Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AZ1307

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
25-10-2006
Datum publicatie
01-11-2006
Zaaknummer
04/701
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Beroepsaansprakelijkheid advocaat. Advocaat is niet tekortgeschoten in advisering.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 6
Burgerlijk Wetboek Boek 6 74
Burgerlijk Wetboek Boek 6 162
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JA 2007/5
VR 2008, 30

Uitspraak

Uitspraak:25 oktober 2006

Rolnummer: 04/701

Rolnr. rechtbank: 00-1826

HET GERECHTSHOF ’S-GRAVENHAGE, derde civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

[Appellant],

wonende te [plaatsnaam],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr.P.J.M. von Schmidt auf Altenstadt,

tegen

[DE ADVOCAAT],

wonende te [plaatsnaam],

geïntimeerde,

hierna te noemen: de advocaat,

procureur: mr. H.C. Grootveld.

Het geding

Bij exploot van 31 maart 2004 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 31 december 2003 door de rechtbank te Rotterdam gewezen tussen partijen. Bij memorie van grieven heeft [appellant] vijf grieven tegen het vonnis aangevoerd, die door de advocaat bij memorie van antwoord zijn bestreden.

Tenslotte hebben partijen de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. De door de rechtbank onder 2 vastgestelde feiten zijn in hoger beroep niet bestreden. Hiervan zal worden uitgegaan.

De grieven leggen het geschil in volle omvang voor. De grieven zullen gezamenlijk worden behandeld.

De feiten

2.1. In oktober 1980 heeft uroloog dr. Kocourek (hierna: de uroloog), destijds werkzaam in het St. Antoniushove Ziekenhuis in Leidschendam (hierna: het ziekenhuis), ten onrechte aan de toen 46-jarige [appellant] meegedeeld dat deze zou lijden aan een anaplastisch prostaat carcinoom. Op grond van die onjuiste diagnose is [appellant] gecastreerd, bestraald en hormonaal behandeld.

2.2. In de loop van 1989 verneemt [appellant] dat deze diagnose en de daarop gevolgde behandeling onjuist zijn geweest.

2.3. [appellant] stelt zich op het standpunt dat hij tengevolge van de onjuiste diagnose en behandeling grote materiele en immateriële schade heeft geleden. De advocaten mr. Kiep en mr. Sneep, alsmede het schaderegelingsbureau Schadetax B.V. te Hoogeveen zijn achtereenvolgens als belangenbehartiger van [appellant] opgetreden.

2.4. Bij brieven van 27 en 28 april 1994 aan Winterthur en aan de uroloog heeft de advocaat namens [appellant] bericht dat deze al zijn aanspraken jegens de uroloog en het ziekenhuis handhaaft en dat hij haar heeft opgedragen verdere rechtsmaatregelen te nemen.

2.5. Bij brief van 28 april 1994 heeft Winterthur aan de advocaat bericht dat de verjaring een voldongen feit was en dat Winterthur aansprakelijkheid op basis van medische expertises kon en zou betwisten.

2.6. Bij brief van 1 juni 1994 van de advocaat aan [appellant], welke 5 dichtbedrukte pagina’s omvat, heeft de advocaat een kort overzicht van de relevante gebeurtenissen gegeven, gevolgd door beschouwingen over verjaring naar het tot 1 januari 1992 en het sedertdien geldende recht, de werking van het overgangsrecht en de stand van de jurisprudentie.

Bij brief van 21 juni 1994 aan Winterthur heeft de advocaat betoogd dat de vordering niet was verjaard, aangezien de verjaringstermijn eerst was aangevangen op 11 mei 1989 en sedertdien tijdig was gestuit, onder meer door eerdere belangenbehartigers van [appellant]. Voorts heeft de advocaat in dezelfde brief aan Winterthur aan de hand van drie medische expertises betoogd dat door de uroloog een kunstfout is gemaakt en dat de aanspraken van [appellant] niet verjaard zijn onder verwijzing naar jurisprudentie op dit punt van de Hoge Raad.

2.7. Bij fax van 19 mei 1995 doet de advocaat aan [appellant] verslag van een gesprek van de namens Winterthur en [appellant] optredende schaderegelaars over de door [appellant] geclaimde schade tengevolge van de onjuiste diagnose en behandeling. Deze brief houdt voor zover van belang in:

“…

Het gesprek is geëindigd met de volgende constateringen:

los van de vraag van aansprakelijkheid en verjaring gaan onder voorbehoud van alle rechten de gedachten voor wat betreft de kosten uit naar een bedrag van ƒ 100.000,--;

voor smartegeld gaan de gedachten uit naar een bedrag in dezelfde orde van grootte, dat wil zeggen eveneens omstreeks ƒ 100.000,--. ….”

2.8. In een notitie van 4 augustus 1995, opgesteld door de advocaat, worden de aansprakelijkheid van de uroloog, de verjaring en het bewijs van de schade van [appellant] besproken. Deze notitie is met de brief van 21 juni 1994 op 4 augustus 1995 aan [appellant] verzonden.

2.9. Een fax van 27 december 1995 van de advocaat aan [appellant] houdt onder meer in:

“ Advies

(…)

Wij hebben uitgebreid besproken, dat ik het risico niet kan uitsluiten, dat een beroep op verjaring slaagt, gelet op de feitelijke complexiteit van de zaak. Slotsom moet dan zijn, of U zich kunt veroorloven dat risico te nemen, wanneer de inzet een bedrag van

ƒ 100.000,-- is. Ik heb daarover reeds gesproken met U en Uw zoon; collectief was onze opvatting dat U zich een dergelijk kansspel niet kunt permitteren. Het is bepaald niet uit te sluiten, dat er in een procedure meer uitkomt, maar evenmin is de kans nihil, dat er niets uit komt. Dit zo zijnde, meen ik zeker, wanneer ik terug zie op de toestand van de zaak op het moment, dat wij met elkaar in contact kwamen, dat sprake is van een succesvol verloop. …”

De vordering

3. [appellant] vordert een verklaring voor recht dat de advocaat is tekortgeschoten in de uitvoering van haar opdracht, alsmede, kort gezegd, betaling van ƒ 694.149,-- met rente en kosten, onder afgifte van een belastinggarantie.

Grondslag voor deze vorderingen vormen in essentie de stellingen

a. dat de advocaat op 27 december 1995 een juridisch ondeugdelijk advies heeft gegeven op grond van een onjuiste inschatting van de houdbaarheid van het standpunt van Winterthur over onder meer de verjaring en

b. dat de advocaat heeft nagelaten onderzoek te doen naar tekortkomingen van vorige belangenbehartigers van [appellant].

4. De advocaat betwist gemotiveerd dat zij tekortgeschoten is.

Onjuiste advisering

5. Het hof stelt voorop dat het antwoord van de vraag of de advocaat is tekortgeschoten in de op haar rustende verplichtingen jegens [appellant] beoordeeld moet worden naar norm of zij is opgetreden overeenkomstig de wijze waarop een redelijk bekwaam en redelijk handelend vakgenoot in deze omstandigheden zou hebben gehandeld.

Voorafgaand aan de fax van 27 december 1995 is door de advocaat gesproken met [appellant] en zijn (schoon)zoon over het aanbod van Winterthur. Naar het hof begrijpt uit de fax van J. van Herp van 19 december 1995, productie 11 conclusie van antwoord, zijn toen naast de juridische en financiële merites van de zaak ook de toenmalige persoonlijke omstandigheden van [appellant] aan de orde gekomen. De fax van 27 december 1995 was derhalve de uitkomst van een voorafgaande discussie over het aanbod, waarin door de advocaat de zakelijke kern van de te maken afweging is weergegeven.

6. In de fax van 27 december 1995 geeft de advocaat onder meer aan dat zij het risico niet kan uitsluiten dat een beroep op verjaring slaagt. [appellant] betoogt dat de advocaat in onvoldoende mate inzichtelijk heeft gemaakt waarom haar stellige opvattingen dat de vorderingen van [appellant] niet verjaard zijn mogelijk geen stand zouden kunnen houden.

7. In de brief van 1 juni 1994 van de advocaat aan [appellant] heeft de advocaat naar het oordeel van het hof op uitvoerige, heldere en begrijpelijke wijze uiteengezet op grond van welke argumentatie zij tot haar standpunt komt dat de vordering niet verjaard is. Zij heeft een naar het oordeel van het hof juiste uitleg gegeven over de werking van het tot 1 januari 1992 geldende recht op dit punt, het sedertdien terzake geldende recht, de toenmalige uitleg van de Hoge Raad van de betreffende bepalingen en de wijze waarop het overgangsrecht het oude en nieuwe recht “aan elkaar knoopt”. Deze brief heeft de advocaat samen met de notitie van 4 augustus 1995 op 4 augustus 1995 wederom aan [appellant] gezonden. In deze notitie blijft zij bij haar standpunt dat de vordering van [appellant] niet verjaard is.

Wanneer in december 1995 een schikkingsaanbod gedaan wordt door Winterthur komt de vraag aan bod hoe aantrekkelijk dit aanbod is. De proceskansen zijn daarbij een mee te wegen factor.

8. Complicerend bij de beoordeling van proceskansen is in dit geval dat de verjaringstermijn een aanvang heeft genomen onder het tot 1 januari 1992 geldende recht, terwijl per die datum een ander stelsel met op dit punt andere regels van toepassing is geworden. Er dient in 1994, 1995, kort na de invoering van het nieuwe recht, rekening gehouden te worden met de mogelijkheid dat het op verjaring toepasselijke recht zich op een andere wijze ontwikkelt dan wel verfijnt dan door de advocaat ten tijde van haar advisering voorzien. De advocaat heeft weliswaar niet uitdrukkelijk verwezen naar onzekere toekomstige rechtsontwikkelingen, maar heeft in de brief van 1 juni 1994 wel de toen actuele stand van de jurisprudentie inzake verjaring besproken. Hieruit had ook voor [appellant] het belang van jurisprudentie bij het uitleggen van de wet duidelijk moeten worden.

Daar komt bij dat nooit volledig in te schatten is op welke argumenten de wederpartij zich in rechte zal beroepen. Door de rechter gegrond bevonden stellingen zijn van invloed op de te nemen beslissing. In dit geval moet de argumentatie van Winterthur dat de vordering verjaard is als bepaald oppervlakkig gekenschetst worden. Juist de oppervlakkigheid van de argumentatie van Winterthur maakt het begrijpelijk dat de advocaat rekening houdt met de mogelijkheid dat in rechte nieuwe en andere argumenten ter onderbouwing van het standpunt van Winterthur aangevoerd worden, omdat kennelijk eerst dan door Winterthur grondig gekeken zal worden naar de juridische merites van dit geschilpunt.

Naar het oordeel van het hof heeft de advocaat in de fax van 27 december 1995, zie 2.9, met recht aan [appellant] voorgehouden wat naar haar opvatting de beslissing van de rechtbank zou dienen te zijn in het licht van de voorhanden gegevens en de toenmalige stand van de jurisprudentie, maar ook aangegeven dat deze uitkomst niet kan worden gegarandeerd. Het hof wijst erop dat een zodanige taxatie in ieder geval ten dele berust op een interpretatie van voorhanden gegevens van diverse aard en op anticipatie op door de wederpartij mogelijk te ontwikkelen argumentatie. In een dergelijke situatie kan een zekere uitkomst niet gegarandeerd worden door de advocaat. De taxatie van de advocaat in de fax van 27 december 1995 is voldoende inzichtelijk gemotiveerd in het licht van de notitie van 4 augustus 1995 en de brief van 1 juni 1994. Een zodanig geconcretiseerde taxatie van proceskansen dat deze uitgedrukt wordt in procenten, biedt slechts een schijnzekerheid.

9. [appellant] betoogt dat de advocaat met betrekking tot de verjaringsproblematiek beter onderzoek had kunnen en moeten uitvoeren alvorens [appellant] op dit punt te adviseren. De belangen die voor [appellant] op het spel stonden, waren te groot om te kunnen volstaan met de opmerking jegens [appellant] dat niet zeker is dat het beroep op verjaring van Winterthur niet opgaat, aldus [appellant].

[appellant] laat evenwel na te stellen in welk opzicht de advocaat beter/grondiger onderzoek had behoren uit te voeren. [appellant] laat na feiten te stellen, welke de advocaat bekend hadden kunnen of moeten zijn, welke een ander of duidelijker licht op de zaak hadden geworpen dan die welke blijken uit de brief van 1 juni 1994 en de notitie van 4 augustus 1995. Voorts laat [appellant] na aan de hand van literatuur en jurisprudentie aan te geven in welk opzicht meer of andere duidelijkheid bestond dan door de advocaat in deze brief en notitie aangegeven.

Bij gebreke hiervan gaat het hof aan het eerste onderdeel van deze stelling als onvoldoende onderbouwd voorbij.

Het hof wijst er nog op dat tot op het moment van het uitbrengen van dit advies, 27 december 1995, zich geen nieuwe ontwikkelingen hebben voorgedaan welke van invloed kunnen zijn geweest op het toen gegeven advies. Het arrest van de Hoge Raad van 3 november 1995, gepubliceerd in RvdW 1995, 229, is niet relevant voor het te geven advies, aangezien in die zaak een periode van 30 jaar voorafgaand aan de invoering van het sedert 1 januari 1992 geldende recht verlopen was sedert het schadeveroorzakende feit.

10. Het hof wijst er nog op dat bij het beoordelen van het procesrisico ook de aansprakelijkheidsvraag aan de orde komt. In dit geval beschikte Winterthur over een deskundigenrapport van een hoogleraar (Prof. Hoedemaker) en een andere deskundige waarin geconcludeerd wordt dat de uroloog geen beroepsfout heeft gemaakt. Daar staat tegenover dat [appellant] beschikt over deskundigenrapporten van drie hoogleraren waarin uiteengezet wordt dat de uroloog wel degelijk een beroepsfout heeft gemaakt. In deze omstandigheden moet serieus rekening gehouden worden met de mogelijkheid dat de rechter behoefte heeft aan voorlichting door een deskundige teneinde onder meer de rapporten van de elkaar tegensprekende deskundigen op hun merites te kunnen waarderen. De keuze van de persoon van de deskundige en de uitkomst van het door de rechter gelaste deskundigenbericht zijn onzekere factoren, welke van invloed zijn bij het beoordelen van het procesrisico.

11. Het behoeft geen betoog dat de onjuiste diagnose en behandeling van [appellant] voor [appellant], zijn echtgenote en zijn gezin buitengewoon ingrijpende gevolgen hebben gehad. Uiteraard staan er in een schrijnende zaak als waarvan in dit geval sprake is voor het slachtoffer grote belangen op het spel wanneer schikkingsonderhandelingen uiteindelijk plaatsvinden. Dit betekent evenwel niet dat wanneer voorafgaand aan die onderhandelingen over de proceskansen geen zekerheid dan wel geen in procenten uit te drukken mate van zekerheid te geven is, dit door de behandelend advocaat wel zou moeten worden gegeven.

12. Kenmerkend van schikken is dat beide partijen elkaar tegemoet komen en aan de zekerheid van een op dat moment overeen te komen bedrag de voorkeur geven boven de onzekerheid ten aanzien van de toekomstige uitkomst van een procedure.

Voor wat betreft de hoogte van het door Winterthur aangeboden schikkingsbedrag is de brief van 19 mei 1995 van belang. In deze brief, zie 2.7, wordt door de advocaat per schadesoort de discussie weergegeven tussen de schaderegelaars optredend voor Winterthur en [appellant]. De door [appellant] gestelde inkomensschade is kennelijk op dat moment geen discussiepunt meer in verband met de omstandigheid dat [appellant] voorafgaand aan de fout van de uroloog in 1980 reeds volledig arbeidsongeschikt was. Deze discussie tussen de schaderegelaars is blijkens de weergave in deze brief geëindigd met de constatering dat de gedachten voor wat betreft de kosten uitgaan naar een bedrag van ƒ 100.000,-- en voor smartengeld eveneens naar ƒ 100.000,--.

Naar het hof begrijpt, moet de opmerking van de advocaat in de fax van 27 december 1995 dat de inzet een bedrag van ƒ 100.000,-- is in het licht van de brief van 19 mei 1995 bezien worden. Immers, ƒ 100.000,-- wordt aangeboden en nog eens ƒ 100.000,-- is de inzet, dat wil zeggen dat ƒ 100.000,-- bovenop de eerste ƒ 100.000,--de redelijkerwijs te verwachten uitkomst van de procedure is, derhalve in totaal ƒ 200.000,--. Dit volgt ook uit de fax van J. van Herp d.d. 19 december 1995, waarin sprake is van een schadevaststelling door Winterthur van ƒ 195.000,-- (productie 11 conclusie van antwoord).

Hieruit volgt dat Winterthur in dit schikkingsvoorstel voor wat betreft de hoofdsom [appellant] halverwege tegemoet komt. Dit is een schikkingsvoorstel met voor beide partijen aantrekkelijke en nadelige aspecten in een situatie die voor beide partijen een aantal onzekerheden kent. Deze onzekerheden omvatten mede onzekerheid over proceskansen, zoals de honorering of verwerping van het beroep op verjaring en de aansprakelijkheid van de uroloog, alsmede de beoordeling van de afzonderlijke door [appellant] geclaimde posten. Dat de advocaat dit niet heeft onderkend, blijkt nergens uit. Integendeel, de advocaat heeft [appellant] in de brief van 27 december 1995 juist nog expliciet gewezen op de mogelijkheid dat een procedure leidt tot een lagere en tot een hogere uitkomst dan het aangeboden schikkingsbedrag.

Naar het oordeel van het hof kan niet worden geoordeeld dat de advocaat is tekortgeschoten in de advisering ten aanzien van de hoogte van het schikkingsbedrag door te volstaan met aan te geven dat zij het bepaald niet uitgesloten acht dat er in een procedure meer uitkomt dan het geboden schikkingsbedrag. Gezien de eerdere discussie tussen de schadebehandelaars van Winterthur en [appellant], die tot gesaldeerde bedragen zijn gekomen, hoefde zij niet in groter detail in te gaan op de proceskansen per post. Ook in dit opzicht kan niet worden aangenomen dat de advocaat is tekortgeschoten in de op haar rustende verplichtingen.

13. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de advocaat niet is tekortgeschoten in de op haar rustende verplichting [appellant] volledig te informeren en op basis daarvan [appellant] van advies te dienen aangaande de aantrekkelijkheid van het schikkingsvoorstel van Winterthur.

onderzoek tekortkomingen vorige belangenbehartigers

14. [appellant] verwijt de advocaat dat zij hem niet heeft gewezen op de mogelijkheid om, indien het beroep op verjaring in rechte zou worden gehonoreerd, een of meerdere van de vorige belangenbehartigers van [appellant] aansprakelijk te stellen voor de daardoor veroorzaakte schade.

15. Het hof stelt voorop dat de opdracht aan een advocaat bepaalde belangen te behartigen ook omvat het bewaken en zonodig stuiten van onder meer verjaringstermijnen. Dit is door de advocaat voor wat betreft haar eigen werkzaamheden ook niet miskend. Bij brieven van 27 en 28 april 1994, zie 2.4, heeft zij immers de verjaring van de vordering van [appellant] op Winterthur en de uroloog overeenkomstig de eisen van het sedert 1 januari 1992 geldende recht gestuit. De advocaat was zich mitsdien bewust van de noodzaak verjaringstermijnen te bewaken en zo nodig te stuiten.

16. Voor het antwoord op de vraag of de voorafgaande belangenbehartigers in dit opzicht tekortgeschoten zijn is van wezenlijk belang dat de verjaringstermijn naar het tot 1 januari 1992 geldende recht 30 jaar bedroeg en dat stuiting van die termijn bij deurwaardersexploot diende plaats te vinden. Waar de tekortkoming van de uroloog in 1980 en nadien heeft plaatsgevonden, bestond tot 1 januari 1992 geen aanleiding kosten te maken ter stuiting van een verjaringstermijn die nog lang niet verliep. Hieruit volgt dat het bepaald niet voor de hand ligt dat mr. Kiek en mr. Sneep, die in de periode voorafgaand aan 1 januari 1992 als advocaat voor [appellant] optraden, in dit opzicht tekortgeschoten zijn. Dat de advocaat [appellant] niet heeft gewezen op de niet voor de hand liggende mogelijkheid mr. Kiek en mr. Sneep aansprakelijk te stellen voor het niet stuiten van de verjaringstermijn kan dan ook niet als een tekortkoming van de advocaat worden aangemerkt.

17. P.M. van Boxhoorn van Schadetax B.V. deelt Winterthur in een brief d.d. 15 december 1992 mee dat [appellant] zich ondubbelzinnig het recht op volledige nakoming uit de wet dan wel uit overeenkomst voorbehoudt, alsmede dat deze mededeling dient te worden opgevat als een mededeling als bedoeld in art. 3:317 lid 1 BW, zie productie 3 conclusie van antwoord.

Wat er ook verder zij van de door Schadetax B.V. gekozen formulering, naar het oordeel van het hof staat buiten kijf dat deze brief de strekking heeft de dan lopende verjaring te stuiten en dat dit ook zo begrepen moet zijn door Winterthur. Van een tekortschieten van Schadetax in dit opzicht is dan ook geen sprake.

18. Bij brief van 28 april 1994 van Winterthur aan de advocaat betoogt Winterthur dat de verjaring een voldongen feit is wegens het ontbreken van een rechtsgeldige stuiting van de verjaring. Een nadere onderbouwing van dit standpunt wordt door Winterthur in deze brief niet gegeven. Wel herhaalt Winterthur haar aanbod de kwestie in der minne te regelen.

Zonder nadere onderbouwing lijkt dit standpunt in het licht van het sedert 1 januari 1992 geldende recht en de brieven van 15 december 1992 en 27 april 1994 onhoudbaar. Niet valt uit te sluiten dat Winterthur door dit standpunt in te nemen onderhandelingsruimte poogt te creëren, aangezien Winterthur daarnaast in dezelfde brief het aanbod doet de kwestie in der minne te regelen.

Waar de advocaat blijkens haar brief van 1 juni 1994 aan [appellant] met recht geen gronden zag om aan te nemen dat de verjaring van de vordering niet tijdig gestuit zou zijn, had de advocaat geen grond Schadetax B.V. aansprakelijk te stellen voor een tekortkoming op dit punt.

19. Bij brief van 3 november 1993, productie 14 conclusie van antwoord, schrijft de advocaat aan Schadetax B.V.:

“…

Cliënt heeft mij laten weten, dat U telefonisch contact met hem hebt gezocht en hem hebt meegedeeld dat U niet bereid bent het dossier over te dragen. (…)

Ik stel U nog gedurende uiterlijk acht dagen na heden in de gelegenheid het dossier bij mij in te dienen, bij gebreke waarvan ik dat in kort geding zal opvorderen.

U hebt in de afgelopen twee jaar geen noemenswaardige voor cliënt waarneembare actie ondernomen en mijn cliënt houdt U aansprakelijk voor alle schade die hij als gevolg van uw inactiviteit heeft geleden –eventuele verjaringen daaronder begrepen.”

Uit de tekst van deze brief, bezien in onderling verband en samenhang, maakt het hof op dat Schadetax B.V. indertijd niet bereid was het dossier over te dragen aan de advocaat. Deze brief strekt ertoe Schadetax alsnog het dossier over te laten dragen en daartoe dreigt de advocaat met een kort geding en stelt zij Schadetax aansprakelijk voor schade als gevolg van inactiviteit. Kennelijk hebben de dreiging met een kort geding en de aansprakelijkstelling de strekking de eis het dossier op korte termijn over te dragen aan de advocaat kracht bij te zetten. Bezien in de context van de hele brief kan de aansprakelijkstelling voor schade als gevolg van inactiviteit, waaronder begrepen eventuele verjaringen, niet aldus gelezen worden dat de advocaat Schadetax aansprakelijk stelt voor schade doordat Winterthur zich meent te kunnen beroepen op verjaring.

Hieruit volgt dat uit deze brief niet valt af te leiden dat de advocaat zich er wel degelijk van bewust is geweest dat Schadetax voor mogelijke verjaring van de vordering aansprakelijk is te houden.

20. Uit het voorgaande volgt dat het verwijt van [appellant] dat hij ten onrechte niet heeft geweten dat hij in feite twee kansen had zijn schade volledig vergoed te krijgen, te weten van Winterthur en van een of meerdere voorafgaande belangenbehartigers niet terecht is.

[appellant] is gewezen op de mogelijkheid dat in een procedure tegen Winterthur een hoger bedrag toegewezen wordt dan het bedrag waarvoor geschikt is, zie 2.9, terwijl op grond van de thans voorhanden gegevens niet valt in te zien dat de voorafgaande belangenbehartigers voor wat betreft het stuiten van de verjaring tekortgeschoten zijn. In het licht van de toenmalige stand van de wetgeving en jurisprudentie, alsmede de vaststaande gegevens kan niet worden aanvaard dat de advocaat de mogelijkheid een of meerdere voorafgaande belangenbehartigers aansprakelijk te stellen onvoldoende onderzocht heeft. Van een op dit punt tekortschietende advisering door de advocaat aan [appellant] is dan ook geen sprake.

21. Het vorenstaande brengt mee dat geen van de door [appellant] aangevoerde grondslagen tot toewijzing van enig onderdeel van de vordering kan leiden. De grieven falen. Voor bewijslevering dan wel het doen uitbrengen van een deskundigenbericht bestaat geen grond. [appellant] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten van de advocaat in hoger beroep.

Beslissing

Het hof:

bekrachtigt het bestreden vonnis;

veroordeelt [appellant] in de proceskosten in hoger beroep, tot op heden begroot op € 5.669,-- aan verschotten en op € 2.000,-- aan salaris voor de procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. Th.W.H.E. Schmitz, J.H.W. de Planque en

R. van der Vlist en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 25 oktober 2006 in aanwezigheid van de griffier.