Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AZ1562

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
28-09-2006
Datum publicatie
06-11-2006
Zaaknummer
03/959
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Bestuursdwang.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE, eerste civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van:

[APPELLANT],

wonende te [plaatsnaam],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr. P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt,

tegen

de PROVINCIE ZUID-HOLLAND,

zetelende te 's-Gravenhage,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Provincie,

procureur: mr. R. Lever

Het geding in hoger beroep

Bij exploot van 15 juli 2003 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 16 april 2003 door de rechtbank 's-Gravenhage tussen partijen gewezen. Bij memorie van grieven heeft [appellant] elf grieven tegen het vonnis aangevoerd welke grieven door de Provincie bij memorie van antwoord zijn bestreden. Op 19 juni 2006 hebben partijen hun zaak, in combinatie met de zaak met rolnummer 02/62, doen bepleiten, [appellant] door mr. Th.J.H.M. Linssen, advocaat te Tilburg, en de Provincie door haar procureur. Tenslotte hebben partijen stukken gefourneerd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Tegen de feiten die de rechtbank onder 1 van haar vonnis heeft vastgesteld is niet opgekomen zodat ook het hof van die feiten uitgaat. Uit die feiten en op basis van de niet weersproken inhoud van de overgelegde stukken blijkt dat het in deze zaak gaat om het volgende.

2. Bij besluit van 15 april 1998 hebben Gedeputeerde Staten van de Provincie, onder aanzegging van bestuursdwang en kostenverhaal, [appellant] gelast om binnen zes weken de inrichting als bedoeld in artikel 1.1 van de Wet milieubeheer (hierna: Wm), gelegen aan de [straat, plaatsnaam], in zijn geheel te ontruimen en daartoe te ontdoen van alle aldaar aanwezige goederen, stoffen, materieel en materialen, in die zin dat de overtreding van artikel 8.1 Wm ongedaan wordt gemaakt (hierna: het besluit). Het verzoek van [appellant] tot schorsing van het besluit is door de Voorzitter van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (hierna: ABRvS) afgewezen. Verder is het door [appellant] tegen het besluit aangetekende bezwaar alsmede het daarop ingestelde beroep bij de ABRvS ongegrond verklaard.

3. Nadat bij controlebezoek van medewerkers van de onder de Provincie ressorterende DCMR Milieudienst Rijnmond (hierna: DCMR) was vastgesteld dat [appellant] niet, althans niet voldoende, aan de in het besluit gegeven last had voldaan, heeft de Provincie de voorbereiding van de aangezegde bestuursdwang ter hand genomen. De uitvoering van de bestuursdwang heeft vervolgens plaatsgevonden van 2 tot en met 5 november 1998.

4. In verband met de gemaakte voorbereidingskosten, berekend tot 21 oktober 1998, heeft de Provincie bij dwangbevel van 26 oktober 1998 een bedrag van ƒ 29.578,40 op [appellant] verhaald. Tegen dit dwangbevel is [appellant] in verzet gekomen. De rechtbank heeft dit verzet gegrond verklaard voor zover de gevorderde hoofdsom een bedrag van ƒ 24.995,89 te boven gaat. [appellant] is in hoger beroep gegaan tegen dit vonnis. In de zaak met (hof) rolnummer 02/62 heeft het hof bij arrest van 18 februari 2004 de zaak naar de rol verwezen voor het nemen van een akte door de Provincie. Nadat de Provincie een akte en [appellant] een antwoordakte had genomen en beide partijen hun zaak hadden bepleit, heeft het hof heden in die zaak eveneens arrest gewezen.

5. Bij brief van 9 augustus 2001 heeft de Provincie in totaal ƒ 124.032,51 aan [appellant] in rekening gebracht betreffende de kosten van de uitvoering van bestuursdwang. Ter zake heeft de Provincie op 11 september 2001 een dwangbevel uitgevaardigd. [appellant] heeft hiertegen verzet gedaan. In de onderhavige procedure vordert [appellant] in hoofdzaak een verklaring voor recht dat hij zich terecht verzet tegen het dwangbevel en de tenuitvoerlegging daarvan, althans de tenuitvoerlegging van het dwangbevel buiten effect te stellen.

6. Bij vonnis van 16 april 2003 heeft de rechtbank het verzet van [appellant] tegen het dwangbevel gegrond verklaard voor zover het ingevorderde bedrag ƒ 74.014,93 overschrijdt. Tegen dit vonnis komt [appellant] op met elf grieven.

7. De eerste twee grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling. De eerste grief ziet op de basis van de toetsing (rechtsoverweging 3.1 van het bestreden vonnis), de tweede grief handelt over onvolledige toepassing van het geschapen kader (rechtsoverweging 3.3. van het vonnis).

8. Anders dan [appellant] aanvoert geldt dat de rechter in een verzetprocedure in beginsel ervan dient uit te gaan dat het besluit tot aanzegging van bestuursdwang, zo de daartegen openstaande rechtsgang niet is gebruikt dan wel niet tot vernietiging heeft geleid, zowel wat de inhoud als wat de wijze van totstandkoming betreft in overeenstemming is met de desbetreffende wettelijke voorschriften en algemene rechtsbeginselen. Wel heeft de rechter in de verzetprocedure de vrijheid om de last tot een concreet omschreven prestatie, zoals in het onderhavige besluit tot aanzegging van bestuursdwang, naar doel en strekking ervan uit te leggen (HR 8 november 2002, NJ 2002, 613). De door [appellant] bepleite verdergaande vrijheid van de verzetrechter vindt geen steun in het recht.

9. De rechtbank heeft het hierboven beschreven kader op juiste wijze toegepast. [appellant] heeft geen feiten of omstandigheden gesteld die de aan de consequenties van het formele-rechtskrachtbeginsel verbonden bezwaren zo klemmend maken dat op dat beginsel in dit geval een uitzondering zou moeten worden gemaakt. Bij besluit van 15 april 1998 is [appellant] gelast de bij hem in gebruik zijnde inrichting aan de Walinxweg 2 te Rockanje in zijn geheel te ontruimen en daartoe te ontdoen van alle aldaar aanwezige goederen, stoffen, voorwerpen, materieel en materialen. Nu [appellant] heeft nagelaten voor ontruiming zorg te dragen, was de Provincie bevoegd de gehele inrichting te ontruimen en alle goederen af te voeren. Of daarbij ook materialen zijn afgevoerd die gebruikt zouden kunnen worden in een agrarische inrichting staat in het kader van de verzetprocedure niet ter beoordeling, omdat in de bestuursrechtelijke procedure is komen vast te staan dat de inrichting in haar geheel moest worden ontruimd. De Provincie heeft derhalve niet onrechtmatig gehandeld door bij de toepassing van bestuursdwang alle aangetroffen zaken van het terrein te verwijderen. Voor zover achteraf bleek dat daarbij materialen waren meegenomen die [appellant] voor andere doeleinden dan in het kader van een bedrijfsafvalstoffeninrichting zou gebruiken, zijn deze later aan [appellant] teruggegeven.

10. [appellant] heeft aangeboden te bewijzen dat er ten tijde van de uitvoering van de bestuursdwang op het perceel alleen nog maar agrarische producten waren, omdat hij zelf veel materialen had afgevoerd. Dit bewijsaanbod moet worden gepasseerd. Zoals hiervoor aangegeven mochten alle aangetroffen materialen van het terrein verwijderd worden, dus ook producten die agrarische doeleinden konden dienen. Alleen indien de situatie na de bestuursdwangaanschrijving zodanig was veranderd dat er geen sprake meer was van afvalstoffenopslag, kan het onredelijk zijn aan de bestuursdwang (verdere) uitvoering te geven. Daartoe heeft [appellant] echter onvoldoende gesteld. Tegenover de door de Provincie overgelegde foto's waarop vele aanwezige afvalstoffen te zien zijn, heeft Van de Poel niet gesteld dat hij alle op de foto's getoonde afvalstoffen reeds zelf vóór de ontruiming had afgevoerd. Bovendien blijkt ook uit de door [appellant] zelf gemaakte lijst van afgevoerde goederen, die hij als productie 2 bij de conclusie van repliek in oppositie heeft overgelegd, dat er nog veel afvalstoffen op het terrein aanwezig waren.

11. De derde grief is gericht tegen de rekening van Alex Stewart voor zover deze betrekking heeft op de kosten van milieukundig onderzoek van het puingranulaat (repak). Gezien het feit dat [appellant] niet heeft gereageerd op de brief van 11 september 1998 van de Provincie (waarin werd gevraagd om verklaringen van herkomst en kwaliteit van alle op de locatie aanwezige partijen repak), kon niet zonder nader onderzoek - hetgeen Alex Stewart heeft uitgevoerd - worden vastgesteld of en in hoeverre de repak vervuild was. Dat [appellant] achteraf repak heeft teruggekregen om te gebruiken voor erfverharding, betekent niet dat onderzoek naar eventuele verontreiniging niet nodig was, reeds omdat als onbetwist vaststaat dat een groot deel van de repak (ongeveer 160 m³ van 200 m³) niet kon worden teruggegeven. De desbetreffende kosten van Alex Stewart zijn terecht in rekening gebracht. De grief is dus ongegrond.

12. De vierde grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de waarde van de door RDM getaxeerde zaken aan [appellant] ten goede is gekomen en dat de door RDM verrichte taxatie niet onjuist was, zodat de kosten van die taxatie voor zijn rekening komen. Hij stelt dat RDM terzake niet deskundig is en dat de waarde van de desbetreffende zaken fors hoger was. Hij heeft bij conclusie van repliek die waarde voor de (tweedehands) stelconplaten gesteld op ƒ 9.766,25. Ten aanzien van de verwijderde kantoorunit heeft hij gesteld dat die meer waard is dan geschat. In zijn conclusie van repliek schat hij de waarde op ƒ 4.500,-. In dit kader heeft hij voorts gesteld dat de Provincie had moeten nagaan of de kantoorunit had kunnen worden gelegaliseerd. [appellant] voert voorts aan dat de bepalingen uit de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) ter zake van het handelen met in het kader van bestuursdwang meegevoerde zaken zijn overtreden. De vijfde grief keert zich tegen het feit dat de rechtbank het bewijsaanbod van [appellant], dat een aantal goederen is weggevoerd dat niet in de taxatie is meegenomen, heeft gepasseerd. Hij stelt dat deze goederen, tezamen met de wel getaxeerde goederen, opnieuw moeten worden getaxeerd. De grieven lenen zich voor gezamenlijke behandeling.

13. Anders dan [appellant] stelt, behoefde de Provincie niet meer na te gaan of de kantoorunit kon worden gelegaliseerd. Aangezien de kantoorunit onderdeel was van de inrichting die zonder vergunning als afvalstoffeninrichting in gebruik was, en onherroepelijk vaststond dat de afvalstoffeninrichting in haar geheel moest worden verwijderd, gold dat ook voor de kantoorunit. Het verweer dat deze moest worden gespaard omdat legalisatie mogelijk was, behoorde in de bestuursrechtelijke procedure ter zake van de lastgeving thuis. Met betrekking tot de taxatie heeft te gelden dat, anders dan [appellant] kennelijk meent, het feit dat RDM niet als beëdigd taxateur is ingeschreven, niet betekent dat de taxatie onjuist is geweest of moet worden overgedaan. De wet eist geen taxatie door een beëdigd taxateur. Voor de andere (deels beweerdelijk) ontruimde zaken dan de stelconplaten en de kantoorunit heeft [appellant] ook in hoger beroep niet meer gesteld dan dat zij een "hogere" economische waarde vertegenwoordigen dan de getaxeerde of dat ze een "zekere" economische waarde vertegenwoordigen. Dat is onvoldoende om [appellant] toe te laten tot het bewijs dat de desbetreffende goederen een waarde hadden die niet door de Provincie is verdisconteerd. Ter zake van de goederen waarvan door de Provincie is betwist dat ze zijn verwijderd, heeft [appellant] zijn stelling dat dat wel het geval is op geen enkele wijze onderbouwd. Ook op dit punt komt het hof niet toe aan bewijslevering door [appellant].

14. Met betrekking tot de van belang zijnde regels uit de Awb overweegt het hof als volgt. Onbetwist is gebleven dat aan [appellant] op 7 november 1998 een afschrift van het proces-verbaal van de ontruiming ter beschikking is gesteld. De stelling van [appellant] dat het betreffende stuk niet als zodanig kan gelden nu daarbij niet een taxatierapport is overgelegd, vindt geen steun in het recht. Niet is gesteld of gebleken dat de ontruimde zaken binnen twee weken na de verstrekking van het afschrift zijn vernietigd of vervreemd, zodat overtreding van artikel 5:30, derde lid, Awb niet aan de orde komt. De Provincie stelt niet dat zij de ontruimde zaken 13 weken heeft bewaard (zoals bedoeld in artikel 5:30, tweede lid, Awb), maar zij beroept zich erop dat de kosten van de bestuursdwang vermeerderd met de nog te maken kosten onevenredig hoog werden, zodat zij eerder tot vervreemding of vernietiging mocht overgaan (artikel 5:30, tweede lid, Awb). Gelet op de overgelegde en tot nu toe onvoldoende gemotiveerd betwiste taxatie van de zaken acht het hof dit beroep niet ongerechtvaardigd. Voor zover [appellant] zich erop beroept dat hij om teruggave heeft gevraagd en dat de Provincie aan dat verzoek had moeten voldoen, miskent hij dat de Provincie daartoe slechts verplicht is nadat [appellant] als overtreder de kosten van de bestuursdwang heeft voldaan (artikel 5:29 Awb). Niet is gesteld of gebleken dat [appellant] dat heeft gedaan of zich daartoe tegenover de Provincie bereid heeft getoond. De door [appellant] terzake ter onderbouwing naar voren gebrachte brieven van Kruithof houden daarover in elk geval niets in. Naar het oordeel van het hof zijn de desbetreffende regels derhalve niet overtreden.

15. Resteert derhalve slechts de waarde van de verwijderde stelconplaten en kantoorunit. Nu de door [appellant] gestelde waarde door de Provincie gemotiveerd wordt betwist, zal [appellant] worden toegelaten te bewijzen dat op het tijdstip van de ontruiming de stelconplaten en de kantoorunit een waarde hadden van ƒ 9.766,25, onderscheidenlijk ƒ 4.500,-, althans hoger dan door de Provincie getaxeerd (ƒ 200,- en ƒ 100,-).

16. Met de zesde grief maakt [appellant] bezwaar tegen de verwijdering van de stelconplaten. Nu de rechtbank het dwangbevel buiten effect heeft gesteld ten aanzien van de volledige rekening van Dijkers en Pijl, behoeft hij de kosten van verwijdering van de stelconplaten niet te betalen. De stelling van de Provincie dat [appellant] de stelconplaten niet mocht gebruiken op grond van de aanlegvergunning omdat deze vergunning een klinkerverharding betrof, heeft [appellant] nimmer weersproken, ook niet in hoger beroep, zodat dit vaststaat. De stelling van [appellant] dat de verwijdering van de platen onrechtmatig was omdat hij een aanlegvergunning had, kan daarom niet worden gevolgd.

17. De zevende grief heeft betrekking op de rekening van Terlouw. Dit betreft veruit de grootste kostenpost van de onderhavige ontruiming. De desbetreffende rekeningen ten bedrage van ƒ 82.816,55 (rekeningnummer 66738 van 2 februari 1999) en ƒ 6.578,53 (rekeningnummer 66661 van 31 december 1998) zijn overgelegd bij de brief van 9 augustus 2001. Bij de beoordeling van deze rekeningen heeft de rechtbank acht geslagen op de "Calculatie opruiming Rockanje". Deze is kennelijk gedateerd 12 januari 1998. Naar het oordeel van het hof kan deze calculatie, die een totaalbedrag vermeldt van ƒ 75.914,46, niet dienen als voldoende specificatie van de door Terlouw in rekening gebrachte kosten van in totaal ƒ 89.395,08. Het hof acht het voor een beoordeling van de door Terlouw gedeclareerde kosten noodzakelijk dat de Provincie een nadere toelichting en/of verdere specificatie verschaft. De Provincie zal in de gelegenheid worden gesteld de nadere toelichting en/of verdere specificatie te verschaffen bij memorie na enquête waarna [appellant] daarop bij antwoord-memorie zal kunnen reageren.

18. Met de achtste grief kant [appellant] zich tegen de vermindering van de kosten wegens onterechte afvoer van klinkers en repak ten bedrage van ƒ 11.687,30. Het hof overweegt vooreerst dat deze grief geen doel kan treffen omdat, zoals hiervoor onder 9 is overwogen, alle materialen dus tevens alle repak en klinkers in het kader van de bestuursdwang (op kosten van [appellant]) mochten worden verwijderd, ook de materialen die daarna weer zijn teruggebracht omdat [appellant] ze kon gebruiken. Dit brengt mee dat de huurkosten voor containers en arbeidskosten niet in mindering hoeven te komen.

19. Ten overvloede overweegt het hof voorts het volgende. Het bedrag van ƒ 11.687,30 is gespecificeerd in de brief van de Provincie van 26 september 2001. Met de rechtbank is het hof van oordeel dat deze specificatie toereikend is. Daarbij dient te worden opgemerkt dat een groot deel van de afgevoerde repak verontreinigd was en niet teruggebracht behoefde te worden, dat de Provincie niet 40 maar 74 ton repak heeft teruggebracht en dat de door de Provincie meegevoerde klinkers zijn teruggebracht onder toevoeging van 1 m³ extra. Dat dit laatste niet bekend is aan [appellant] brengt niet mee dat dit ten onrechte op de specificatie is vermeld (aanvulling breuk en verlies).

20. De negende grief is gericht tegen de hoogte van de personele kosten. In het "werkplan uitvoering" zijn deze kosten begroot op 33 uur. Bij conclusie van dupliek heeft de Provincie gemotiveerd aangegeven waarom de uitvoering van de ontruiming meer uren heeft gekost dan was begroot. Het werkplan noch de motivering van de Provincie is door [appellant] bestreden. Vervolgens heeft de rechtbank het aantal uren vastgesteld op 67. Met de rechtbank acht het hof dit aantal redelijk. Wat betreft de door DCMR in rekening gebrachte tarieven verwijst het hof naar zijn arrest van heden met rolnummer 02/62.

21. De tiende grief is gericht tegen een overweging van de rechtbank ten overvloede. Nu deze overweging niet dragend is voor de beslissing van de rechtbank kan de daartegen gerichte grief niet slagen. De elfde grief heeft geen zelfstandige betekenis.

20. Het door [appellant] gedane algemene bewijsaanbod wordt door het hof gepasseerd aangezien onvoldoende gespecificeerd is aangegeven wat [appellant] zou willen bewijzen.

Beslissing

Het hof:

- laat [appellant] toe tot de in rechtsoverweging 15 bedoelde bewijslevering;

- bepaalt dat, zo [appellant] dit bewijs door getuigen wenst te leveren, het getuigenverhoor zal worden gehouden op woensdag 15 november 2006 te 10.00 uur in een van de lokalen van het Paleis van Justitie, Prins Clauslaan 60 te 's-Gravenhage, ten overstaan van de hierbij benoemde raadsheer-commissaris Mr F. Waardenburg;, dan wel, indien een der partijen vóór 1 november 2006, onder gelijktijdige opgave van de verhinderdata van beide partijen voor de maanden december, januari en februari opgeeft dan verhinderd te zijn, op een door de raadsheer-commissaris nader te bepalen datum en tijdstip;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit arrest is gewezen door mrs. A.V. van den Berg, G. Dulek-Schermers en F. Waardenburg en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 28 september 2006.