Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:GHSGR:2006:AZ0778

Instantie
Gerechtshof 's-Gravenhage
Datum uitspraak
19-10-2006
Datum publicatie
24-10-2006
Zaaknummer
05/682
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Hoger beroep
Inhoudsindicatie

Artikel 13 lid 2 CSV. De termijn van tien jaren in art. 13 lid 2 CSV is niet een verjaringstermijn, maar een vervaltermijn. De bepaling van art. 13 lid 2 CSV houdt in, dat de premieschuld tien jaar na vaststeling niet meer kan worden ingevorderd, ongeacht wie aansprakelijk is voor de betaling ervan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2007-0317
NJF 2006, 606
Belastingadvies 2007/4.10

Uitspraak

Uitspraak: 19 oktober 2006

Rolnummer: 05/682

Zaak/rolnr. rechtbank: 191655/HA ZA 03-418

HET GERECHTSHOF TE ’S-GRAVENHAGE, eerste civiele kamer, heeft het volgende arrest gewezen in de zaak van

[APPELLANT],

wonende te [plaatsnaam],

appellant,

hierna te noemen: [appellant],

procureur: mr. A.M.M. van der Valk,

tegen

de ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST RIJNMOND (voorheen de ONTVANGER VAN DE EENHEID ONDERNEMINGEN ROTTERDAM I),

kantoorhoudende te Rotterdam,

geïntimeerde,

hierna te noemen: de Ontvanger,

procureur: mr. H.J.A. Knijff.

Het geding

Bij exploot van 28 april 2005 is [appellant] in hoger beroep gekomen van het vonnis van 2 februari 2005, door de rechtbank te Rotterdam gewezen tussen partijen. Bij memorie van grieven (met een productie) heeft [appellant] twee grieven tegen het vonnis aangevoerd, die door de Ontvanger bij memorie van antwoord zijn bestreden.

Ter zitting van 9 oktober 2006 hebben partijen hun standpunt doen bepleiten, [appellant] door mr. P.J. Siekman, advocaat te Hoofddorp en de Ontvanger door mr. E.E. Schipper, advocaat te Amsterdam. De door hen gehanteerde pleitnotities bevinden zich bij de stukken. [appellant] heeft daarbij producties in het geding gebracht.

Partijen hebben vervolgens de stukken overgelegd en arrest gevraagd.

Beoordeling van het hoger beroep

1. Het gaat in deze zaak in het kort om het volgende.

1.1. [appellant] is bestuurder geweest van Juno Consulting B.V. (Juno), in de jaren 1991 en 1992 tezamen met [bestuurder 2]. Juno is in december 1992 failliet verklaard en heeft premies werknemersverzekeringen die zij over 1991 en 1992 verschuldigd was onbetaald gelaten.

1.2. [appellant] en [bestuurder 2] zijn op grond van art. 16d van de Coördinatiewet Sociale verzekeringen (CSV) bij onherroepelijk besluiten van 20 december 1996 hoofdelijk aansprakelijk gesteld, [appellant] voor de onbetaald gelaten premies over de periode van 1 januari 1991 tot 15 mei 1992 ad ƒ 94.298,25.

1.3. Het Uitvoeringsinstituut Werknemersverzekeringen (UWV GAK) heeft voor dat bedrag een dwangbevel ex art. 15a CSV d.d. 25 november 2002 tegen [appellant] uitgevaardigd en dat ter betekening en tenuitvoerlegging aan de Ontvanger ter hand gesteld, die het op 20 januari 2003 heeft doen betekenen.

2. In deze procedure vordert [appellant] dit dwangbevel buiten effect te stellen en hem tot goed-opposant te verklaren, onder meer op grond van zijn stelling, dat de premieschulden ingevolge art. 13 lid 2 CSV zijn verjaard/vervallen.

3. Na verweer van de Ontvanger heeft de rechtbank de vorderingen afgewezen. Uit het feit dat in art. 16d niet ook het bepaalde in art. 13 CSV van overeenkomstige toepassing is verklaard, leidt de rechtbank af, dat voor een schuld op grond van art. 16d CSV niet de verjaringstermijn van art 13 CSV geldt. Hiertegen richt zich de eerste grief, waaromtrent het hof als volgt overweegt.

4. Art. 13 lid 2 CSV bepaalt dat premie, welke niet is ingevorderd binnen tien jaren na de vaststelling niet meer wordt ingevorderd. Dit is, anders dan de rechtbank overwoog en anders ook dan waar de Centrale Raad van Beroep in haar, door partijen aangehaalde, jurisprudentie vanuit gaat, niet een verjarings- maar een vervaltermijn.

5. Naar het oordeel van het hof houdt deze bepaling van art. 13 lid 2 CSV in, dat de premieschuld tien jaar na vaststelling niet meer kan worden ingevorderd, ongeacht wie aansprakelijk is voor de betaling ervan. De mogelijkheid tot invordering, bij wie dan ook, is na verloop van de genoemde termijn komen te vervallen.

6. Het hof, dat met deze opvatting afwijkt van die van de Centrale Raad van Beroep, vindt steun voor zijn opvatting in de Memorie van Toelichting (1980-1981, 16530, nrs. 3-4, pagina's 16 en 17) waaruit het volgende valt af te leiden. Bij de invoering van de bestuurdersaansprakelijkheid heeft de Commissie Vennootschapsrecht een “vrij korte vervaltermijn” voor die aansprakelijkheid bepleit. Zij meende dat het in strijd is met de rechtszekerheid, dat bestuurders nog jaren nadat de schuld van een ander is vastgesteld daarvoor kunnen worden aangesproken. De wetgever wenste de termijn voor de bestuurders echter niet los te zien van de andere verjarings- en vervaltermijnen die in de Coördinatiewet en de belastingwetgeving voorkomen. Hij ging uit van de gedachte dat die verjarings- en vervaltermijnen zijn gekoppeld aan die van de hoofdschuldenaar. “Het lijkt ons dan ook niet juist, dat voor een aansprakelijk gestelde bestuurder andere termijnen zouden gaan gelden dan voor de hoofdschuldenaar… Er is dan ook geen behoefte aan een speciale termijnstelling voor deze aansprakelijkheid ….” De wetgever wijst er vervolgens op dat in bepaalde gevallen uitgebreide onderzoeken nodig kunnen zijn. “Zeker in de gevallen waarin ingewikkelde constructies zijn opgebouwd zou een korte termijnstelling een belemmering zijn om dergelijke onderzoeken in te stellen. Hiermede zou de doelstelling van het wetsontwerp…. worden ondergraven.”

7. Het hof vat dit aldus op, dat de wetgever, hoewel hij oog had voor het belang dat bestuurders hebben bij een vrij korte vervaltermijn, ervoor heeft gekozen niet af te wijken van de voor de hoofdschuldenaar geldende hoofdregel dat de mogelijkheid tot invordering van premieschulden niet eerder vervalt dan na de – relatief lange – termijn van tien jaren.

8. Voorts vindt het hof bevestiging van deze opvatting in de Memorie van Antwoord (1981-1982, 16.530, nr. 7, pag. 44), waarin de wetgever eraan herinnert dat de kwestie van de verjaringstermijnen (het hof begrijpt dat daarmee ook de onderhavige vervaltermijn wordt bedoeld) in den brede aan de orde is geweest bij de behandeling van het wetsontwerp 15697 (Wet ketenaansprakelijkheid). De wetgever is van oordeel dat de daarbij gebruikte argumenten - met name dat in malafide gevallen die langdurig onderzoek vergen een korte verjaringstermijn de doelstelling van de wet zou kunnen doorkruisen - ook hier gelden en dat niet valt in te zien waarom dit wetsontwerp op dit punt een andere strekking zou moeten hebben dan hetgeen met de Wet ketenaan-sprakelijkheid is aanvaard. Ook hieruit valt naar het oordeel van het hof af te leiden, dat de wetgever bestuurders niet anders heeft willen behandelen dan degenen die in de artikelen 16a CSV (inlenersaansprakelijkheid) en 16b CSV (ketenaansprakelijkheid) worden bedoeld. Ten aanzien van hen is de vervaltermijn van tien jaren expliciet van toepassing verklaard. Dit laatste komt het hof in het licht van al het voorgaande overbodig voor en het hof kent daaraan niet de betekenis toe die de Ontvanger en in zijn voetspoor de rechtbank daaraan toekennen.

9. De Ontvanger heeft niet betwist dat toepasselijkheid van art. 13 lid 2 CSV in casu meebrengt dat de mogelijkheid tot invordering van de premieschulden bij [appellant] door verloop van de termijn van tien jaren is komen te vervallen.

10. Het slagen van de eerste grief heeft tot gevolg dat het vonnis zal worden vernietigd, zonder dat de tweede grief nog behandeling behoeft. De Ontvanger zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van de procedure, zowel van het hoger beroep als van de eerste instantie.

Beslissing

Het hof:

- vernietigt het bestreden vonnis;

en

- verklaart [appellant] tot goed opposant tegen het op 25 november 2002 door het UWV GAK uitgevaardigde dwangbevel, dat op 20 januari 2003 door de Ontvanger aan hem is betekend;

- stelt genoemd dwangbevel buiten effect;

- veroordeelt de Ontvanger in de proceskosten, in hoger beroep tot op heden aan de zijde van [appellant] bepaald op € 376,60 aan verschotten, waaronder € 291 aan griffierecht, en op € 2.682 aan salaris voor de procureur en in eerste instantie tot op 2 februari 2005 op € 273,20 aan verschotten en op € 904 aan salaris voor de procureur.

Dit arrest is gewezen door mrs. A. Dupain, A.H. de Wild en P.J.J. Vonk en is uitgesproken ter openbare terechtzitting van 19 oktober 2006 in aanwezigheid van de griffier.