Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AZ1797

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
26-07-2006
Datum publicatie
08-11-2006
Zaaknummer
BK-04/02230
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WOZ; eerste waardebeschikking stond niet onherroepelijk vast; Inspecteur heeft voortijdig uitspraak gedaan op bezwaar

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2007/153
FutD 2006-2063
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

GERECHTSHOF TE 's-GRAVENHAGE

zevende enkelvoudige belastingkamer

26 juli 2006

nummer BK-04/02230

UITSPRAAK

op het beroep van belanghebbende te plaatsnaam tegen de uitspraken van de Inspecteur, betreffende de hierna onder 1.2 te noemen beschikkingen.

1. Beschikkingen en bezwaar

1.1 Bij op één biljet met het nummer 211245, gedagtekend 29 november 2003, verenigde beschikkingen als bedoeld in artikel 25 van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) is de waarde van de onroerende zaak, plaatselijk bekend als straatnaam nr. te plaatsnaam (hierna: de woning), vastgesteld op € 173.850 per 1 januari 1999 (de waardepeildatum). Deze beschikkingen zijn geldig van 1 januari 2002 tot en met 31 december 2004 en zijn geadresseerd aan belanghebbende als eigenaar onderscheidenlijk gebruiker. Hierna worden deze beschikkingen tezamen aangeduid als: de eerste beschikking.

1.2 Bij op één biljet met het nummer 211319, gedagtekend 29 november 2003, verenigde beschikkingen als bedoeld in artikel 25 van de Wet WOZ is de waarde van de woning vastgesteld op € 322.250 op de waardepeildatum. Deze beschikkingen zijn geldig van 1 januari 2003 tot en met 31 december 2004 en zijn geadresseerd aan belanghebbende als eigenaar onderscheidenlijk gebruiker. Hierna worden deze beschikkingen tezamen aangeduid als: de tweede beschikking.

1.3 Belanghebbende heeft tegen de eerste beschikking en de tweede beschikking bezwaarschriften ingediend. Bij uitspraken, vervat in afzonderlijke geschriften, heeft de Inspecteur het bezwaar in beide gevallen ongegrond verklaard.

2. Loop van het geding

2.1 Belanghebbende is van de bovenvermelde uitspraken in beroep gekomen bij het Hof. De griffier heeft aan het beroep tegen de uitspraken betreffende de eerste beschikking het kenmerk BK-04/02231 en aan dat betreffende de tweede beschikking het onderhavige kenmerk BK-04/02230 toegekend. De zaken zijn tegelijkertijd behandeld.

2.2 In verband met het onderhavige beroep is door de griffier een griffierecht geheven van € 37. De Inspecteur heeft een verweerschrift ingediend.

2.3 De eerste mondelinge behandeling van de onder 2.1 genoemde zaken heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 31 augustus 2005, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

2.4 Na de sluiting van het onderzoek ter zitting heeft het Hof, naar aanleiding van een brief van belanghebbende, ingekomen op 7 september 2005, het onderzoek in de zaken heropend, waarna tussen het Hof en partijen een briefwisseling heeft plaatsgevonden.

2.5 Een nader onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad ter zitting van het Gerechtshof van 7 december 2005, gehouden te Den Haag. Aldaar zijn beide partijen verschenen. Bij het einde van deze mondelinge behandeling heeft het Hof meegedeeld dat het, alvorens in de onderhavige zaak uitspraak te doen, in elk geval zal wachten tot duidelijk is of partijen in de aangezegde uitspraak op het beroep betreffende de eerste beschikking berusten. Van het verhandelde ter zitting is een proces-verbaal opgemaakt.

2.6 Op 12 december 2005, derhalve na de sluiting van het onderzoek ter zitting, is ter griffie van het Hof een brief van belanghebbende ingekomen, waarop het Hof bij de beoordeling van het beroep geen acht heeft geslagen.

2.7 Op het beroep inzake de eerste beschikking heeft het Hof op 21 december 2005 mondeling uitspraak gedaan. Op 23 december 2005 zijn afschriften van het proces-verbaal van die uitspraak aan partijen verzonden. Belanghebbende heeft daartegen beroep in cassatie bij de Hoge Raad ingesteld. Op 12 juli 2006 heeft het Hof die mondelinge uitspraak vervangen door een schriftelijke.

3. Vaststaande feiten

Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil, dan wel door een van hen gesteld en door de wederpartij niet of onvoldoende weersproken, het volgende komen vast te staan:

3.1 Belanghebbende heeft de woning in het najaar van 2001 gekocht voor een bedrag van € 331.260, inclusief een bedrag van € 95.520 aan grondkosten en exclusief € 12.990 aan meerwerk betreffende een stenen vloer en de inrichting van keuken.

3.2 De woning, een huis in een rij, was ten tijde van de koop in aanbouw. Op 1 januari 2002 was de bouw van de woning gevorderd tot 30 percent. Medio 2002 is de woning opgeleverd. Vóór 1 januari 2003 was de bouw van de woning voltooid.

3.3 Bij de eerste beschikking heeft de Inspecteur de waarde van de woning, naar de staat waarin die op 1 januari 2002 verkeerde en naar het waardepeil van 1 januari 1999, bepaald op € 173.850 (ƒ 383.115).

3.4 Bij de tweede beschikking heeft de Inspecteur de waarde van de woning, naar de staat waarin die op 1 januari 2003 verkeerde en naar het waardepeil van 1 januari 1999, bepaald op € 322.250 (ƒ 710.145).

4. Omschrijving geschil en standpunten van partijen

4.1 Tussen partijen is in geschil op welk bedrag de waarde van de woning op de waardepeildatum bij de tweede beschikking moet worden vastgesteld. Belanghebbende bepleit een waarde van € 220.000 terwijl de Inspecteur in beroep verdedigt dat die waarde € 305.000 bedraagt.

4.2 Voor de standpunten van partijen en de gronden waarop zij deze doen steunen, verwijst het Hof verder naar de gedingstukken.

5. Beoordeling van het beroep

Voor een (mutatie-)beschikking als de onderhavige is slechts plaats indien de waardestijging sedert de vorige waardevaststelling de in artikel 19 van de Wet WOZ omschreven drempel heeft overschreden. Of aan dat vereiste is voldaan, kan eerst worden beoordeeld wanneer die vorige waardevaststelling onherroepelijk is. Dit laatste is blijkens het vermelde onder 2.7 niet het geval. Dit houdt in dat de Inspecteur voortijdig uitspraak heeft gedaan op het onderhavige bezwaar. Mitsdien zal het Hof de uitspraken op het bezwaar tegen de tweede beschikking vernietigen en de Inspecteur opdragen opnieuw op dat bezwaar te beslissen nadat de eerste beschikking onherroepelijk is komen vast te staan.

6. Proceskosten en griffierecht

6.1 Het Hof acht geen termen aanwezig voor een veroordeling in de proceskosten als bedoeld in artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht omdat het Hof in zijn uitspraak op het voornoemde beroep met het kenmerk BK-04/02231 aan belanghebbende een volledige proceskostenvergoeding heeft toegekend.

6.2 Wel dient de gemeente Zoetermeer het voor deze zaak gestorte griffierecht aan belanghebbende te vergoeden.

7. Beslissing

Het Gerechtshof:

- verklaart het beroep gegrond,

- vernietigt de uitspraken waarvan beroep,

- draagt de Inspecteur op, nadat de eerste beschikking onherroepelijk zal zijn komen vast te staan, opnieuw bij uitspraak op het bezwaar inzake de tweede beschikking te beslissen ,

- gelast de gemeente Zoetermeer het voor deze zaak gestorte griffierecht van € 37 aan belanghebbende te vergoeden.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. Schuurman. De beslissing is op 26 juli 2006 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van de griffier.

(Otto) (Schuurman)

aangetekend aan

partijen verzonden:

Ieder van de partijen kan binnen zes weken na de verzenddatum van deze uitspraak beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden. Daarbij moet het volgende in acht worden genomen:

1. Bij het beroepschrift wordt een kopie van deze uitspraak gevoegd.

2. Het beroepschrift wordt ondertekend en bevat ten minste:

- de naam en het adres van de indiener;

- de dagtekening;

- de vermelding van de uitspraak waartegen het beroep in cassatie is

gericht;

- de gronden van het beroep in cassatie.

Het beroepschrift moet worden gezonden aan de Hoge Raad der Nederlanden (belastingkamer), Postbus 20303, 2500 EH Den Haag.

De partij die beroep in cassatie instelt is griffierecht verschuldigd en zal daarover bericht ontvangen van de griffier van de Hoge Raad. In het cassatieberoepschrift kan worden verzocht de wederpartij te veroordelen in de proceskosten.

??

nummer BK-04/02230 blz. 5/1