldoende informatie om het netto gezinsinkomen van de ouders ten tijde van hun relatie vast te kunnen stellen. Gelet hierop, en met inachtneming van het feit dat partijen in 1999 afspraken hebben gemaakt omtrent de betaling van alimentatie, zal het hof de behoefte van [de minderjarige] bepalen aan de hand van het inkomen dat partijen in 1999 genoten, waarbij het hof in acht neemt dat niet is gebleken dat het huidige inkomen van de vader het toenmalige gezinsinkomen in grote mate overstijgt. Uit de jaaropgave 1999 van de vader blijkt dat het bruto jaarinkomen van de vader destijds ƒ 76.684,- (€ 34.797,68) bedroeg. Dit komt overeen met een netto maandinkomen van ongeveer ƒ 4.100,- (€ 1.860,-) per maand. De moeder heeft onbetwist gesteld dat zij in 1999 rond bijstandsniveau verdiende. Met inachtneming van de toenmalige bijstandsnorm gaat het hof uit van een netto inkomen van de moeder in 1999 van ongeveer € 600,- per maand. Het totale netto gezinsinkomen bedroeg destijds derhalve ongeveer € 2.460,- per maand. Rekening houdende met de tabel ‘Eigen aandeel kosten van kinderen’ 1999 en het feit dat destijds drie kinderen deel uitmaakten van het gezin van de moeder, bedroeg de totale behoefte van de drie kinderen in 1999 ongeveer € 600,- per maand. Gelet op de hoogte van de beide inkomens, acht het hof het aannemelijk dat de bijdrage van de vader in de kosten van de kinderen substantieel hoger zou hebben moeten zijn dan € 294,96 per maand, zodat het hof er vanuit gaat dat de alimentatie in 1999 is gebaseerd op de draagkracht van de vader. Nu de draagkracht van de vader is gewijzigd sinds 2 april 2003, brengt een en ander met zich dat met ingang van die datum sprake is van een relevante wijziging van omstandigheden.

8. De moeder heeft de behoefte van [de minderjarige] gesteld op € 291,50 per maand. De vader stelt dat uitgegaan dient te worden van de tremanormen. Het hof overweegt als volgt. De vader heeft het behoefteoverzicht van [de minderjarige] als zodanig niet betwist. Mede nu het hof er vanuit gaat dat de totale behoefte van [de minderjarige] in 1999 € 200,- per maand bedroeg, acht het hof het overgelegde behoefteoverzicht aannemelijk. Het hof stelt de huidige behoefte van [de minderjarige] derhalve op € 291,50 per maand. De moeder heeft het aandeel van de vader in de kosten van [de minderjarige] gesteld op € 200,- per maand. De vader heeft dat aandeel niet betwist, zodat ook het hof hier vanuit zal gaan.

9. Omtrent de draagkracht van de vader overweegt het hof als volgt. Het hof houdt rekening met een jaarinkomen van de vader in 2003 van € 38.583,- in 2004 van € 35.304,- en in 2005 van € 37.304,-.

10. De vader was ziekenfondsverzekerd. Het hof houdt rekening met een aanvullende ziekenfondspremie in 2003 van € 47,10 per maand in 2004 van € 62,50 per maand en in 2005 van € 72,10 per maand, een en ander verminderd met de gemiddelde nominale premie.

11. De vader heeft onbetwist gesteld dat zijn huurlast in 2003, € 392,30 per maand bedroeg, in 2004 € 403,70 per maand en in 2005 € 410,70 per maand.

12. Het hof houdt verder rekening met een onbetwiste begrafenis- en gedenktekenverzekering bij Dela Verzekeringen N.V. van in totaal € 13,84 per maand.

13. Het hof houdt tot oktober 2006 rekening met de (geïndexeerde) bijdrage die de vader, mede op basis van de bestreden beschikking, verschuldigd is ten behoeve van [kind 3]. Op 15 oktober 2006 wordt [kind 3] 21 jaar, zodat de plicht tot het voldoen van een bijdrage met ingang van die maand zal komen te vervallen. Ter zitting heeft de vader bevestigd dat zijn betaling aan [kind 3] alsdan zal stoppen. Het hof is van oordeel dat de vader niet dan wel onvoldoende heeft aangetoond dat hij structureel een bijdrage ten behoeve van [kind 4] voldoet. Hierbij overweegt het hof dat een bijdrage die de vader (incidenteel) aan Wehkamp voldoet, niet gezien wordt als kinderalimentatie.

14. De moeder heeft de noodzaak van het aangaan van de schuldenlast van de vader niet betwist, zodat het hof tot 1 september 2005 rekening zal houden met een gestelde aflossing van een schuld bij de DSB Voorschotbank van € 105,45 per maand en een aflossing van € 204,20 bij Crediam. Met ingang van 1 september 2005 heeft de vader een doorlopend krediet afgesloten bij Frisia Financieringen. Hierin zijn onder meer de schulden bij de DSB Voorschotbank en Crediam onder gebracht. De aflossing bedraagt € 270,- per maand.

15. Aangezien de moeder de kosten voor rechtsbijstand niet heeft betwist, zal het hof rekening houden met het gestelde bedrag van € 75,- per maand.

16. De vader is alleenstaande zodat het hof de alleenstaandennorm en een draagkrachtpercentage van 60% zal hanteren.

17. Anders dan de vader meent, is het hof van oordeel dat de draagkracht van de vader beoordeeld zal moeten worden met ingang van 2 april 2003, aangezien de alimentatieplicht van de vader met ingang van die datum is gewijzigd, en de vader op dat moment reeds minder betaalde dan hij op grond van de afspraken tussen partijen zou moeten betalen, zodat hij er rekening mee heeft kunnen houden dat de moeder hem in rechte zou betrekken.

18. Uit dit alles volgt dat de draagkracht van de vader vanaf 2 april 2003 een alimentatie toelaat van € 200,- per maand voor [de minderjarige], zodat de bestreden uitspraak dient te worden vernietigd.

19. Mitsdien beslist het hof als volgt.

BESLISSING OP HET HOGER BEROEP

Het hof:

vernietigt de bestreden beschikking voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen en, in zoverre opnieuw beschikkende:

bepaalt de door de vader aan de moeder te betalen kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige] met ingang van 2 april 2003 op € 200,- per maand, wat de na heden te verschijnen termijnen betreft bij vooruitbetaling te voldoen;

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

Deze beschikking is gegeven door mrs. Husson, Gerretsen-Visser en Tanja-van den Broek, bijgestaan door mr. Sijbesma als griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 september 2006.