Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AZ1160

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
30-10-2006
Datum publicatie
30-10-2006
Zaaknummer
2200457405
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Oplegging van TBS onder voorwaarden. Afwijzing getuigenverzoek na tussenarrest in verband met gewenst nader onderzoek met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2006, 327
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

Rolnummer: 22-004574-05

Parketnummer: 10-091261-04

Datum uitspraak: 30 oktober 2006

TEGENSPRAAK

Gerechtshof te 's-Gravenhage

meervoudige kamer voor strafzaken

Arrest

gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank te Rotterdam van 28 juli 2005 in de strafzaak tegen de verdachte:

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats] (Turkije) op [geboortedag] 1979,

adres: [adres]

Onderzoek van de zaak

Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek op de terechtzittingen in hoger beroep van dit hof van 26 juni 2006 en - na tussenarrest van 6 juli 2006 - 16 oktober 2006.

Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.

Verzoek van het openbaar ministerie

De advocaat-generaal mr. Wittop Koning heeft ter terechtzitting in hoger beroep van 16 oktober 2006 verzocht de behandeling van de zaak aan te houden teneinde '[X]' als getuige op te roepen.

Het hof overweegt hieromtrent als volgt.

Ter zitting van 26 juni 2006 heeft het hof - in aanwezigheid van de verdediging en het openbaar ministerie - op verzoek van de verdediging de aangever [aa[aangever] gehoord. Tijdens die zitting heeft de (toenmalige) advocaat-generaal om redenen als genoemd in het proces-verbaal van de zitting van 26 juni 2006 gevorderd dat de verdachte zou worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde.

Het hof heeft op 26 juni 2006 het onderzoek gesloten. Na sluiting van het onderzoek is onder de beraadslaging gebleken dat het onderzoek niet volledig was geweest. Bij tussenarrest van 6 juli 2006 overwoog het hof: "in het bijzonder acht het hof zich - tegen de achtergrond van voormelde vordering van de advocaat-generaal met betrekking tot zowel de bewezenverklaring als de op te leggen maatregel - onvoldoende voorgelicht ten aanzien van de vraag in welke mate de (verschillende) tenlastegelegde feiten aan de verdachte kunnen worden toegerekend, gelet op de geconstateerde ziekelijke stoornis van zijn geestvermogens, alsmede omtrent de vraag of en zo ja in welke vorm een last tot terbeschikkingstelling van de verdachte zou moeten worden gegeven c.q. onder welke voorwaarde(n) behandeling en/of begeleiding van de verdachte noodzakelijk wordt geacht teneinde het gevaar voor herhaling van strafbare feiten te minimaliseren".

Gelet op de achterliggende reden van de heropening van het onderzoek, namelijk nader onderzoek met betrekking tot de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, acht het hof, nu ter terechtzitting van heden door het openbaar ministerie aan haar - gewijzigde - standpunt met betrekking tot de vaststelling van de feiten geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren zijn gebracht, het thans in strijd met een goede procesorde en derhalve niet noodzakelijk dat '[X]' - van wie ook thans overigens niet vaststaat dat de identiteit en verblijfplaats kan worden achterhaald - als getuige wordt opgeroepen. Het hof wijst het verzoek van de advocaat-generaal dan ook af.

Tenlastelegging

Aan de verdachte is tenlastegelegd hetgeen vermeld staat in de inleidende dagvaarding, waarvan een kopie in dit arrest is gevoegd.

Procesgang

In eerste aanleg is de verdachte ten aanzien van het onder 1 en 2 tenlastegelegde niet strafbaar verklaard en ontslagen van alle rechtsvervolging. Voorts is de terbeschikkingstelling van de verdachte gelast en bevolen dat de verdachte van overheidswege zal worden verpleegd.

De verdachte heeft tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.

Het vonnis waarvan beroep

Het vonnis waarvan beroep kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.

Vrijspraak

Door [aa[aangever] is vanwege een vermeende bedreiging met een wapen tegen de verdachte aangifte gedaan. De verdachte heeft verklaard dat - zakelijk weergegeven - hij op de tenlastegelegde dag wel met een wapen in de winkel van die [aangever] is geweest, maar dat hij niet de aangever heeft bedreigd, maar ene [X]. Op verzoek van de verdediging is de aangever ter terechtzitting in hoger beroep van 26 juni 2006 gehoord. De ter zitting afgelegde verklaring van getuige [aa[aangever] heeft bij het hof in overwegende mate twijfels doen ontstaan over de vraag of de vermeende bedreiging wel was gericht tegen die [aangever] en daarmee omtrent de betrouwbaarheid van de aangifte. Het hof acht derhalve het onder 1 tenlastegelegde, waarin immers uitsluitend sprake is van de bedreiging van aangever [aangever], niet wettig en overtuigend bewezen, zodat de verdachte van dit feit dient te worden vrijgesproken.

Bewezenverklaring

Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

hij op 04 augustus 2004 te Rotterdam een wapen als bedoeld in artikel 2 lid 1 van categorie III onder 1° van de Wet wapens en munitie, te weten een vuurwapen in de zin van artikel 1, onder 3° van die wet in de vorm van een pistool van het merk CZ, model 50, kaliber 7.65 millimeter voorhanden heeft gehad.

Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.

Bewijsvoering

Het hof grondt zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat en die reden geven tot de bewezenverklaring.

In die gevallen waarin de wet aanvulling van het arrest vereist met de bewijsmiddelen dan wel, voor zover artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering wordt toegepast, met een opgave daarvan, zal zulks plaatsvinden in een aanvulling die als bijlage aan dit arrest zal worden gehecht.

Strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:

Handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

Strafbaarheid van de verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.

Motivering van straf en maatregel

De advocaat-generaal mr. Wittop Koning heeft ter terechtzitting van 16 oktober 2006 - indien zijn verzoek tot het horen van [X] zou worden afgewezen - geconcludeerd tot vernietiging van het vonnis waarvan beroep en tot veroordeling van de verdachte terzake van het onder 1 en 2 tenlastegelegde tot een gevangenisstraf voor de duur van één jaar, met aftrek van voorarrest en tot oplegging van de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden.

Het hof heeft de op te leggen straf en maatregel bepaald op grond van de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder dit is begaan en op grond van de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan is gebleken uit het onderzoek ter terechtzitting.

Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.

De verdachte heeft een geladen vuurwapen voorhanden gehad. Het ongecontroleerde bezit van vuurwapens vergroot gevoelens van onveiligheid in de samenleving en leidt niet zelden tot het gebruik daarvan, met vaak zeer ernstige gevolgen. Ter voorkoming daarvan moet streng worden opgetreden tegen het onbevoegd voorhanden hebben van dergelijke wapens.

Het hof heeft wat betreft de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden op het navolgende acht geslagen.

Het hof heeft kennis genomen van de rapportage pro justitia, nader aangeduid als concept-rapportage, opgemaakt door prof. dr. C. de Ruiter, klinisch psycholoog, d.d. 12 juni 2006. Daaruit blijkt dat de verdachte ten tijde van het tenlastegelegde lijdende was aan een ernstige psychiatrische aandoening, te weten schizofrenie van het paranoïde type, welke de verdachte angstig, achterdochtig en vijandig maakt. Bovendien gaf de verdachte destijds blijk weinig inzicht te hebben in zijn stoornis, waardoor zijn medicatietrouw te wensen overliet, terwijl hij ook onvoldoende besefte dat het gebruik van psychoactieve middelen, zoals alcohol en drugs, de psychotische verschijnselen versterkt en hem daardoor extra gevaarlijk maakt. In haar rapport stelt De Ruiter dat het tenlastegelegde de verdachte met betrekking tot het voorhanden hebben van het vuurwapen slechts ten dele kan worden toegerekend, aangezien hij in voldoende mate beseft wat een vuurwapen is evenals het dreigende karakter ervan, zij het - zo begrijpt het hof uit haar nadere verklaring ter terechtzitting in hoger beroep - dit onder invloed van zijn stoornis.

Op 25 september 2006 heeft De Ruiter haar rapport aangevuld, in die zin dat zij het rapport met de verdachte heeft besproken en een advies heeft gegeven ten aanzien van de op te leggen straf c.q. maatregel. Uit deze schriftelijke aanvulling blijkt dat de verdachte vanwege zijn psychiatrische aandoening langdurig zal moeten worden behandeld. Uit die aanvulling blijkt voorts dat het raadzaam is dat de behandeling de volgende elementen zal bevatten:

* psycho-educatie in de vorm van de zogenaamde 'Liberman-modules';

* actief betrekken van zijn vrouw (en verdere familie) in de behandeling;

* verminderen van stress, onder andere door een verhuizing weg uit Rotterdam te realiseren;

* toezicht op drank- en drugsgebruik.

Rapporteur De Ruiter adviseert het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden aan verdachte hetgeen een adequaat strafrechtelijk kader zou kunnen bieden om genoemde behandeling vorm te geven.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 16 oktober 2006 is - naar aanleiding van 's hofs tussenarrest d.d. 6 juli 2006 - voornoemde rapporteur gehoord als getuige-deskundige. Op die zitting heeft zij te kennen gegeven dat de verdachte er duidelijk beter aan toe is dan ten tijde van het uitbrengen van haar (concept-)rapport. Bovendien zou de verdachte - volgens de getuige-deskundige - inmiddels enig inzicht in zijn stoornis hebben verkregen en de noodzaak van behandeling thans inzien. Wat betreft de conclusies ten aanzien van de stoornis van de verdachte en de mate waarin hem de tenlastegelegde feiten vallen toe te rekenen en het advies ten aanzien van de op te leggen straf c.q. maatregel, zoals hiervoor omschreven, heeft de getuige-deskundige deze in zoverre ter terechtzitting bevestigd.

Het hof heeft voorts kennis genomen van een rapport, opgemaakt door drs. J.J.F.M. de Man, psychiater en zenuwarts, d.d. 23 juni 2006. De rapporteur heeft destijds geconcludeerd dat aannemelijk was geworden dat de persoonlijkheid van verdachte in hoge mate in het licht stond van de stoornis die bij hem is gediagnosticeerd, te weten de depressieve vorm van de schizo-affectieve stoornis. Ten aanzien van de toerekenbaarheid en de op te leggen straf of maatregel kon De Man ten tijde van het uitbrengen van het rapport geen uitsluitsel geven, aangezien de verdachte aan zijn onderzoek onvoldoende medewerking wenste te verlenen.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 16 oktober 2006 is - naar aanleiding van 's hofs tussenarrest d.d. 6 juli 2006 - rapporteur De Man eveneens gehoord als getuige-deskundige. Hij heeft bij die gelegenheid verklaard dat hij zich voldoende voorgelicht achtte om mondeling (aanvullend) te rapporteren, aangezien hij inmiddels opnieuw met de verdachte had gesproken en deze toen zijn medewerking aan nader onderzoek had verleend. Uit dit verhoor is gebleken dat de rapporteur zich wat betreft de geconstateerde stoornis bij verdachte nog steeds achter de in zijn rapport getrokken conclusie schaart. Voorts heeft deze getuige-deskundige ter zitting verklaard dat naar zijn mening beide tenlastegelegde feiten - vanwege de geconstateerde stoornis - in verminderde mate aan de verdachte kunnen worden toegerekend. Ten slotte heeft De Man ter zitting aangegeven dat de verdachte - indien intensief, langdurig en onder streng toezicht - ambulant kan worden behandeld en dat (een vorm van) klinische behandeling ernstige schade zou toebrengen aan de weg die verdachte kennelijk is ingeslagen.

Het hof neemt de bevindingen, de conclusies en adviezen van beide gedragsdeskundigen over en maakt deze tot de zijne.

Aldus stelt het hof vast dat de verdachte ten tijde van het bewezenverklaarde feit aan een ziekelijke stoornis leed, waardoor hij ten aanzien van dat feit verminderd toerekeningsvatbaar moet worden geacht.

Het hof heeft ten slotte acht geslagen op het voorlichtingsrapport van Reclassering Nederland, d.d. 26 september 2006. Uit dit voorlichtingsrapport blijkt dat de verdachte zich - na door het hof geschorst te zijn uit zijn voorlopige hechtenis - meewerkend heeft opgesteld, dat hij problemen die hem bezighielden kon benoemen en dat hij bereid is begeleiding te accepteren, hetgeen zou wijzen op een besef of beginnende acceptatie van het ziektebeeld. Na overleg te hebben gevoerd met rapporteur De Ruiter en een contactpersoon werkzaam bij polikliniek 'Het Dok' te Rotterdam, zijn de rapporteurs tot een 'plan van aanpak' gekomen. Dit plan houdt in dat - zakelijk weergegeven - intensieve behandeling en begeleiding door de forensisch psychiatrische polikliniek 'Het Dok' geboden is; dat er controle op medicatiegebruik en mogelijk cannabis- en/of alcoholgebruik moet plaatsvinden; dat verdachte psycho-educatie moet volgen; dat de echtgenote van verdachte bij de begeleiding wordt betrokken; dat de verdachte onder reclasseringstoezicht moet worden gesteld. Met de verdachte heeft inmiddels een - positief - intakegesprek bij 'Het Dok' plaatsgevonden.

Het hof neemt ook de bevindingen, conclusies en adviezen van Reclassering Nederland over en maakt deze tot de zijne.

Ter terechtzitting in hoger beroep van 16 oktober 2006 heeft de verdachte zich bereid verklaard om zijn medewerking aan dit 'plan van aanpak' te verlenen, zulks blijkt overigens ook uit het voorlichtingsrapport.

Het onder 2 bewezenverklaarde feit betreft een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren is gesteld.

Voorts vereist - naar het oordeel van het hof - de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen het opleggen van de maatregel van terbeschikkingstelling, gelet op de omstandigheden waaronder het voorhanden hebben van het vuurwapen is begaan. Immers is genoegzaam komen vast te staan - met name uit de verklaringen van de verdachte zelf - dat hij het wapen ook buitenshuis en in een winkel voorhanden heeft gehad. Hierbij dient het hof ook te betrekken dat verdachte in het verleden wegens het plegen van een levensdelict een PIJ-maatregel heeft opgelegd gekregen, ofschoon deze maatregel is beëindigd. Voorts heeft het hof daarbij betrokken het oordeel van met name rapporteur De Man dat de stoornis van de verdachte indien geen adequate behandeling plaatsvindt met name door gecontroleerde medicatie, er gevaar voor anderen blijft bestaan.

Het hof ziet in al het voorgaande aanleiding om de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden van de verdachte te gelasten. Bij het formuleren van de voorwaarden zal het hof zich in grote mate aansluiten bij het door de Reclassering Nederland opgestelde en hiervoor genoemde 'plan van aanpak'.

Ter bescherming van de veiligheid van anderen dan wel de algemene veiligheid van personen of goederen stelt het hof - betreffende het gedrag van de verdachte - de volgende voorwaarden:

* dat de verdachte behandeling zal volgen bij de forensisch psychiatrische polikliniek 'Het Dok' dan wel een vergelijkbare instelling, zolang deze instelling dit nodig oordeelt;

* dat de verdachte zich door laatstgenoemde instelling zal laten controleren op medicatie- en (mogelijk) cannabis- en/of alcoholgebruik;

* dat de verdachte enige vorm van psycho-educatie zal volgen;

* dat op enigerlei wijze met medewerking van de verdachte het (sociale) netwerk van verdachte wordt betrokken bij de behandeling van de verdachte;

* dat de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen die zullen worden gegeven door of namens Stichting Reclassering Nederland, zolang deze instelling dit nodig oordeelt.

Het hof is - alles in ogenschouw genomen - van oordeel dat naast de oplegging de maatregel van terbeschikkingstelling met voorwaarden, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te melden duur passend en geboden is.

Toepasselijke wettelijke voorschriften

Het hof heeft gelet op de artikelen 37a(oud), 38(oud) en 38a van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 (oud) van de Wet wapens en munitie.

BESLISSING

Het hof:

Vernietigt het vonnis waarvan beroep en doet opnieuw recht.

Verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 1 tenlastegelegde heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Verklaart bewezen dat de verdachte het onder 2 tenlastegelegde, zoals hierboven omschreven, heeft begaan.

Verklaart niet bewezen hetgeen terzake meer of anders is tenlastegelegd en spreekt de verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde het hierboven vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart de verdachte strafbaar terzake van het bewezenverklaarde.

Veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 6 (zes) maanden.

Bepaalt dat de tijd, die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Gelast dat de verdachte ter beschikking wordt gesteld, onder de voorwaarden dat:

* de verdachte behandeling zal volgen bij de forensische psychiatrische polikliniek 'Het Dok' dan wel een vergelijkbare instelling, zolang deze instelling dit nodig oordeelt;

* de verdachte zich door laatstgenoemde instelling zal laten controleren op medicatie- en (mogelijk) cannabis- en/of alcoholgebruik;

* de verdachte enige vorm van psycho-educatie zal volgen;

* verdachte er aan zal meewerken dat op enigerlei wijze het (sociale) netwerk van verdachte wordt betrokken bij de behandeling van de verdachte;

* de verdachte zich zal gedragen naar de aanwijzingen die zullen worden gegeven door of namens Stichting Reclassering Nederland, zolang deze instelling dit nodig oordeelt.

Heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte.

Dit arrest is gewezen door mr. J. Kramer,

mr. S. van Dissel en mr. E.C.C. Punselie, in bijzijn van de griffier mr. W.S. Korteling.

Het is uitgesproken op de openbare terechtzitting van het hof van 30 oktober 2006.